DE VOLKS- EN KINDERPRENT IN DE NEDERLANDEN VAN DE 15e TOT DE 20e EEUW
DOOR
MAURITS DE MEYER
DEEL 3 - TEKSTEN OVER DE ICONOGRAFIE VAN DE PRENTEN
Inleiding ...................353
1. Godsdienstige onderwerpen.........359
2. Historische onderwerpen..........371
3. Allegorische onderwerpen .........392
4. Satirische onderwerpen...........467
5. Literaire onderwerpen. Het beeldverhaal . . 481
6. Didactische en documentaire onderwerpen . 529
A. INLEIDING
In de verantwoording van dit boek hebben we reeds ge-wezen op de cultuurhistorische betekenis van de volks-en kinderprenten. De iconografische studie van deze prenten stelt ons in staat de merkwaardige plaats te be-palen welke deze ,,kunst voor het volk" bekleedt in de algemene cultuurtraditie en cultuurevolutie.
Traditie en actualiteit liggen beide ten grondslag aan de iconografie van de volks- en kinderprenten. Zoals bij de bespreking van de verschillende onderwerpen nader aangetoond wordt, vormen deze prenten zowel een voort-
zetting van middeleeuwse kunstoverleveringen als een
Spiegel van bepaalde tijdsopvattingen. Zo hebben ook de literatuur van elke eeuw en historische gebeurtenissen uit verschillende periodes hun sporen nagelaten in deze prenten.
De iconografie van de volksprenten vertoont eveneens verwantschap met die van verschillende .indere takken van kunstnijverheid. Zoals we verder zullen zien, komen verschillende onderwerpen, be-lundcld op de volksprenten, ook voor op de wandtapijten, op smeedwerk (denk aan de bijbelse voor-stellingen op de haardplaten), op houtsnijwerk (vooral op koek- en speculaasplanken) en op aardewerk. Bij het aardewerk is het de iconografie van de vloer- en vooral de wandtegels die nauwc verwantschap vertoont met die van de volksprenten. Reeds op middeleeuwse Vlaamse vloertegels vin-den we naast talrijke decoratieve motieven ook allerlei dieren, een cupido op een stokpaardje, een trommelend zwijn, en een beer met doedelzak1, ruiters en ridders2, bijbelse taferelen 3 en het Lam Gods4, onderwerpen welke ook behandeld werden op de prenten 5. Maar het zijn ongetwijfeld de
______________________
1 G. van der Linden, Geglazuurde aarden vloertegels te Diest. Ons Hecm, XV(1961), biz. l55-r56. —
2 A. Lowyck, Ruiter-en riddertegels. Ons Heem, XV (1961), biz. 169. —
3 B. Bynen, De tegelkeramiek in de Duinenabdij te Koksijde. Ons I lean, XV (1961), biz. 204-205, afb. 302, 303, 304. —
4 A. Lowyck, Kort overzicht van de gescbiedenis van de Westvlaamse tcgelbakkerijen in Vlaams aardewerk. Ons Hecm, XV (1961), biz. 161. —
5 Zie de hoofdstukken over de bijbelprenten en dc dierenprenten. Vergelijk de cupido op het stokpaardje met de spelende cupido's; zie hierover het hoofdstuk: spelen. Naast het trommelende zwijn en de fijfelende beer vinden we op de prenten een rokend zwijn, een spinnend zwijn, musi-cerende katten enhonden; zie hierover de hoofdstukken over de allegorische dierenprenten en over „de verkeerde wereld".
358
Delftse tegels welke de nauwste verwantschap vertonen met de gelijktijdige prenten. Ong> alle onderwerpen, afgebeeld op deze tegels, komen ook voor op de prenten: niet enkel bijbelsc til. relen, ruiters en dieren, maar ook pastorale taferelen, ambachten, beroepen, schepen, enz.1. Nici alleen worden in beide kunstprodukten gelijke onderwerpen behandeld, maar deze onderwvip. B worden meestal ook voorgesteld op dezelfde wijze. Een ontwerp voor een prent had in vele gev.illrn evengoed kunnen dienen voor het versieren van een reeks tegels. Ook vele zogenaamde tegelsi In I derijen, bij dewelke zes, negen, twaalf of meer tegels samen een tableau vormen, vertonen nauwc v< i wantschap met bepaalde volksprenten. Dit geldt voor de voorstellingen kat en hond, voor bloeffl stukken, voor ruiterportretten, voor sommige bijbelse taferelen, voor zeegezichten, enz. 2. De kuiiM van deze ,,gebakken prentjes" vertoont veelal dezelfde eigenschappen als die van de gedrukte „oortjef prenten": naast simpele, zelf onbeholpen voorstellingen van naieve eenvoud, vinden we hier ook gc-tuigenissen van een geperfectioneerd vakmanschap.
Deze overeenkomsten gelden vooral voor de 17c en i8e eeuw. Zoals we in het algemeen histo-risch overzicht hebbcn kunnen vaststellen, werd de kinderprent in de ioe eeuw hoofdzakelijk beeldvcr-haal, om in de 2oe eeuw de plaats te ruimen voor de „stripverhalen". De oudste Nederlandse volks- en kinderprenten met beeldverhalen, als die van Tijl Uilenspiegel en Jan de Wasser, dateren uit de 17c eeuw. Maar reeds in de 15c eeuw kwamen bij de heiligenprenten echte beeldverhalen voor. Een hicr-van verhaalt in twaalf taferelen het leven van Sint-Erasmus; het is bewaard in het prentenkabinet van de Bibliotheque Nationale te Parijs 3.
De iconografie van de volksprenten vormt een merkwaardige schakel tussen de inspiratiebron-nen van de middeleeuwse kunst enerzijds en het moderne beeldverhaal anderzijds.
Wij hebben het nuttig geoordeeld, naast de catalogus van de prenten, geclasseerd volgens uit-gever, ook een lijst samen te stellen, geclasseerd volgens onderwerpen.
We hebberurjns beperkt tot het algemeen onderwerp van elke prent. De prenten met twaalf, vierentwintig, of zesendcrtig afbeeldingen van ambachten, van spelen, van spreekwoorden, van dieren, van voertuigen hebben we geclasseerd op ambachten, spelen, enz. We hebben geen lijsten gemaakt van al de voorgestelde ambachten, spelen, spreekwoorden, voertuigen, enz. Niet omdat wc deze gedetailleerde lijsten niet voldoende interessant zouden gevonden hebben, maar om praktische bezwaren: de omvang van het werk en de tijd welke er zou mee gemoeid geweest zijn. Het zou b.v. voor de bcoefenaar van de volkskunde wel prettig zijn over een lijst te beschikken van al de prenten waarop een spel als ,,haasje-over" of ,,bok-sta-vast" is afgebeeld, voor de taal- en letterkundigen om van prent tot prent de ontwikkeling van een bepaald spreekwoord na te gaan. Wij hopen dan ook dat vorsers uit volgende generaties voldoende belangstelling zullen hebben voor dit onderwerp om een of andere monografie te wijden aan een van de talrijke cultuurhistorische aspecten van de volksprenten.
Gedurcnde de jaren welke wij aan de studie van de Nederlandse volksprenten hebben gewijd, hebben we vele aantekeningen gemaakt over de bronnen en de verspreiding van verschillende thema's welke hier behandeld worden. We hebben deze aantekeningen geordend en elke rubriek van de systema-tische inventaris laten voorafgaan door een korte inleiding, waarin deze aantekeningen gebundeld zijn.
Deze inleidingen maken geen aanspraak op volledigheid en vele problemen vragen verder on-derzoek. Maar we meenden dat het nuttig was de zeer uiteenlopende problemen betrefFende de iconografie van de volksprenten even te belichten.
Een Lam-Gods-prent vinden we zowel in het fonds van Bontamps te Venlo als in deze van Brepols en van Glenisson & Van Genechten te Turnhout; zie hoofdstuk : prenten met godsdienstige voorstellingen.
