|
1.de molensteen drijft
2. de kerk staat op de toren
3. de vis vangt de visser (met een hengel)
4. de ezel drijft zijn beladen baas
5. de postiljon rijdt op de haas
6. de kreupele draagt de gezonde
7. de gans leidt(jaagt op?)de leeuw
8. de uil zit op de beer (?)
9. het varken slacht de slager
10. het schaap scheert de herder
11. de aap scheert de barbier
12. de aap zit op de hen
13. de raaf zit op de bok.
14. de ezel leest de bijbel
15. de olifant danst op het koord
16. het paard ment de mannen voor de wagen
17. de vrouw draagt wapens; de man spint spint wol
18. de blinde leidt de ziende
Teksten |
19. de duif zit op op de vos
20. de M(ens) zit op de zwaan
21. omgekeerde wereldbol
22. het kind wiegt de moeder.
23. de aap speelt fluit.
24. de papegaai leert de man (in kooi) praten
25. de os drijft de mannen voor de ploeg
26. de slager rijdt op ’t varken.
27. de ezel maait gras.
28. het kind kastijdt de vader.
29. het kind bestraft de meester.
30. de melkster zit op de koe.
31. de ezel drijft de boeren voor de wagen
32. de ezel put water.
33. de bakker wordt gebakken.
34. de os zit op de ezel (spreekwoord).
35. de doden dragen de levende.
36. de dode begraaft de levende.
|
|
de molensteen drijft
de kerk op de toren
de vis vangt de visser (met een hengel)
de ezel drijft den drijver
de postiljon op den haas
de kreupele draagt de gezonde
de gans leidt den leeuw
de uil op den beer
Het varken slagt den slager
Het schaap scheert den herder
De aap scheert (de barbier)
De aap op den hen
De raaf op den bok.
De ezel leest den bijbel
de Olifant op de koord
De paarden in de postwagen.
De man wol spint
De blinde leidt de siende |
De duif op de Vos
De M… op de zwaan
De wereld ondersteboven
Het Kind wiegt den moeder.
De aap speelt fluit.
De papegaai leert de man
De os achter de ploeg
de slager rijd op ’t varken.
den Ezel maait gras.
Het kind kastijd de vader.
Het kind bestraft de meester.
De melkster op de koe.
Den ezel drijft de boeren
Den ezel put water.
De bakker wordt gebakken.
Den Os op den ezel.
De dooden dragen de levende.
de doode beg. de levenden. |