Gustav Kuhn 688  ca. 1830

 

-, Der Hahn geht stolz einher und fährt den Herr zur Stadt…

 

 

De vader van Gustav Kuhn, Johann Bernard Kühn (1750-1826) kreeg op 16 maart 1791 vergunning voor het vestigen van een drukkerij en een boekhandel. Aan deze vergunning was de voorwaarde verbonden dat Kühn niets zou drukken dat zich richtte tegen de kerk of het vorstenhuis. Mogelijk drukte Johann prenten, maar tot op heden is er geen prent die zijn naam draagt opgedoken.

Zoon Gustav (1794-1868) volgde een opleiding aan de kunstacademie van Berlijn en bekwaamde zich als houtsnijder en graveur.  In het najaar van 1813 woedde de bevrijdingsoorlog van het Napoleontische juk en werden alle onderwijsinstellingen gesloten. Kuhn keerde terug naar Neuruppin waar hij in de zaak van zijn vader werkte. Daarnaast werkte Kühn nog korte tijd als tekenleraar aan het gymnasium. In 1815 trok Johann zich uit de zaak terug en liet deze over aan zijn 20-jarige zoon. Het bedrijf omvatte een boekhandel, een boekdrukkerij, een kleurwerkplaats, een leenbibliotheek en een glaswinkel. In 1825 kwam daar nog een steendrukkerij bij en de productie van prenten ging met sprongen omhoog: van 8000 bladen in 1823 naar één miljoen in 1832. Gustav gaf niet alleen leiding aan het bedrijf; hij tekende ook veel prenten zelf en voorzag deze ook van teksten.

Het prentfonds van Kühn is tot op heden niet geheel gereconstrueerd. Zaepernick schat dat in de loop van 125 jaar door de Kühns en hun opvolgers ongeveer 10.000 verschillende prenten zijn uitgegeven. Veel prenten vonden hun weg naar Nederland.

Gustav Kuhn, Neu Ruppin, voor 1835,  5x4 handgekleurde litho met 2-regelige verzen.

 

Adres: Neu-Ruppin, zu haben bei Gustav Kühn

Vindplaats: Zaepernick (1972) afb. 8

Voor de literatuurlijst klik hier.

 

Taferelen

de haan rijdt de heer naar de stad

de ezel wandelt; zijn baas dient hem

de beer laat zijn baas dansen

de haas jaagt de jager

ruiter zit achterstevoren op het paard

de os slacht de slager

man trekt de koets met hond en paard

paard beslaat smid

tweee paarden trekken naar links en naar rechts aan de ploeg

de hond berijdt zijn baas

spreekwoord?

het schaap drijft de herder

de vis leeft op het land; de man in het water

het kind onderwijst zijn leraar

de bok speelt hoorn en de ezel guitaar

wie eten wil moet werken (spreekwoord)

ooievaar en adelaar wandelen; de mensen vliegen door de lucht

de man steekt de lantaarn aan om overdag beter te zien

de muis jaagt op de kat

mensen lopen op hun handen

 

Teksten

1. Der Hahn geht stolz einher und fährt den Herrn zur Stadt. Bald wird man fragen ihn, was zum Verkauf er hat.

2. Herr Langohr brüstet sich; befiehlt, statt nur zu dienen;  Wie kann ein Esel wohl sich so etwas erkähnen.

3. Soll nun der Bär sogar ein Menschen tanzen lehren, So hat ma’s weit gebracht, denn stand’ er doch in Ehren.

4. Das Hasen Jäger sind ist winderbares Ding; Denn Kraft und Muth dazu hat er nur sehr gering.

5. Um das Pferd zu halten und zu regieren Musz man’s beim Zaun, und nicht beim Schwanze führen.

6. Der Ochs mit seinem Beil will tödten gar den Schlachter; Könn’s wirklich so gescheh’n, gäb’s dann wohl drob Gelächter.

7. Soll der Mensch den Wagen ziehn und Hund und Pferd kutchiren, Wird jeder den Verstand und’s Futter der verlieren.

8. Das Pferd beschlägt den Schmidt, wer will diesz glauben lehren? Das Pferd ist ja ein Thier, musz der Vernunft entbehren.

9. Will ein Pferd rechts, das andre links nur gehn, Wird, was man sagen mag, der Pflug wohl bleiben stehn.

10. Hat man wohl je gehört, dasz Hund’ auf Menschen reiten? Hier seht ihr’s ja geschehn; dann ist’s auch nicht zu streiten.

11. Der mit den Ordensband gehörcht dem mit der Krücke, Als ob der Elephant sich fürchtet vor der Mücke?

12. Soll das geduld’ge Schaf nun schon den Hirten treiben, Wozu doch Kraft ihm fehlt, wird’s wohl beim Alten bleiben.

13. Die Thorheit wird sehr oft doch gar zu weit getrieben; Nun soll der Fisch das Land, der Mensch das Wasser lieben.

14. Wo schon der Jugend will dasz weise Alter lehren, Da wird denn doch sehr bald die Sitt’ und Zucht aufhören.

15. Der Bock bläst hier ins Horn, der Hase spielt Guitarr’; Sagt, wer von beiden ist nun wohl der gröszte Narr?

16. Die Säge und das Beil, die müsset flink ihr fúhren; Wer Braten essen will, musz sich auch wacker rühren.

17. Der Adler und der Storch, die gehen hier spazieren; Der Mensch will durch die Luft gar seinem Flug regieren.

18. Um hellen Tage gehn mit brennender Laterne Ist doch verkehrter Wahn, man sieht den Narr’n von ferne.

19. Das hier die Maus nun schon die Katze will verjagen, Ist thöricht Eben so, wenn’s Kind den Mann will schlagen.

20. Zum Gehen hat der Mensch doch wohl zwei Füsse nur; Auf allen Vieren geh’n ist gegen die Natur.

 

© 2001-2010 A.G.J.M. Borms. Bijgewerkt op 11 December 2009.

Overname, copiëren en downloaden voor niet-commercieel gebruik van teksten en afbeeldingen is toegestaan onder vermelding van bron SGKJ/AGJMBorms. Contact centsprenten@xs4all.nl