_____________________
— 1 J. Kok, De Hollandse tegel. Amsterdam, 1949, talrijke afbeeldingen. Ook in het Antwerps oudheidkundig museum Het Vleeshuis bevinden zich merkwaardige ensembles Delftse tegels met afbeeldingen van kinderspelen, soldaten, voetvolk en ruiterij. —
2 C. de Geus, Oud-Nederlandsche tegels. Amsterdam, (1930), biz.24.—
3 Reproduktie in :L.Lebeer.De^eert van de graveerltunst in de ise eeuw.Diest, 1945, biz. 3 3.
Godsdienstige prenten behoren niet alleen tot de oudste volksprenten, maar zij hebben ook, zowel in Nederland als in Frankrijk, hun naam ge-geven aan het genre. Zoals we reeds hebben ver-meld in het historisch overzicht, waren ,,heyligh" en „saints" de oudste benamingen voor de volks- en kinderprenten. Met deze benamingen waren oor-spronkelijk prenten met afbeeldingen van heiligen bedoeld. In het Zuiden: Belgie, Frankrijk en Spanje, zijn deze heiligenprenten tot ver in de ioe eeuw blijven voortbestaan; in het Noorden werden zij, vanaf de i6e eeuw, vervangen door bijbelprenten. De Bijbelprenten. — Zowel voor de godsdienstige als voor de profane prenten is er een dub-bele invloed uitgegaan van de kunstgravure op de volksprenten. Oudere kunstgravures werden ge-I opieerd door houtsnijders die werkten voor de uitgevers van volksprenten, maar deze uitgevers l.ruikten ook originele blokken gesneden door kunstenaars van naam. Nr. 7 van de kinderprenten Jacobus van Egmont is getiteld Paasch-Prys en stelt voor: Suzanna in het bad met de twee oude mannen die haar bekgen. (Dit is wel niet het meest geschikte onderwerp voor een kinderprent.) Zien we nader toe dan bemerken we dat bovenaan de prent een gedeelte ontbreekt. De uitgever is in het beat geweest van het houtblok van de Duitse prent, Susanna im Bade, gegraveerd door Jorg Brew die werkzaam was te Augsburg in de eerste helft van de i6e eeuw x.
Dit houtblok was te groot om er een kinderprent mee te fabriceren en de uitgever heeft eenvou-dig het blok in tweeen gezaagd en met de onderste helft heeft hij zijn „Paasch-Prys" gedrukt.
Een tijdgenoot van Brew, de graveur Hans Sebald Beham 2, heeft een mooie houtsnede gemaakt voorstellende Adam en Eva in het aardse paradijs. Nr. 54 uit het fonds van David du Mortier te Leiden (afb. 69) is een zeer getrouwe kopie van deze prent.
De i6e-eeuwse houtsnede met de ark van Noach uit het fonds van een onbekende uitgever en die uit het fonds De Groot, zijn eveneens artistieke gravures welke oorspronkelijk wel niet als volksprenten zullen bedoeld geweest zijn. De zondvloed is een onderwerp dat in de Nederlandse volksprenten weinig voorkomt. Behalve de hierboven bedoelde platen, kennen we enkel nog een Ark van Noach uit het fonds Ratelband. Voor Frankrijk signaleren we, behalve de in de catalogus vermelde tweetahge prent van Hurez uit Kamerijk, ook drie „zondvloeden" uit Orleans 3.
Het leven van de profeet David was, vooral in de i8e eeuw, een zeer geliefd onderwerp zowel voor het samenstellen van volksboekjes als van volksprenten. De voornaamste uitgevers van „David"-prenten hebben ook „David"-bockjes uitgegeven en hebben meestal voor hun boekjes en voor hun prenten dezelfde houtblokken gebruikt 4.
______________________________________
1 Das Kupferstichkabtnet, herausgegeben von Albert Fischer Edlen von Zichwolff und Willibald Franke, Fischer-Franke Buch- und Kunstverlag, Berlin, 1901. Band 5. —
2 Gustav Pauli, Hans Sebald Beham. Ein kritisches Verzeichms seiner Kupferstiche, Radierungen und Holzschnitte, Straatsburg 1901, biz. 323, nr. 687 d. -
3 Auguste Martin, Vimager* Orleanaise, Parijs (1928), biz. 44, uitg. M. Rabier-Boulard 1812-1842. —
4 J. Kannewet (Kon. Bibl. Den Haag 471 d-185 c 15), J. Bou-wer en de Wed. J. Ratelband (coll. Waller 772), Wigerus Wigeri (cat. Boekenoogen, biz. 36), Van Minister (cfr. Atlas v. Stolk, VII, biz. 192), Erve Hendrik v.d. Putte, opvolgers van Conynenberg (coll. Waller 769).
360
Het is niet onwaarschijnlijk dat de uitgevers Van Egmont te Amsterdam en J.H. de Lange te Deventer, die eveneens „David"-boekjes in hun fonds hadden1, ook „David"-prenten hebben uitgegeven waarvan geen exemplaren meer be-waard gebleven zijn.
Alhoewel de historie van Jozef en zijn breeders op de prenten minder voorkomt dan de historie van David, heeft ook dit onderwcrp ge-durende twee eeuwen het voorwerp uitgemaakt van verschillende volksprenten en volksboekjes. Het oudste ons bekende volksboekje met dit on-derwerp is De Schoone Historie \\ Van den women en godvmchtigen Jongeling | Joseph... gedrukt ,,Tot Gend, by J. Begyn, op d'Appelbrugge in den Engel". J. Begyn was werkzaam van 1740 tot omstreeks 17812. Maar uit het imprimatur „Antverp 11 januari 1642" blijkt dat deze tekst reeds een eeuw vroeger verschenen was te Ant-werpen. In de Hollandse kinderboekjes werd aan de historie van Jozef, gewoonlijk ook deze van Simpson en Jonas toegevoegd. Uitgaven hiervan zijn te vinden in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, door J. Kannewet (c. 1760), Adam Meyer (c. 1780), Erve H. van de Putte, 1792, J.H. de Lange 1793, maar van deze uitgevers kennen we geen kinderprenten met de historie van Jozef. De bewaarde en ons bekende kinderprenten met de historie van Jozef en zijn broeders, zijn uitgegeven door de i8e-eeuwse drukkers Jan Nieuwenhuyzen en Jan van Lee te Haarlem en de I9e-eeuwse drukkers J. Thompson te Rotterdam, D. le Jolle en H. van Munster te Amsterdam, J. Noman te Zaltbommel en J. Noorduyn te Gorinchem.
De meeste bijbelprenten behandelen geen afzonderlijke onderwerpen, maar geven een wille-keurige keus van afbeeldingen, of uit het Oude of uit het Nieuwe Testament, of uit beide. Enkele voorstellingen zijn bijzonder geliefd en komen voor op tientallen van deze prenten. Over deze bij-belse iconografie is ver uit te weiden, zij houdt verband met de middeleeuwse miniatuur-, schilder- en beeldhouwkunst. Wij beperken ons tot een paar voorbeelden.
Het eerste: de terugkeer uit het beloofde land, de twee mannen die aan een stok op hun schou-ders een druiventros dragen, welke tot tegen de grond reikt. Dit tafereel vinden we afgebeeld in middeleeuwse kronieken 3 en getijdeboeken, op koorbanken, kapitelen en gevelstenen, o. m. te Leiden en te Haarlem, op aarden klokken en op koperen schotels 4; ook op een haardplaat in het
___________________________
1 Erve de Wed. J. van Egmont (Kon. Bibl. Den Haag, 468-30 H 21), J.H. de Lange (Catal., Boekenoogen, biz. 37). —
2 Dronckers, Verz. Waller, nr. 757. —
3 Een mooi voorbeeld hiervan vindt men in een i3e-eeuwse kroniek uit de staats-bibliotheek van Miinchen (1260-1270), Cgm., nr. 6406, f. 75, gereproduceerd in De Bijbel in de Kunst, Phaidon-uitgave, Zeist 1957, afb. 122. — * Van Moerkerken, De satire, biz. 200, noot 1.
361
Openluchtmuseum tc Arnhem en tcnslotte als houtgravure in de I5e-eeuwse blokboeken 1. We vcrmelden hier slechts enkele van de vele prenten waarop de terugkeer uit het beloofde land is afgebeeld: Kannewet 39 en 68, Van der Putte 62 en 115, Ratelband 38, Rynders 38, Noman 29. Op vele van deze prenten is ook Simson afgebeeld met de poorten van Gaza op de schouders of onder de armen. I )eze voorstelling van Simson vindt men ook op middelceuws beeldhouwwerk en in de middeleeuwse gebedenbo'ken, ze komt voor op een kraagsteen van het stadhuis te Brussel, op een luchtboog van de kathedraal van 's-Hertogenbosch en op een misericordia van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge 2. De Bijbelprenten jj^treffende het Oude Testament bleven bijna uitsluitend bepcrkt tot het Noor-den. Thema's van het Nieuwe Testament: de geboorte, het leven en lijden van Christus, de parabelen het leven van de apostelen, waren veel voorkomende onderwerpen van de volksprenten zowel in het Zuiden als in het Noorden.
