Monthly Archives: January 2014

Gebraden kraanvogel

BW2013 29 6 opmaak.inddHet nieuwste nummer van De Boekenwereld (jrg. 29, no. 6) is een aanrader: een zeer smakelijke en fraai geïllustreerde aflevering over Eten & Boeken. Het bevat onder meer een stuk over de Gastronomische Bibliotheek van Johannes van Dam, Joop Witteveen en Bart Cuperus. Deze collectie met zo’n 60.000 boeken is onlangs overgedragen aan de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.

Er blijken nogal wat overeenkomsten te zijn wat betreft verzamelen van kookboeken en kinderboeken: voor beide soorten erfgoed geldt dat er lange tijd heel weinig aandacht bij universiteiten en bibliotheken was; dat bibliografieën niet voorhanden waren en door verzamelaars zelf werden samengesteld; dat verzamelingen kookboeken en kinderboeken die nu in openbare collecties als de KB en de UB Amsterdam worden beheerd voor het grootste deel afkomstig zijn uit schenkingen van particuliere verzamelaars.

Kraanvogel 2 (1)Kraanvogel 2 (2)Kraanvogel 2 (3)

 

 

 

 

 

Door alle verhalen over eten in dit nummer van De Boekenwereld herinnerde ik me een kinderboek,  dat in de KB terecht kwam via de kringloopwinkel in Sassenheim. Kwibio de slimme kok is een ‘fabrieksprentenboek’, zonder vermelding van auteur of illustrator, uitgever of jaar. Het heeft helder gekleurde ongesigneerde stripachtige illustraties en tekst op rijm. Gezien de oude spelling is de datering  geschat op de jaren dertig van de vorige eeuw.  Kraanvogel 2 (4)

Het verhaal in dit prentenboek gaat over een kok die een kraanvogel bereidt voor Heer Coenraad. De kok heeft honger en verorbert alvast een van de poten. Heer Coenraad ontdekt dat de gebraden vogel er wat kaal uitziet en roept de kok op het matje. Kwibio vreest straf en beweert dat kraanvogels maar één poot hebben. Om dat te bewijzen gaat hij  met zijn heer naar de plaats waar kraanvogels in het water staan, en inderdaad, de slapende vogels staan op één poot. Heer Coenraad – ook niet gek – klapt in zijn handen, en als ze opvliegen blijken ze natuurlijk twee poten te hebben.

Kraanvogel 2 (5)Kraanvogel 2 (6)Kraanvogel 2 (7)

 

 

 

 

 

De kok zegt dan dat de heer dat aan tafel ook maar had moeten doen, en dan moet heer Coenraad lachen, zo blijkt uit de tekening op de achterkant van het boek. Kraanvogel 2 (8) detail

We kunnen ons nu moeilijk voorstellen dat zulke prachtige vogels als de kraanvogel werden gegeten.  Joop Witteveen van de Gastronomische Bibliotheek schreef in het culinaire tijdschrift Petits Propos Culinaires (1979-) artikelen over de kraanvogel, met recepten uit Duitse, Franse, Engelse en Nederlandse kookboeken.

Verder speurwerk levert een bijzondere herkomst van dit verhaal op. Het is een bewerking van een van de honderd verhalen uit de Decamarone van Giovanni Boccaccio (1313-1375) over de kok Chichibio (ook Quiquibio genoemd) en zijn heer Currado. In de oorspronkelijke versie is het niet de kok die een van de poten van de kraanvogel opeet, maar een vrouw waarop hij verliefd is.

Kraanvogel 1 (1)In 1964 verscheen het verhaal nogmaals als prentenboek, nu bij uitgever Van Goor Zonen, met de titel Kikibio en de kraanvogel. De tekst is van Paul Schaaf, de vertaling van uit het Duits van Lidy Luursema en de sfeervolle illustraties zijn van Jósef Wilkon. De tekst is in deze versie veel uitgebreider, en hier geeft de kok de eerste poot aan het dochtertje van de poortwachter. Dat kleine meisje voorkomt dat de kok gestraft wordt, want zij bekent aan heer Currado dat zij de dader is…

De bewerkers namen de vrijheid: de eerste door een verliefde vrouw helemaal te schrappen, en de tweede door deze te vervangen door een kind. Zou daar de gedachte achter zitten dat het verhaal zo geschikter is voor de jeugd?

Beide prentenboeken laten zien dat oude verhalen op allerlei manieren worden doorgegeven. Bij de Universiteit Utrecht is daar onderzoek naar gedaan, en in juni 2014 verschijnt het boek Sterke verhalen, onder redactie van Jeroen Salman. Aan de hand van populaire verhalen zoals Assepoester, Cartouche, Robinson en Jan de Wasser  wordt getoond hoe ze steeds opnieuw in andere vormen werden doorgegeven: als liedblad, centsprent, strip, prentenboek, toneelstuk of  film. Bij Bijzondere Collecties van de UB Amsterdam is een tentoonstelling gepland over deze Sterke verhalen, van 24 juni tot en met 5 oktober 2014.

Jeannette Kok

 

Niet Jan Lutz, toch Jan Lutz

Al geruime tijd geleden, schreef ik een artikel over de ‘broeders in de tekenkunst Jan en Peter Lutz’. Jan was de befaamde illustrator van vele kinderboeken. Het artikel verscheen in het bekende tijdschrift Boekenpost nummer 39, jan.-febr. 1999. Hierin meld ik, nogal zeker van mijn zaak, dat de door de wielersport gefascineerde Jan Lutz ook de schrijver zou zijn van het boek Legende rond de gele trui.

