Jacques Honervogt, ca. 1650

 

EL MONDO AL REVES.

 

 

Jacques Hon(n)ervogt, geboren omstreeks 1583 in Keulen, vestigde zich na een opleiding van anderhalf jaar bij Thomas le Leu in 1606 als graveur en handelaar in prenten in Parijs . Hij werkte in de Rue St.-Jacques in La Ville de Cologne en overleed in 1666. In 1624 tot Fransman genaturaliseerd was hij ouderling van de Confrérie de la nation flamande in St. Germain-des-Prés.  Ook was hij lid van een commissie die de eisen voor het meesterschap van graveurs opstelde. In 1613 kreeg hij opdracht van P. Firens voor het graveren van 8 platen met de werken van barmhartigheid en het laatste oordeel. Per plaat ontving hij 21 livres. Naast eigen gravures en anonieme prenten van populaire en religieuze onderwerpen gaf Honervogt werk uit van andere graveurs, onder andere Isaac Briot, Jerome David en Leonard Gaultier, die ook van Duitse afkomst was. Entretien Spirituel is een kerkboekje in-24, verlucht met een groot aantal gravures dat Jacques Honervogt in 1649 uitgaf. Zijn bundel Solitudo siue vitae patrum eromicolarum bevat meer dan 100 prenten van Jan en Raphael Sadeler en Adriaen (mogelijk ook Jan) Collaert naar Maarten de Vos. De prenten zijn deels copieën en soms in spiegelbeeld gedrukt met afwijkende onderschriften. Andere zijn van de originele opgewerkte platen gedrukt, waarbij de namen van de oorspronkelijke graveurs en uitgevers werden vervangen door Honervogts naam als uitgever. Op vallend is het adres: A Paris : Chez Iollain rue St. Iacques a la ville de Cologne. Dit wijst er op dat Honervogt samenwerkte met Gerard Jollain, die in 1667 zijn huis kocht daar als graveur en prenthandelaar tot 1685 werkte. In 1655 staakte Jacques zijn werkzaamheden en verdeelde de platen en handelswaar onder zijn 5 kinderen, waarvoor hij een levenslange lijfrente van 600 livres kreeg.

Met Peter-Paul Rubens raakte Honervogt in conflict over het copiëren van Rubens' prenten zonder diens toestemming. Rubens genoot koninklijk privilege voor zijn prenten, die hij door gerenommeerde graveurs zoals Boëtius ŕ Bolswert onder zijn supervisie liet graveren. Honervogt verdedigde tot in hoogste instantie zich met de stelling dat de gravure tot de vrije kunsten behoorde waarop een privilege niet van toepassing kon zijn. In 1634 werd hij veroordeeld voor het copiëren van twee prenten met Christus aan het kruis. Saillant detail is dat de prenten werden vervaardigd in een periode waarin Rubens’ privilege was afgelopen en een nieuw nog niet van kracht was, maar een verklaring van Jacques Dupuy, conservator van de koninklijke bibliotheek gaf de doorslag. Volgens zijn verklaring waren de prenten al jarenlang gedeponeerd en dus beschermd.

 

Honervogts El Mondo al Reves, een ets met Spaanse tekst in 2-regelige verzen, is vermoedelijk slaafs gecopieerd naar de omgekeerde wereldprent van Jacques Ganičre. De afbeeldingen en teksten zijn vrijwel identiek. Op vijf rijen zijn de 29 genummerde en in elkaar overlopende taferelen afgebeeld; in het midden de omgekeerde wereldbol met de vier, naar buiten blazende winden.   

 

Vindplaats: Bibliotheek van het Arsenal te Parijs.

Afbeelding: Tristan, no. 94. 

Literatuur: Préaud p. 158.

 Taferelen
1.de ezel ment de mannen voor de wagen
2. de dames lopen achter de meid.
3. Het schaap scheert de herder.
4. de ezel wast en scheert zijn baas.
5. de wagen trekt de ossen.
6. De zigeuner laat zich de toekomst voorspellen.
7. de zieke onderzoekt de arts
8. het kind kastijdt de vader (met hulp van de moeder)
9. de vrouw draagt de wapens; de man spint het garen
10. de schepen varen in de bergen
11. de vrouwen trekken ten strijde; terwijl de mannen het huishouden doen.
12. het kind onderricht zijn leermeesters
13. bejaarden lopen met molentjes en vlaggen.
14. de boer weerspreekt de geleerde.