_____________________________________
1 De Kath. Encyclopaedic, Amsterdam-Antwcrpen, deel 3, 1949, zie Armenbijbel, reproduktie, biz. 25. —
2 Van Moerkerken, De satire, biz. 200. Zie vooral L. Reau, Iconographie de 1a Bible. 2 din., Parijs 1956-57.
362
Een van de oudste onderwerpen van de religieuze volksprenten, het Ecce-homo-motief, komi reeds voor in de i6e eeuw, zowel in de Noordelijke (afb. 48) als in de Zuidelijke Nederlanden (pi. Ook in Frankrijk vinden we dit motief vermeld bij de volksprenten van de i6e eeuw 1.
Ook in het Duitse grensstadje Kevelaar verscheen, bij de Gebroeders Verbeeck ,,In den Goiulcn Engel", een Nederlandstalige prent met de Geschiedenis van het lyden onzes Heeren Jesus Christus. I )n mcrkwaardig passieverhaal is gedeeltelijk voorgesteld onder de vorm van een rebus. Tekst en plaatjfll wisselen elkaar af als volgt: Als (plaatje: christusfiguur) aan den (plaatje: de olijfberg) kwam... Zo wordt het gehele passieverhaal behandeld tot de dood, begrafenis en verrijzenis van Christus 2.
Buiten het leven en lijden van Christus was er in het Noorden een onderwerp dat meer dan d( andere de aandacht trok van de uitgevers van volks- en kinderprenten, namelijk de parabel van dc verloren zoon. Dit onderwerp was reeds zeer geliefd in de middeleeuwen, we vinden voorstellingen uit het leven van de verloren zoon in de glasramen van Chartres en Bourges, als houtsnijwerk in het koorgestoelte van dc kerk van Aarschot, later op schilderijen van Albrecht Diirer en Hieronymus Bosch, Rubens en Rembrandt. De parabel van de verloren zoon vond eveneens haar plaats in dc I5e-eeuwse blokboeken: de armenbijbels en het Speculum humanae salvationis, (Ned.: Dat speghcl onser behoudenissc). In dc i6e eeuw maakte Cornelisz Anthonisz een suite van zes houtgravures gewijd aan deze parabel 3. De Verloren Zoon van J. Kannewet (nr. *oq), een vlot getekende mooie volksprent, is gedrukt van een iye-eeuwse houtblok van een onbekende graveur. De houtsnede ge-graveerd door Van Lubeek voor het fonds Thompson te Rotterdam (afb. 52) is een kopie van een I7e-eeuwse kopcrgravure Bekeeringe van de Verloren Soon, gedrukt tot Amsterdam by Frederik dc Wit (1648-1712). De gravure uit het fonds Thompson is omstreeks 1840 in het bezit gekomen van de firma Glenisson en Van Genechten en later van Glenisson en Zoon te Turnhout, die deze prent steeds herdrukt hebben tot het einde van de vorige eeuw. Ook in Frankrijk vormde dc parabel van de verloren zoon, vanaf de i6e eeuw, herhaaldelijk het onderwerp van Volks- en kinderprenten 4.
Een ander soort bijbelprenten vormen de ,,trappen". Naar het voorbeeld van een van de meest populaire typen van volksprenten: De trap des ouderdoms, een allegorische prent met moraliserende s-rekking, werden ook bijbelse figuren voorgesteld op trappen.
J.C. Visscher, die in de 17c eeuw verschillende ouderdomstrappen graveerde, heeft ook een kopergravure gemaakt met acht afbeeldingen van „trappen", waaronder een trap met de twaalf patriarchen en een trap met dc twaalf apostelen.
In de i8e eeuw gaf Isaac Greve een kopergravure uit met vier afbeeldingen van het Nieuwe Testament en vier trappen: de trap des ouderdoms, van de patriarchen, van de oudste mannen en van dc apostelen.
Het zijn vermoedelijk deze prenten die de houtgraveur J. Robyn gcinspirccrd hebben tot het graveren van zijn ,,trappen" voor de firma Stichter. Wij vermelden o. m. zijn trap van de twaalf apostelen (nr. in), van de aartsvaders, koningen en profeten (nr. 112), en van de aartsvaders, zonen
______________________
1 G. Wildenstein en J. Adhcmar, Les images de Denis de Mathoniere d'apres son inventaire (1598), in Arts et traditions popuhires, VIII (i960), biz. 156, nr. 92. —
2 Een gelijkaardige prent met Duitse tekst verscheen te Wenen bij C. Barth, Mariahilf 28. —
3 Rijksprentenkab. Amsterdam. —
4 Een reeks van zes prenten gewijd aan de parabel van de verloren zoon, zoals die van C. Anthonisz uit de eerste helft van de i6e eeuw, verscheen in Frankrijk omstreeks dejaren 1580-1590, zie G. Wildenstein en J. Adhemar, Les images de Denis de Mathoniere d'apres son inventaire (1598), in Arts et traditions populaires, VIII (i960), biz. 154 ,,1'histoire de Prodigue, de six planches". In dezelfde inventaris vinden we verder : ,,un enfant prodigue, de cinq planches". — Zie ook twee afbeeldingen in Duchartre & Saulnier, L'imagcrie parisienne: een kopergravure van Basset tussen de biz. 172-163, een hthogravure van Lordereau tegenover biz. 56. In het Musee des Arts et Traditions Populaires te Parijs bevinden zich volks- en kinderprenten met taferelen uit het leven van dc verloren zoon, uitgegeven door Pellerin te Epinal, Gangel te Metz, Daumont en Mondhare te Parijs.
363
Jacob (nr. 113). Deze prenten werden in het begin van de I9e eeuw herdrukt door J. Nornan te / lltbommel en het houtblok van de aartsvaders kwam later in het bezit van de firma Glenisson & Van ' Icncchten te Turnhout (nr. 186).
i. — Behalve de bijbelwaren er nog twee andere religieuze ge-. In 1 ft en die in het Noorden rechtstreeks invloed hadden op het ontstaan van de volksprenten. Het i isic hiervan was merkwaardiger wijze een boek herkomstig uit het katholieke Zuiden: Duyfkens I ndt IVillemynkens Pelgritnagie tot haren beminden binnen Jerusalem, haer-lieder tegenspoet, belet ende eynde, m 1 Sin-spelende Beelden, wtgegeven door Boetius a Bolstvert. De oudste uitgave verscheen te Antwerpen bij ] lieronimus Verdussen, anno 1627l. De eerste Hollandse uitgave werd gedrukt te Amsterdam bij 1 'no Barentz-Smient, anno 1655. Latere uitgaven verschenen bij Michiel de Groot en opvolgers, bij Abraham van der Putte en opvolgers, bij de Erve van de Wed. van Egmont, bij Kannewet, bij Koene, alien bekende uitgevers van kinderprenten. De oudste kinderprent van Duifken en Willemynken ver-H been bij een voorganger van Abraham van der Putte namelijk bij Casparus Lootsman (1710-16).
Het tweede religieuze geschrift, een werk dat in het Noorden nog grotere populariteit verworven becfi dan Duifken en Willemynken, was eveneens een allegorische pelgrimagie, namelijk de Neder-l.indse vertaling van Bunyans The Pilgrims Progress, na de bijbel en de Navolging van Christus het meest vnspreide en meest gelezen boek ter wereld. In de Engelse taal werd het werk meer dan 400 maal hcr-uitgegeven, het werd vertaald in een honderdtal verschillende talen. Van de Nederlandse vertaling ('Jiristens Reize na de eeuwigheit, voor het eerste uitgegeven in 1682, verschenen ruim 100 herdrukken en bewerkingen 2. De oudste ons bekende Nederlandse kinderprent van Christens reize werd uitgegeven door Jacobus Conynenberg, werkzaam te Amsterdam ,,op 't water in de Lootsman" van 1695 tot 1728, onder de titel: Ziet hier Kinders, wilje kijken / En hier Christens Reyze ziet / || Hy ontzag noyt Dam noch Dyken / Achten ' t alles min als niet.
Naast het Nieuwe Testament waren de Maria- en de heiligendevotie de voornaamste inspiratie-bonnen van de volksprenten in het katholieke Zuiden. De Christusverering heeft hier andere vormen en kent ook een andere iconografie dan in het Noorden. Hier vinden we volksprenten met voorstellingen van het H. Aanschijn, het H. Hart, het H. Bloed, het Lam Gods en het H. Sacrament des Altaars.
