Onbekende Uitgever (De Meyer  C-68), ca. 1840

 

DE VERKEERDE WERELD.

 (geen afbeelding beschikbaar)

 

Ongekleurde houtsneden van onbekende uitgever met No.68. 4x4 taferelen afgedrukt op machinaal papier. Zonder adres, maar het nummer ‘No.68’ is van de zwierige stijl die de prenten van lijst C, maar ook die van Wansleven kenmerken. De houtblokken zijn dezelfde als bij Onbekend A-41.

Vindplaats: Waller O-3.

 

Taferelen:

1. Paard beslaat smid

2. Haas jaagt hond

3. Strijken en blazen verkeerd op het instrument

4. Postrijder op de slak

5. Kikkers eten de ooievaar

6. De meester bedient zijn knecht

7. Man schiet met geweer verkeerd om

8. Schaap verscheurt de wolf

9. Muis jaagt op kat

10. Kind wiegt de moeder

11. os leid de slager naar de slachtbank

12. man steekt overdag de lantaarn aan

13. de beer laat zijn baas dansen

14. man duwt omgekeerde kruiwagen

15. paard drijft de ruiter

16 dame draagt de slip van haar knecht.

 

Teksten en verzen:

Hoe nu , gij dwaze smid, laat ge U door het paard beslaan?

Met hoeven an de voet zult gij niet kunnen gaan,

En ’t onbeslagen Paard niet goed het rijtuig trekken,

Dus komt tot beider last de dwaasheid van twee gekken.

 

2.Wie angstig is en laf strekt iedereen tot spot,

Dees has vervolgt den Hond, dit kiders vindt gij zot,

Maar: laat gij u door vrees of dwazen angst verblinden,

Dan moogt ge uw eigen beeld in ’t vlugtend Hondje vinden.

 

3. De een houdt zijn bas verkeerd, de tweede zijn viool,

De derde blaast, zijn hoorn gelijk een regte jool,

Begint ge het werk verkeerd, wanneer ge iets wil verrigten

Dan geeft het wangeluid, dat ieder zal ontstichten.

 

4. Dees vadsige Courier, gezeten op een slak,

Denkt:,,ik koom eens er toch, en ‘k rijd op mijn gemak”,

Maar ’t dwaaze spreekwoord: wat vandaag niet lukt lukt morgen,

Vertraagt het werk, en geeft ons zelv’ en andren zorgen.

 

 

5.De kikkers strekken meest  den Ooijevaar tot aas,

hier kluiven zij hem op, en spelen hem de baas,

Als onze driften, ontbeteugeld, ons regeren,

Zijn wij als de Oijevaar, wien kikkers overheerschen.

 

6. Dat elk inschiklijk voor zijn knechts en meiden zij,

Zij dienen ons om loon, en niet uit slavernij,

Maar dat de Heer zijn knecht moet dienen op zijn wenken,

Zou hoogst belachlijk zijn , en niemand voordeel schenken.

 

7. Hou! Lompe jager! Hou! Wie gaat gij dus te keer?

Het kruit en lood vliegt uit de kolf en niet van het geweer,

Denkt eer gij handlen zult, of iemend iets komt zeggen,

Vooraf verstandig na, hoe dat gij ’t aan moet leggen.

 

8. Nooit rooft het schaap den wolf, maar wel de wolf het schaap

Maar ’t listige bedrog wieg’ niemand ooit in slaap.

Men ziet wel soms den wolf zich met het schaapsvel dekken,

Om dat hem ’t arme schaap  tot wisser prooi zou strekken.

 

9. Aa welk een slechte wacht betrouwde men hier ’t huis,

Waar men de laffe Poes ziet jagen door de Muis

Wien moed ontbreekt in ’t werk, dat hem is opgedragen,

Is aan de Kat gelijk, die kleine muisjens jagen.

 

10. De moeder in de wieg, het kind aan ’t wiegentouw,

Wat zoete kuur is dit, O zorgeloze vrouw?

De Moeder moet voor ’t heilvan hare kindren waken,

Maar nooit zich tot slavin van hunne kuren maken.

 

11. ’t Gaat alles hier verkeerd, want de Os sleept aan een koord,

Den armen slager naar de wreede slagtbank voort,

Wanneer uw plicht gebiedt iets nuttigs uit te voeren,

Moet ge u door Ossen niet aan banden laten snoeren.

 

12. Ziet gij de zon dan niet, die alles hel bestraalt,

Dat ge op den vollen dag met uw lantaren dwaalt?

Zoo gaat het hun, die zich door eigenwaan verblinden,

Ofschoon hen ’t licht bestraalt, zij kunnen het pad niet vinden.

 

13. Wat u dees prent vertoont gebeurt op aard wel meer,

Al danst den drijven niet op ’t fluitje van den beer,

Wie schrander is van geest laat zich , door angstig schroomen

Voor meerder ligchaamskracht door lomperts wel be..oomen.

 

14. Dat gaat niet, Boertje, zo bewerkt gij slecht uw land,

Want zonder overleg, komt de arbeid nooit tot stand;

Er, werd in elk bedrijf, meer goede vrucht gewonnen,

Als ’t werk, door velen, niet onhandig wierd begonnen.

 

15. Wat zonderling gezicht, wat vreemde klucht is dit?

Het stalpaard houdt zijn baas, bij ’t rijden in ’t gebit,

Als meerdren hun gezag op mondren ontberen,

Zal al wat orde heet het onderst boven keeren.

 

16. Deez’ Dame, al te min aan haar fatsoen gehecht,

Bewaart voor slijk de slip van ’t kleed van haren knecht,

Zij waant zich ligt om haar gedienstigheid geprezen,

Maar ’t is een dwaze dienst, ter kwader uur bewezen.

© 2001-2010 A.G.J.M. Borms. Bijgewerkt op 28 March 2010. Contact centsprenten@xs4all.nl

Overname, kopiëren en downloaden voor niet-commercieel gebruik van teksten en afbeeldingen is toegestaan onder vermelding van bron SGKJ/AGJMBorms.