[omgekeerde wereldbol met de vier winden]

15. de pachter laat de landheer de grond bewerken.

 

Teksten en verzen 
1. Agora es comtrario delo que era ayer,
El hombre tira el cochey elcauallo es ocher.
2. Damas illustrasqui Solean yr delante,
Siguen agora su moca galante.
3. La oueja al fursleenanta es tresquila,
Su ano el quatcontra desir no osa.          
4. El asmillo gentil laua sin xabon,
La cabeca del barbero su padron.
5. Proverbois  v sados El carro es delante los bacij es,
Quando lo que se deue hazerprimero Senaze despues.
6. La parlera que a otro Solia su ventura,
Dezir que otros se la digan a ella procura.
7. Cuarde se daquel y de su pensanno ento vano,
El qual siendo inferm quiere tuar il pulso al Sano.
8. Oquau ruijn hecho la injusta madre,
Manda al neciomuchacho q’acote al padre.
9. La muger armada de lamas y de espalda,
Haze al marit  a filar en la Strada.
10. Lo que por es mar largo suauemente hazian,
Agora sobra las penas las galeras y naves van. 
11. Las mugeres armadas ala guerra van,
˙ los hombres ocoisos en casa festan.
12. Porfiar con a quellosque todas rosus?? Suben,
Es co sasque necios como ninos devn anoatreuen.
13. Remo ceeen filos viejos tambien a vezes,
˙ van con vanderas ˙ molenejos a vezes.
14. Ni de palabra ni de hecho de lugar el villano,
Auque se vea que le contradiga el letrado.

15. No es sempre ru˙la Suerte adőde se pone,
El villano a su padron mande que caue.


 

16. Mensen bedienen de dieren aan tafel.
17. de haan jaagt op de vos.
18. de haas verjaagt de valk en de eend de adelaar.
19. de muis verjaagt de kat en de bok de leeuw.
20. vissen nestelen in de boom ; de vis vist op vogels.
21. Vissen vangen de vogels in het water.
22. de boer zaait op zee
23. de jager jaagt op zee ; de hazen jagen op de honden.
24. de koning gaat te voet ; de boer te paard.
25. de os slacht een hert.
26. de os drijft de mannen voor de ploeg.

27. de ezel drijft de beladen man voort.
28. de ezel berijdt de man.
29. De os speel luit voor de ezel.

 


16. Avezes haze la fortuna qu’vn corason gentil,
Sirua a vn brut animal trag on ˙ vil.
17. La liebre al gallo la reposa al aquila,
Hazen sentir la pena de su pecado ˙ culpa.
18. La corneja gritando scha en vn rincon,
A su perpetti o enemigo el impio halcon.
19. El gato delante el raton se aman gua
Necon la cabre tiene el fiero leon tregua
20. ź mientras el cacador esla aqui con el anzuelo,
Otros por pass atiempo se van de ramo en ramo.
21. Agora que las aues ern el agua tiene so posada,
Descienden los piesces del a˙re para tomar presa.
22. El loco dentro las olas sembrar se atreue,
Y de coger el fruto lo camente se promete.
23. Apie ˙ a cauallo en la mar se corre ˙ caca,
La liebre˙ el conejo Siguen del perro la traca.
24. Agora qu’el Rey es a pie y el villano in filla,
Veys como si muda la fortuna eiega.
25. El buey que a otros que a si apacentar deuria,
Desuella el cieruo para honnra del hosteria.
26. El buey que y a lleuana arădo el ˙ugo,
Haze porse o˙ en dia errar su villano.
27. Cargado de agua va el padron por el camino
Pincado del asnillo qu’en las espaldas lleua el vino
28. Hombre in isereto, para que ve˙s al molinero,
Que por bestia de carga se serue desu somero.
29. El bue˙ que pone el laut en la grossera diestra,
˙ la asua su diosa se esta a la seniestra.

 

© 2001-2008 A.G.J.M. Borms. Bijgewerkt op 11 December 2009.

Overname, copiëren en downloaden voor niet-commercieel gebruik van teksten en afbeeldingen is toegestaan onder vermelding van bron SGKJ/AGJMBorms. Contact centsprenten@xs4all.nl