De mariale prenten en de eigenlijke heiligenprenten hidden nauw verband met het volksleven. P.J. Brepols en de firma Glenisson en Van Genechten te Turnhout hebben talrijke mooie volksprenten uitgegeven betreffende de heiligen aangeroepen in de druk bezochte bedevaartplaatsen van Atrecht, Bokstel, Halle, Kamerijk, Kevelaar, Luxemburg, Neder-Waver, Scherpenhcuvel en Uden.
Ook andere heiligen, voorgesteld op de prenten van deze Belgische firma's, als Sint-Antonius, Suite-Barbara, Sinte-Brigitta, Sint-Cornelius, Sint-Donatus, Sint-Eloi, Sint-Hubertus, Sint-Joris, Sint-Pieter, vervulden en vervullen soms nu nog een belangrijke rol in het volksgeloof van de Vlaamse gewesten.
Een belangrijke functie was vooral toegewezen aan De Godzaligen Huiszegen. Deze huiszegen werd afgedrukt ofwel naast een afbeelding van Christus aan het kruis, ofwel naast een afbeelding van Onze-Lieve-Vroi4p van Scherpenheuvel, van Hal, van Kevelaar of van Uden. Over het gebruik van
___________________________
1 Deze tekst werd heruitgegeven „met inleiding, aantekeningen en woordenlijst", als proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor in de Nederlandse letterkunde aan de rijksuniversiteit te Utrecht, door H.J.A. Ruys en verscheen bij A. Oosthoek te Utrecht in 1910. De uitgeefster beschrijft 33 verschillende edities van dit populaire boek en acht kinderprenten; dc oudste kinderprent, uitgegeven door Casparus Lootsman (1665-1711), was haar niet bekend. —
2 Prof. Dr. A. Pompen, O.F.M., John Bunyan, in De Kath. Encyclopaedic, deel VI, 1950.
364
De Godzaligen Huiszegen schreef Cornelissen in 1892: „Er zijn, geloof ik, maar weinig boerderijni en werkmanswoningen in de Kempen, waar men den Huiszegen niet aantreft. Men vindt hem gc-woonlijk genageld of geplakt op de deur der moos of der kelderkamer; in sommige huizen heeft nun zelfs den onkost gedaan hem in eene houten lijst te laten vatten en hij hangt daar, bij wijze van schil-derij, aan den muur der woon- of slaapkamer te pronken. — In welke omstandigheden maakt men gebruik van dit gebed? ... De Huiszegen wordt gelezen, als er eenig groot gevaar op handen is, wanneer een vrouw in barensnood verkeert of een mens op sterven ligt, maar vooral ten tijdc van onweder. Dan zitten al de huisgenooten rond de tafel geschaard, waarop de gewijde keers staat te branden, terwijl de vader des gezins met luider stemme den zegen voorleest, opdat het huis en erf bevrijd mogen blijven van het vuur des hemels, en de oogst te velde niet verpletterd worde door den hagelslag" 1.
In 1958 heeft de Koninklijke Commissie voor Volkskunde te Brussel, in een enquete voor de Volkskunde-Atlas, de vraag gesteld: ,,Neemt of nam men bepaalde voorzorgsmaatrcgelen, hetzij voor hetzij tijdens het onweder?" Uit Wuustwezel, Heist-op-dcn-Berg, Ramsel, Meeswijk, Baarde-gem, Bekkevoort en Geetsbets werd op dcze vraag geantwoord: het gezin leest de huiszegen; enkcle correspondenten specificeerden: ,,de huiszegen van Scherpenhcuvel".
De oudste volksprenten waren ,,hciligcn", waren godsdienstigc prenten en dienden om dc bezittcrs, hun gezin, hun huis en erf te behoeden van alle kwaad. Duchartrc & Saulnier noemen dc oudste prenten: ,,images de preservation" 2. De Godsdienstige Huiszegen heeft steeds nog de originele functie bewaard van de oudste godsdienstige volksprenten.
Met deze losse aantekeningen over de godsdienstige ondcrwerpen van dc volksprenten is deze stof op verre na niet uitgeput. We verwijzen hier 00k naar het belangrijke commentaar dat E. van Heurck gewijd heeft aan dc godsdienstige prenten uit het fonds Brepols, in het bijzonder aan bepaalde godsdienstige onderwerpen als ,,Het Lam Gods", ,,De Geestelijke Loterij", ,,De Dooden-spiegel" en de ,,Duyvelsdans" 3.
Op de religieuze prenten volgen de historische prenten. Zoals we in de middeleeuwen naast de rijk verluchte evangelie- en getijdenboeken de mooi geïllustreerde kronij-ken zien verschijnen, zo ook nemen in de 16e eeuw de profane prenten een belangrijke plaats in naast de religieuze prenten. Bij deze profane prenten komen op de eerste plaats de portretten van vorsten.
A. VORSTEN EN HISTORISCHE PERSONAGES
De ióe-eeuwse en vroeg-i7e-eeuwse
houtgravures met portretten van vorsten waren zeker geen
kinderprenten, ook geen volksprenten. Deze houtgravures
waren bedoeld als
artistieke
prestaties bestemd voor de gegoede standen. De
erven van Egmont en Barent Koene te Amsterdam evenals
Jan de Lange te Deventer waren in de 18e eeuw in het
bezit gekomen van houtblokken van oude ruiterportretten
van vorstelijke personages. Het formaat was geschikt;
waarom zouden zij deze mooie gravures niet gebruiken
voor het vervaardigen van kinderprenten ?
Barent Koene beschikte over ruiterportretten van Keizer Karel de Vijfde en van hertog Karel van Orleans, beide toegeschreven aan de Amsterdamse houtsnijder, cartograaf en schilder Cornelis An-thonisz. Boven deze portretten drukte hij de titel Sint Nikolaas en zijn fonds werd aldus verrijkt met twee mooie kinderprenten. De erven van Egmont waren in het bezit van mooie ruiterportretten van Hendrik II van Frankrijk (afb. 11) en van twee Spaanse vorsten (Karel V en Filip II); hij drukte boven deze afbeeldingen Kermis-Print en hij had twee nieuwe kinderprenten (nrs. 57 en 59). Jan de Lange bezat een houtsnede van Willem Jacob Delff (15 80-163 8) 1 met de afbeelding van drie Franse vorsten te paard. Hij drukte boven deze gravure De drie koningen komende uit Oriënt en het werd een drie-koningenprent (afb. 63).
Van het eind van de 17e af, tot de eerste helft van de 19e eeuw, hebben de Nederlandse uitgevers van volks- en kinderprenten talrijke nieuwe prenten laten graveren met afbeeldingen van Nederlandse en buitenlandse vorsten tot stichting en onderrichting van jong en oud.
De grote meerderheid van deze prenten, een vijftigtal, is gewijd aan het huis van Oranje. De gelijkenis en de juiste identificatie was de minste zorg van deze uitgevers. Toen Willem V, prins van Oranje-Nassau, in 1751 zijn vader opvolgde als stadhouder van de Verenigde Nederlanden, vond Johannes Kannewet bij de houtgravures welke hij overgenomen had van de firma De Groot, een portret van de jonge stadhouder Willem III; hij verwijderde het opschrift Wilhelmus de Derde Prince van Oranjen, drukte in de plaats Prins Willem de Vde Erf-Stadhouder der Vereenigde Nederlanden en het probleem was opgelost. Toen de prins volwassen en meerderjarig geworden was bleek het portret van de vader, dat Kannewet eerst uitgegeven had onder de titel Willem Carel Hendrik Friso, Prince d'Orange & Nassau (nr. 5), beter geschikt om Willem V voor te stellen; de uitgever veranderde het opschrift en deze prent moest voortaan Prins Willem de $de, Erf-Stadhouder der Vereenigde Nederlanden voorstellen.
Het portret van Napoleon, nr. 137 uit het fonds Stichter, doet bij Noman, onder nummer 228, dienst als portret van Willem Frederik George Lodewijk, kroonprins der Nederlanden, en het portret
______________________________
1 Waller, Biografisch Woordenb., blz. 77.
372
van
Joséphine de Beauharnais (Stichter nx. 138) wordt bij J.
Noman (nr. 229) het portret van de grootvorstin Anna
Paulowna.
Op prent nr. 3 3 van Brepols te Turnhout, verschenen tijdens de periode van de Verenigde Nederlanden (1815-1830), werden oorspronkelijk afgebeeld: de koning (Willem I), de erfprins (Willem II), prins Frederik der Nederlanden en de prins van Nassau (Willem UI). Een eerste maal worden deze onderschriften vervangen door: de koning (nu Willem II), de erfprins (Willem UI), prins Alexander, prins Frederik. Later worden dezelfde portretten betiteld: de koning (nu Willem IH), prins Hendrik, prins Frederik, de prins van Saxen-Weimar.