Jan Lutz Auteur de journalistDit boek verscheen in 1958 bij uitgeverij Nelissen in Bilthoven, de illustrator was net daarvoor overleden. Helaas ontdekte ik, nadat het artikel al lang gepubliceerd was, dat mijn bewering niet klopte. Het boek was helemaal niet geschreven door de tekenaar Jan Lutz. Maar die naam stond wel op de kaft van het boek. Wie was dan wel de schrijver? Ik kwam daar achter tijdens een gesprek met Cor Docter, succesvol auteur van triviale literatuur. Jan Lutz was ook illustrator van voorplaten voor pulpmagazines als Lord Lister en Robert Tresor. Robert Tresor was een pseudoniem van Cor Docter, ook bekend als Francis Hobart.

Jan Lutz Robert Tresor = Cor Docter, ill. Jan Lutz

 

In het gesprek met Cor Docter  kwam ik tot de overtuiging dat we het over twee verschillende personen moesten hebben. Hij beschreef een heel andere persoon dan de illustrator waar ik uitgebreid studie van had gemaakt. Nou was Jan Lutz een weinig voorkomende naam, maar zouden er dan soms toch meer ‘Jan Lutzen’ zijn? Na wat speuren kwam ik er achter. De schrijver van het boek was de sportjournalist Jan Christiaan Engelbert Marie Lutz, geboren in 1911 en overleden in 1969. Hij publiceerde ook diverse artikelen over sport in het jongerenblad Het, een uitgave van uitgeverij Nelissen. Maar bovenal was hij chef sportredactie bij het katholieke Haagse dagblad Het Binnenhof.

Jan Lutz, wielerwedstrijd 3De Jan Lutz van Cor Docter en ’mijn’ Jan Lutz hadden dezelfde naam en hoe is het mogelijk, ook nog eens dezelfde contacten.  Zo schreef de journalist Jan Lutz zijn boek en artikelen voor uitgever Nelissen en was de illustrator Jan Lutz betrokken bij een aantal uitgaven van diezelfde uitgever. Wie zou daar niet van in de war raken? In ieder geval niet de brave broeders van het onvolprezen Lectuur Repertorium. In het supplement bij de tweede uitgave 1952-1966 is op blz. 1218 duidelijk te lezen: Lutz, Jan Christiaan Engelbert Marie: N. Ned. (R’dam 1-12-1911 – Voorburg) Sportjournalist. Publiceerde Legende rond de gele trui (58). Ik bemerkte in de loop der tijd dat bij elk artikeltje over de tekenaar Jan Lutz vermeld werd dat hij de schrijver was van Legende rond de gele trui. Dat was Jan Lutz dus niet, maar dat was Jan Lutz. Als u begrijpt wat ik bedoel. Fijn dat ik dat nu even kon rechtzetten.

Jan Lutz Wielrennen 1922, ill. Jan Lutz BEWJan Lutz A.C.C. de Vletter, 1925, ill. Jan Lutz BEWJan Lutz Wielerwedstijd 1925, ill. Jan Lutz

 

 

 

 

 

 

 

Richard van Schoonderwoerd

 

 

De populaire pinguïn

In De Volkskrant van 4 januari 2014 staat een artikel van Julien Althuisius over de status van de pinguïn als troeteldier. De aanleiding is een nieuwe driedelige televisieserie: Pinguïns undercover gemaakt door de BBC, die in januari wordt uitgezonden. Dat de pinguïn een populair dier is kan ook geconstateerd worden in het Centraal Bestand Kinderboeken: meer dan 500 treffers bij zoeken op ‘alle woorden’ ‘pinguin?’. De gevonden titels bestrijken een tijdperk van 1924 tot nu. Per decennium daarna stijgt het aantal titels waarbij een pinguïn een rol speelt geleidelijk: van 2 titels in de jaren 1920 tot 1930, tot 100 titels in de periode 2010-2013. De eerste titel waarin een pinguïn via het CBK kan worden gevonden is Het oolijke dierenboek met tekeningen van Bruno Grimmer, uitgegeven in 1924 bij Van Goor Zonen. Ongetwijfeld zijn  er eerdere uitgaven waarin deze dieren voorkomen, maar de beschrijvingen daarvan zijn niet zodanig uitgPRB01_082197431_007, 06-01-2006, 10:20,  8C, 5440x3730 (1215+4310), 100%, Prentenboeken,  1/80 s, R87.1, G46.2, B44.4ebreid dat afbeeldingen van dit dier kunnen worden achterhaald.

Pinguin Pietje Pinguin bew.

Een combinatie van het genre ‘Prentenboeken’ met trefwoord ‘pinguin?’ levert maar liefst 61 titels op. De oudste daarvan is Het leven van Pietje Pinguin, geschreven en getekend door Hans van Weeren Griek, en uitgegeven door Van Goor Zonen in 1938. 

Een zeer vroege afbeelding van een pinguïn vond ik bij toeval in een boek uit 1794. Het staat in De nieuwe en vermaaklyke kinderen bogaard zynde voorzien met drie-honderd vyftig soorten van figuuren, als, menschen, beesten, vogelen, visschen, bloemen &c. Het is de 4e druk uit 1794, gedrukt by de Erve de Weduwe Jacobus van Egmont, op de Reguliers Breêstraat in Amsterdam. Het hele boek is te bekijken via de website van de SGKJ. Het is een zogenaamd ‘figurenboek’: een prentenboek uit de achttiende eeuw met tamelijk primitieve houtsneden, afkomstig van oude, vaak 17e eeuwse houtblokken, met korte onderschriften en weinig onderling verband tussen de prenten. De vorm van de pinguïn in deze uitgave (p.88) lijkt te kloppen, maar het is duidelijk dat de kleurder geen idee had hoe zo’n dier er uit ziet. Het onderschrift is: “Deeze vogel die men hier ziet staan / schijnt als een Mensch op straat te gaan.” 

 Pinguin 1794

Jeannette Kok