Ook in het fonds van Glenisson & Van Genechten te Turnhout komen een paar Oranje-prenten voor, namelijk een portret van Prins Willem V en prinses Frederika Sophia Wühelmina (nr. 207) en een ruiterportret van koning Willem II (nr. 141). Het succes van de Oranje-prenten was dus doorgedrongen tot in België, maar geen enkele van de Belgische uitgevers van kinderprenten had een portret van een Belgische vorst in zijn fonds.
Bij de Nederlandse kinderprenten komen naast de prinsen int het huis van Oranje ook Engelse en Duitse vorsten aan de beurt. In de eerste plaats natuurlijk Willem III, prins van Oranje en koning van Engeland (Erve wed. G. de Groot, Hendrik van der Put^e nr. 88, Kannewetnr. *3, Noman nr. 86), verder George I, II en UI van Engeland; koning Frederik II, prins Hendrik en koning Frederik Willem III van Pruisen.
Bij de Belgische kinderprenten vinden wij geen Engelse of Pruisische vorsten, maar wel enkele prenten gewijd aan Franse vorsten: Napoleon (Brepols nrs. 137 en 215, Hemeleers nrs. 45 en 79), de dood van Lodewijk XVIII (Brepols nr. 194), de dood van de Hertog van Berry (Brepols nr. 47).
Behalve aan de vorsten werden in Nederland ook prenten gewijd aan Egmont en Hoorn, aan de vlucht van Hugo Grotius uit het slot Loevestein *, aan de rampspoedige reis van Willem Bontekoe en aan het losbandig leven van Jan Steen.
Naast de prenten gewijd aan afzonderlijke personages treffen wij in vele fondsen ook gravures aan met verschillende vorsten of historische personages afgebeeld op één prent. Tot de oudste Belgische prenten van deze categorie behoren een drietal houtgravures uit het fonds Van der Haeghen (± 1700) bewaard in het folkloremuseum te Gent; één hiervan, met Franse onderschriften, geeft negen afbeeldingen van vorsten waaronder een „Prince de Orange", een ander met 24 afbeeldingen en Nederlandse onderschriften geeft o. m. een portret van „Syn Hoogheit Frederik Hendrik prins van Oranje (1625-1647), een derde plaat geeft dertig afbeeldingen, waarvan zeven gewijd zijn aan „Malbroek (Marlborough) en zijn begrafenis 2.
Op de oudste Nederlandse prent in dit genre, een uitgave van Gysbert de Groot-Keur (1738-1776), gemerkt K 11, vinden we eveneens de hertog van Marlborough, (1702-1722) evenals de hertogin, alsook de keurvorst van Beieren (MaximiHaan Emmanuel, 1679-1726) en de dauphin van Frankrijk (Lodewijk XV, 1715-1774).
___________________
1
Het eerste verhaal over deze ontsnapping werd uitgegeven
als „nieuwstijding" door Abraham Verhoeven. Titel en
adres luiden : Cort verhael Hoe Subtyl en wonderlyck
Mr. Hugo Grotius Pensionaris der Stadt Rotterdam Met een
Kaffert ut
zijne
Ghevanckenisse te Loevensteyn in Hollant ghedragen ende
voorder ontkomen is.
Nieuw ghedruckt den
1 April 1621.
'T Handwerpen By Abraham Verhoeven op de
Lombaerde veste in de Gulde Sonne. (Atlas van Stolk, nr.
151$)- — ™e
nummers 1499 tot 1516 uit de Atlas van Stolk,
hebben alle betrekking op de ontvluchting van
Grotius. — In de Kon. Bibl.
in den Haag bevindt zich een boekje : Historie van de
vlucht van Huig de Groot, Haarlem 1800. Als auteur
wordt in de cata
logus vermeld : A. Loosjes Pz. De oudste bewaarde prent
is die van T.C. HofFers werkzaam te Rotterdam vanaf
1826.
2 L. Crick, Exposition d'images populaires, in Bulletin des musées royaux d'art et d'histoire, 1943, blz. 131-140, met 10 reprod.
Afb. 107. De protestantse martelaren. i8e-eeuwse prent gedrukt met houtblokken van omstreeks 1600. (Coll. Waller.)
274
B. POLITIEKE GEBEURTENISSEN
De strijd tegen Spanje en vooral het beleg en het ontzet van Leiden (1574) waren nog in de 17e en 18e eeuw een rijke bron van inspiratie voor stichtende jeugdverhalen en kinderprenten. Uit het fonds van de weduwe Theunis Jacobsz (werkzaam 1650-1673) is een exemplaar bewaard van de negentiende druk van het boek : Spiegel derjeught, || Ofte: \\ Een kort verhaal der voornaamste Tyrannie II en Barbarische wreetheden \\ welcke de Spanjaerden hier in Nederlandt bedreven heb \\ ben. (Kon. Bibl. Den Haag 28 c 39; coll. Waller 209). Dit boekje is geïllustreerd met 15 houtgravures van 40 bij 42 mm. Het is niet onwaarschijnlijk dat de wed. Theunis Jacobsz deze houtsneden ook gebruikt heeft voor het samenstellen van een kinderprent, maar er ïs noch uit de 17e, noch uit de 18e eeuw een kinderprent bewaard van de ,,Spaansche Tirannie". Het is pas in de eerste helft van de 19e eeuw dat het onderwerp te voorschijn komt op een kinderprent (Wijnhoven-Hendriksen nr. 35).
De titelplaat van het volksboekje: De Spiegel derjeught (Spaanse tirannie), gedrukt door de wed. Theunis Jacobsz, vinden we terug op de uitgave Kannewet van een Nieuw Spiegel der Jeugd, gewijd niet aan de Spaanse, maar aan de Franse Tirannie1, met name aan de wreedheden van de legers van Lodewijk XIV, die'o. m. in 1672 het dorp Bodegraven lieten uitmoorden en in brand steken. Kannewet heeft twee uitgaven van deze nieuwe Spiegel, beide met verschillende illustraties. Deze verschillende houtsneden heeft hij gebruikt voor twee verschillende kinderprenten, beide met dezelfde titel De Franse Tiranny en met hetzelfde volgnummer 37. Evenals bij Kannewet vinden we in de fondsen van De Groot, Ratelband & Bouwer, en van de Erve de wed. J. van Egmont én uitgaven in boekvorm én uitgaven in prentvorm, van de Franse Tirannie. Van Jan de Lange kennen we enkel een uitgave in boekvorm 2 en van de wed. H. van der Putte enkel een prent (afb. 106). Zij bevat, evenals de overige prenten, zestien afbeeldingen welke ongeveer dezelfde taferelen voorstellen als die afgebeeld in de volksboekjes.
Het beleg en ontzet van Leiden gaf eveneens stof én voor volksboeken én voor prenten. In de Atlas van Stolk berusten meer dan vijftig gravures gewijd aan dit onderwerp, de volksprenten niet meegerekend 3. Hoogst waarschijnhjk kwamen er reeds volksprenten voor over het beleg van Leiden in de fondsen van De Groot en Van der Putte; want in beide fondsen zijn uitgaven verschenen van het boekje van Reinier de Bondt (Regnerius Bontius): Belegering en Ontsetting der Stadt Leyden 4, geïllustreerd met acht houtsneden welke de taferelen voorstellen die later voorkomen op de kinderprenten. De houtblokken van het boekje, uitgegeven door de wed. Gysbert de Groot, zijn overgegaan naar het fonds Kannewet, die hiermede prent 21 gedrukt heeft. Andere merkwaardige i8e-eeuwse volksprenten van het beleg en ontzet van de stad Leiden komen voor in de fondsen van Nicolaas Muys, Barent Koene en J. van Egmont te Amsterdam, van J.H. de Lange in Deventer en van J. Schef-fers te Rotterdam (afb. 80). De meeste van deze prenten zijn gedrukt met i7e-eeuwse houtblokken, welke vermoedelijk gediend hebben ter illustratie van boekjes over het beleg en ontzet van Leiden.
Ook andere gebeurtenissen uit de 16e en 17e eeuw werden in beeld gebracht. Voor de ióe eeuw zijn nog te vermelden een prent gewijd aan de wederdopers 5 en twee prenten gewijd aan de protes-
___________________________
1 Nieuwe Spiegel der jeugd, || of Franse Tiranny... Amsterdam z. d. E. Dronckers, Verz. Waller, n° 1592. De Kon. Bibl. te Den Haag bezit een tweede exemplaar gedateerd 1740 met hetzelfde titelvignet, maar met andere, meer naïeve, tekstillustraties. —
2 E. Dronckers, Verz. Waller, uitgave Ratelband en Bouwer,nr. 1593, uitg. Van Egmont nr. 1594- — Catalogus Boekenoogen, blz. 33, uitg. Gysbert de Groot en uitg. Jan de Lange. —
3 Atlas van Stolk, I, nrs. 529-567. —
4 E. Dronckers, Verz. Waller, nrs. 304, 305, 306. —
5 De 8 kopergravures van deze prent zijn verkleinde kopieën van de illustraties uit het boek Van den Oproer der Weder-Dooperen door D. Lambertus Hortensius van Montfoort, Amsterdam 1624. De at-beeldingen 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8 komen respectievelijk overeen met de afbeeldingen 2, 3, 5, 18, 20, 22 en 24 van het boek. Afbeelding 5, belegering van Bolswart, komt niet voor in het boek. — Zie ook Atlas van Stolk, nrs. 241, 242, 243 en 244.
376
tantse martelaren. Voor de 17e eeuw vermelden we in de eerste plaats de zeldzame kinderprent (Atlas van Stolk nr. 1713) met zesendertig taferelen, waarvan achttien betrekking hebben op het nemen van de „zilvervloot" door Piet Hein (1628-1629), en de overige achttien op de verovering van de stad Olinda in Pernambuco (1630). De laatste drie plaatjes gewijd aan de heldendaden van Piet Hein vertonen: de „silverkisten", de tentoonstelling van de buitgemaakte schatten en het vuurwerk. Ook bij de talrijke prenten met afbeeldingen van schepen bevinden zich enkele platen welke eigenlijk bedoeld zijn als verheerlijking van Piet Hein, Tromp, De Ruyter en andere zeehelden (zie hierover het hoofdstuk: Voertuigen, A. Schepen).
Bij de historische gebeurtenissen uit de 17e eeuw, afgebeeld op kinderprenten, zijn nog te vermelden: een kopergravure van Barent Velthuyzen, gegraveerd door CL Visscher, met acht afbeeldingen van de roemrijke veldtochten van Frederik Hendrik (1629-1637) (Inname van Groenlo, Wezel, 's-Hertogenbosch, Maastricht, Breda enz.); — een houtgravure uitgegeven door Michiel de Groot met de afbeelding van zestien staatsiewagens1, welke in 1659 te Amsterdam defileerden in de optocht ter ere van „hare Doorluchtigheid Mevrouw de Keurvorstin van Brandenburg en Mevrouw haar Moeder de Princesse Douairière van Oranje" (afb. 108); — en een prent van Jan de Lange betreffende de Vrede van Rijswijk (1692) (afb. 109).
1 Deze 16 wagens stelden voor : 1. de eendracht (allegorisch ), 2. Gelderla nd, 3. Holland, 4. Zeeland, 5. 't Sticht Utrecht 6. Friesland, 7. Overijssel, 8. Groningen, 9. keizer Adolf, 10. prins Willem I, n, prins Maurits, 12. prins Hendrik, 13. Prins Willem II, 14. prins Willem III, 15. de dankbaarheid (allegorisch), 16. 't wapen van Amsterdam.
377
Wat de politieke gebeurtenissen van de 18e eeuw betreft, vestigen wij de aandacht op de zeldzame prent van Ratelband & Bouwer (nr. 93), met twaalf taferelen betreffende de blijde intocht van Willem IV in Zeeland, den Haag en Utrecht (1747). Uit de patriottentijd vinden we een merkwaardig document in de reeks volksprenten van de Erven de wed. C. Stichter (nr. 70). Deze plaat stelt een dans voor rond de vrijheidsboom. De aanhef van het veertig versregels lange onderschrift ter verheerlijking van vrijheid, gelijkheid en broederschap luidt als volgt:
Met Fransche hulp, die God ons toezond in de nood, Verbrak men 't juk van Dwang, wanneer de Dwingland vlood, En 't oud Bestuur, tot der Bataaven blyheid; Des plantte 't braave Volk alom den Boom der Vryheid!
Deze zogenaamde dwingeland was niemand anders dan Willem V van Oranje, stadhouder van Nederland, die in 1795 uitgeweken was naar Engeland.
Twhrig jaar later was het houtblok van deze prent in het bezit gekomen van J. Noman te Zalt-bommel (nr. 121). Deze verwijderde de woorden vrijheid, gelijkheid, broederschap en verving ze door het opschrift Waterloo-Herinnering aan wys beleid — En onversaagde dapperheid-ea, in de plaats van de emblemen van de Franse vrijheidsleuzen prijkten in het midden de letter W en in de schilden links en rechts de namen van Lord Wellington en van de Prins van Oranje. De pro-Franse prent is een Oranje-prent geworden.
Negen andere Nederlandse en Belgische prenten werden gensïpireerd door de smjd tegen Napoleon en vooral door de triomfantelijke slag van Waterlo.
1830. De Belgische Opstand.
Het spreekt van zelf dat de Belgische opstand van 1830 meer op de gemoederen heeft gewerkt en diepere sporen heeft nagelaten dan de strijd tegen Napoleon, maar merkwaardigerwijze alleen in het Noorden.
Vooral de Rotterdamse uitgevers zijn hard van leer getrokken tegen de „Belgische muiters .
De uitgeverij Thompson geeft als onderschrift bij een afbeelding van de Nederlandse soldaat, Van Leuven genaamd, die in letterlijke zin, met hand en tand de Belgische vlag aan stukken rijt, het volgend onderschrift (Thompson nr. 165, 2e plaatje):
Ziet hier van Leuven met zijn forsche Vuist en tand De Vlag verscheuren door een muitershoop geplant, En jaagt, door dezen moed, vijfhonderd laffe zielen In onbesuisde vlugt, half stervende in hunn'kielen.
T.C. Hoffers, commenteerde de slag bij Hasselt als volgt (nr. 29, 7e plaatje):
Oud Hollands roem beschimpt door 't Belgisch rot,
En duizend werf op 't allerlaagst bespot.
Toont hier te Hasselt dat zij nog bestaat,
En ongewroken zich nog niet beschimpen laat.
En Wijnhoven-Hendriksen, eveneens te Rotterdam, voegt er de komische noot aan toe (nr. 10, 1 ie plaatje):
De muiters loopen als een haas, Voor 't moedig volk van Jantje Kaas.
Dezelfde uitgever gaf ook een spotprent (nr. 44) uit waarop, in plaats van deoorlogsfoto, zestien opstandelingen", ambachtslieden, burgers, boeren, zijn afgebeeld. Het opschrift luidt: Deez nieuwe
prent kan ons vermelden, De glorie der september helden, En toont ons al hun kloeke daden, Om land en koning te verraden. Naar de onderschriften te oordelen wordt de moed van de Belgische opstandelingen niet hoog aangeslagen: (onder afb. 3) 'k Ben moedig, zoo gij ziet, || Van verre vrees ik niet; (afb. 4) och, was ik thuis gebleven! \\ 'k Moet van courage beven; (afb. 6) 'k Ben moedig als de rest, || Maar hopen kan ik best; (afb. 15) Ik ben een kloeke baas, \\ En heb courage als een haas. De rest is navenant.
De beroemste Nederlandse heldendaad in de strijd tegen de Belgen was de moedige zelfopoffering van Van Speyk, die zich met zijn schip in de lucht liet vliegen, opdat het niet in de handen zou vallen van de opstandelingen. In de Atlas van Stolk vindt men de beschrijving van 67 prenten ter verheerlijking van J.C.J. van Speyk (nrs. 6912-6978). Ook acht uitgevers van kinderprenten hebben Van Speyk verheerlijkt door een prent.
In 1830 was er maar één enkele Belgische firma actief als uitgeefster van kinderprenten, namelijk de firma Brepols te Turnhout. Men vindt in dit fonds geen enkele prent ter verheerlijking van de Belgische onafhankelijkheid, doch wel een prent gewijd aan Van Speyk. De prent nr. 169 behoorde bij de reeks prenten van Noman en Zoon te Zaltbommel (nr. 321), door Brepols overgenomen en later op steen overgebracht. Deze lithografische herdruk was vijftig jaar geleden nog in de handel. Ook Glenisson en Van Genechten te Turnhout hadden een „Van Speyk" in hun fonds (nr. 154), overgenomen uit het fonds Thompson te Rotterdam (nr. 155). Deze prent is later overgegaan naar het fonds Glenisson en Zonen. Deze Belgische uitgevers hebben zich zelfs niet de moeite gegeven de onderschriften te wijzigen welke minder vleiend waren voor „het belgisch volk"; zo luidt het onderschrift van het laatste prentje:
Reeds waant het belgisch volk, van vreugde en hebzucht dronken
Zich zeker van 't bezit van de aangerande boot,
Maar vreeselijk is hun straf in gloejend buskruidvonken,
En roemrijk sterft van Speyk een grootsche heldendood.
381
C. SOCIAAL-ECONOMISCHE GEBEURTENISSEN
Weinig gebeurtenissen hebben aanleiding gegeven tot het ontstaan van een 20 groot aantal spotprenten en schotschriften als de zogenaamde actiehandel of windhandel van de jaren 1719-1720. Aanleiding tot deze beruchte speculatiekoorts was de fenomenale stijging op de Parijse beurs van de aandelen van de maatschappij ter exploitatie van het Mississipi-gebied. Ook op de aandelen van de in 1719 te Londen opgerichte South Sea Company werd te Amsterdam fel gespeculeerd. De oprichting van een assurantiecompagnie van twijfelachtig allooi mislukte te Amsterdam, maar slaagde te Rotterdam en kort daarop rezen in verschillende steden de „bubbel" of windmaatschappijen als paddestoelen uit de grond, met het gevolg dat over het gehele land talrijke gegoede families straatarm werden en enkele gewiekste sjacheraars grote fortuinen maakten 1.
De voornaamste publicatie betreffende de windhandel is Het groot tafereel der dwaasheid, een werk geïllustreerd met vierenzeventig ,,konst-platen" in folio 2. Daarnaast zijn nog talrijke andere spotprenten verschenen over dit onderwerp 3 waaronder enkele volksprenten. De titels van deze volksprenten zijn doorgaans zeer welsprekend: Ey siet dees Actie-Handelaers j De een krijgt 't ruym en d'ander schaers (Gysbert de Groot-Keur, afb. 112) en De actie handel men hier vind j Gebouwd op Rook en losse Wind (J. Thompson nr. 55). Dit zijn originele gravures in opdracht van de uitgevers speciaal gegraveerd over dit onderwerp. Een onbekende i8e-eeuwse uitgever heeft een volksprent gemaakt over de actiehandel De Vliegende actionist op de Waereld (afb. 113) en heeft zich hiervoor bediend van een merkwaardige i6e-eeuwse houtgravure uit de school van Cornelis Anthonisz. Deze allegorische gravure van de verdorven en verkeerde wereld werd voor deze nieuwe bestemming voorzien van een tekst toegepast op de „actionisten": Houd hem vast dat Zwyne Kind; Kyk hem met zyn Acties Vliegen...
De actiehandel was ook een onderwerp voor versierders van gepolychromeerd aardewerk. Een 18e-eeuwse schotel met deze afbeelding is uitgestald in het Museum Boymans-Van Beuningen te Rotterdam.
De laatste prent over de actiehandel verscheen omstreeks 1850 bij de wed. C. Kok-Van Kolm (nr. 25) te Amsterdam.
D. VAN BOOSDOENERS EN HUN STRAFFEN
Ongeveer gelijktijdig met de speculatiewoede trok een andere gebeurtenis, de terechtstelling te Parijs op 28 november 1721 van de beruchte moordenaar Louis Dominique de Cartouche, alle aandacht. Volgens J. Borms zou, hetzelfde jaar nog, te Amsterdam een boekje verschenen zijn van Ch.
_______________________________________
1 Cfr. F.Ph. Groeneveld, De economische crisis van het jaar 1720, diss., Amsterdam, 1940. —
2 Het Groote || tafereel || der dwaasheid, || Vertoonende de opkomst, voortgang en ondergang j| de Actie, Bubbel en Windnegotie, in Vrankrijk. || Engeland en de Nederlanden,gepleegt in den \\Jaare MDCCXX. || Zynde een Verzameling van alle de || conditien en projecten || Van de opgeregte Compagnien van Assurantiën, Navigatie, Commercie, etc, in Nederland, zo wel die in gebruik zyn gebragt, als || die door de H. Staten van eenige Provintien zyn verworpen. || Als meede || konstplaaten, || comedien en gedig-ten. || Door verscheide Liefhebbers uytgegeeven, tot beschimpinge deezer verfoeilyke en be- || driegelyke Handel, waardoor in dit jaar, verscheide Familien en Persoonen van || Hooge en Lage stand zyn geruïneerd, en in haar middelen verdorven, en de || opregte Negotie gestremt, zo in Vrankryk, Engeland als Nederland. || Gedrukt tot Waarschouwinge voor de Nakomelingen, in 't noodlottige Jaar, || voor veel Zotte en Wyze. 1720. — Atlas van Stolk, nr. 3452; Muller, Historieplaten, nr. 3535. —
3 Ibid., nrs. 3533-3694, 6363, supplement 3535 A-3635 A. — Atlas van Stolk, IV, 3453-3529-
382
Sibille, De Schelmerijen van Cartouche I. Wij hebben nergens een spoor gevonden van dit werk. In het jaar 1722 verscheen bij de uitgever Reinier Boitel te Delft: 't Leven van Louis Dominique de Cartouche, „uit het Fransch overgezet" 2. Een vijfde druk van dit werk verscheen in 1743 bij Hendrik Walpot en enkele jaren later een zesde druk bij David Weege te Amsterdam 3. Walpot en Weege waren beiden eveneens uitgevers van volksprenten, doch weinig prenten uit hun fonds zijn bewaard gebleven. Het is dan ook niet uitgesloten dat zij een Cartouche-prent zouden uitgegeven hebben.
De oudste Nederlandse prent over Cartouche, een kopergravure van J.C. Philips, verscheen in 1722 bij J. van Leeuwen te Amsterdam 4. De oudste volksprent is geïnspireerd op deze kopergravure; zij bestaat uit twintig houtsneden en verscheen bij Isaak van der Putte (nr. 68) onder de titel Het leven en bedrijf van den heruchten dief en moordenaar Kartousie, geradbraeckt den 28 november 1721. Deze prent werd achtereenvolgens heruitgegeven door de wed. H. van der Putte (z. nr.), door de Erve H. van der Putte (nr. 108) 5 en door S. & W. Koene (nr. 86 ).
In het fonds Koene is ook een Leven van Cartouche verschenen in boekvorm én geïllustreerd door Hermanus Numan6. De houtblokken van deze uitgave zijn later in het bezit gekomen van de firma Rynders, welke hiermede een Cartouche-prent gedrukt heeft met negen houtsneden.
Abraham van der Putte, opvolger van Isaak van der Putte, heeft een Cartouche-prent uitgegeven met zestien houtsneden. Deze prent werd herdrukt door de wed. H. van der Putte (nr. 14) en later door de firma's Stichter (nr. 206) en Noman (nr. 256), maar deze laatste twee uitgevers hebben de naam Cartouche vervangen door deze van de Duitse bandiet Schinderhannes, die ook strooptochten verricht had op Nederlands grondgebied en wiens naam zeer berucht was in Nederland.
Behalve het dozijn Nederlandse uitgevers die elk één of meer Cartouche-prenten in hun fonds hadden, hebben ook twee Turnhoutse uitgevers van kinderprenten het Cartouche-verhaal met succes geëxploiteerd tot in het beginvan deze eeuw. In 1910 schreef E. van Heurck nog „Cette histoire étant tres prisée en Belgique surtout par la population des campagnes, la vente de 1'image de Cartouche est encore considérable" 7.
In verband met Cartouche en Schinderhannes vestigen we de aandacht op een merkwaardige prent uitgegeven door Dirk Kemink te Utrecht, (afb. 60) die in woord en beeld de tuchtstraffen toelicht, die op het einde van de 17e en het begin van de 18e eeuw in Nederland werden toegepast: het spinnen in het „spinhuis" was de straf van de „ligtekoyen", straatschenders werden aan het werk gesteld in het „stadswerkhuys", kleine dieven werden gegeseld, grote gebrandmerkt, recidivisten werden gehangen, moordenaars en brandstichters werden geradbraakt, kindermoordenaars werden geworgd met de koord, tuchtloze soldaten werden „gewipt" en deserteurs gestraft met de kogel.
Deze prent was niet bedoeld als sensatiestuk maar als heilzame les voor de jeugd. Voor de Nederlanden is zij uniek maar in Duitsland waren dergelijke prenten geen zeldzaamheid. Alle soorten tuchtstraffen uit Midden-Europa en zelfs uit de Balkan werden op gedetailleerde wijze afgebeeld op verschillende Duitse prenten 8.
_______________________
1J. Borms, Cartouche in volksboek en kinderprent, in Nieuwe Rotterdamsche Courant, 1936, nr. van ió febr. —
a E. Dron-ckers, Verz. Waller, nr. 1068. —
3 M. Buisman, Populaire prozaschrijvers van 1600-1815, Amsterdam, 1959, nrs. 1364 e en 1365 f. —
4 J. Borms, Over het ontstaan van een kinderprent, in Nieuwe Rotterdamsche Courant, 1936, nr. van ia maart. —
5 Reprod. bij Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., blz. 169. —
6 Dronckers, Verz. Waller, nrs. 1069 en 1070. —
7 Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., blz. 171. —
8 A. Brückner, Volkstümliche ErzahlstofFe auf Einblattdrucken der Gustav Freytag-Sammlung. Zeitschrift fur Volkskunde, 57 (1961), blz. 231.
Afb. 113. ióe-eeuwse gravure, allegorie op de verdorvenheid van de wereld, door onbekende uitgever, in de 18e -> eeuw toegepast op de actiehandel. (Coll. Rijksprentenkabinet, Amsterdam.)
|
|
Met de religieuze en de historische prenten behoren de allegorische tot de oudste produkten van de graveerkunst. In vele gevallen zijn de onderwerpen, die op deze prenten voorgesteld worden, ouder dan onze christelijk westerse cultuur; sommige gaan terug tot de klassieke oudheid. Reeds in de 15e eeuw behandelden enkele graveurs allegorische onderwerpen 1. Doch het was pas in de 16e eeuw dat deze onderwerpen een belangrijke inspiratiebron werden voor de hout- en kopergraveurs.
Zoals we in het overzicht van de 16e eeuw reeds vermeld hebben, zijn de meeste nog bewaarde platen van deze ióe-eeuwse graveurs geen volksprenten. Deze goed verzorgde en meestal levendig gekleurde gravures waren nauw verwant met de literatuur van de rederijkers en zij waren bestemd voor een ontwikkeld publiek 2. Doch verschillende onderwerpen behandeld op deze prenten vinden we terug op de latere volksprenten. Zoals we bij de bespreking van de afzonderlijke onderwerpen zullen zien, is zulks o. m. het geval voor de „trap des ouderdoms", de dodendans, het luilekkerland, het keisnijden, de strijd om de broek en verschillende andere allegorische onderwerpen.
A. LEVEN EN DOOD
1. VAN DE WIEG TOT HET GRAF. — DE TRAP DES OUDERDOMS
T~Ae Trap des Ouderdoms is meer dan vier eeuwen lang één van de meest geliefde, zo niet het meest geliefde thema geweest van de volksprenten.
Het thema van de indeling van de leeftijden van de mens in zeven of tien perioden, of in klassen van tien jaar, kan doorheen de middeleeuwen tot in de klassieke oudheid gevolgd worden 3.
De trap is niet de oudste wijze van voorstelling van de verschillende leeftijden. In de 14e en 15e eeuw vinden we de leeftijden van de mens voorgesteld op een rad, een rad van avontuur, het avontuur van leven en dood 4.
Uit de 15e, 16e en 17e eeuw zijn gravures bewaard waarop de tien leeftijden van de mens voorgesteld worden door tien personages afgebeeld naast elkander, elk personage vergezeld van een symbolisch dier. De oudste plaat over dit onderwerp is een kopergravure uit het jaar 1464, vermoedelijk van Nederlandse herkomst 5. De dieren afgebeeld bij de leeftijden tien, vijftig, zestig, zeventig en tachtig jaar zijn moeilijk te identificeren. Ze kunnen zowel een hond voorstellen als een schaap een vos of een wolf. De dieren afgebeeld bij de overige leeftijden zijn duidelijker voorgesteld en we menen bij het personage van twintig jaar een kalf te herkennen, bij dertig jaar een valk, bij veertig een leeuw,
_______________________
1 Zie Schreiber, Handbuch, delen IV en V. —
2 Verschillende van deze prenten illustreren een latijnse spreuk b. v. „virtutem verba putant — kallen is mallen, doen is een ding" of „memo malus felix — misdoen is angst" (Prentenk. Amsterdam, Holl. Houtsn. 16e eeuw, onbekende graveurs). Over de uitgaven van Jan Ewoutszoon te Amsterdam en Peter Warnersoen te Kampen zie het inleidend overzicht van de 16e eeuw. —
3 Hippocrates kende zeven levensperioden, Solon tien, van elk zeven jaar, en Lindinus (Codex Salmasianus) sprak voor het eerst van perioden van tien jaar. Zie Boekenoogen, Verspreide Geschriften, Leiden 1949, blz. 263-274; ook Spamer, a. w., blz. 478. —
4 Arundel mss. nr. 83. Zie J. Winter Jones, Obser-vations on the origin of the division of mans life into stages, Archaeologia, XXXV (1853), blz. 174. In een handschrift te Augsburg, uit het jaar 1461, is een andere afbeelding bewaard van de leeftijden van de mens, eveneens voorgesteld op een rad. Zie F. Bol], Die Lebensalter, Neue Jahrbüher für das klassische Altertum, Leipzig-Berlijn XXXI (1913), blz. 89-145. De houtsnede van Berlijn uit het jaar 1470, gereproduceerd door J. Misder in Epinal et Vimagerie populaire, blz. 47, is dus niet de oudste afbeelding van het rad van de leeftijden van de mens. —
5 Hollstein, Dutch and Fktnish Etchings, XII, blz. 64. —
384
E. RAMPEN
De oudste van deze calamiteitcn, die aanleiding werd tot het ontstaan van een volksprent, was de rampspoedige reis van schipper Willem IJsbrandt Bontekoe. De houtsneden van de prent van Cas-parus Lootsman (werkz. 1665-1711) zijn zeer afgesleten en het lijkt dan 00k waarschijnlijk dat dezc gemaakt zijn kort na de gebeurtenissen van 1619-1625. In de tweede helft van de i8e eeuw hebbcn de Erven van de wed. Jacobus van Egmont een andere prent uitgegeven met de avonturen van Bontekoe; de houtblokken van deze prent zijn in het bezit gekomen van de Rotterdamse uitgevcr J. Masier, maar in de iae eeuw bleek de belangstelling voor Bontekoe fel geluwd en Masier vond het beter deze houtgravures te gebruiken voor een meer actueel onderwerp en hij verving eenvoudig de teksten over Bontekoe door teksten betreffende de heldendaden van Van Speyk!
Een andere spectaculaire gebeurtenis heeft bijna twee eeuwen lang de belangstelling gaande gehouden van het publiek. Eigenlijk een geval dat de kranten nu gewoon bij de „faits divers" zouden behandelen. Op 29 augustus 1647 waren kinderen bezig met het oplaten van een vheger. Op de weide emaast staat een stier vastgebonden, onrustig geworden door dit oplaten, rukt het dier zich los. De boer tracht de stier te grijpen, maar wordt zelf op de grond geworpen. Zijn zwangere vrouw ziet wat er gebeurt, snelt haar man te hulp, maar wordt door de stier gevat en met opengereten buik in de lucht gegooid. Het kind valt uit moeders lijf in een plas water. Buren komen te hulp. Alle zorgen voor de man en de vrouw waren te vergeefs, maar het kind bleef in leven tot de maand mei van het daarop-volgcnd jaar. Deze gebeurtenis wekte alom in het land grote sensatie. Zij werd vermeld in het 4Qste deel van de Staatkundige historic van Holland1 en in vele andere geschriften, zo 00k in de Heel- en Gc-neeskonstige Aanmerkingen van Job van Mcek'rcn 2. Niet alleen in woord, maar 00k in beeld werd deze gebeurtenis veelvuldig herdacht en dit niet enkel op prenten, maar 00k op aardewerk. In het museum Boymans te Rotterdam is een i8e-eeuwse schotel tentoongesteld waarop het tragisch voorval is afgebeeld. Wat de prenten betrcft waren er voor de gegoede lui de kopergravures uitgegeven door Willem Willemsz en door Hendrik Jacobsz. Soet beide te Zaandam, door van Bcusecom, Barent Velthuyzcn en F. Sadelaar te Amsterdam 3, en voor de kleine luiden waren er de volksprenten in houtgravure. De houtsnede van de prent van Jan van Lee te Haarlem is een kopie van de kopergravure van Barent Velthuyzen. De overige volksprenten van de Saardammer stier zijn gekopieerd de een van de andere.
Ook andere rampen als de branden van de schouwburg, van de nieuwe kerk en van het zeemaga-zijn te Amsterdam, als de ontplofhng van het oorlogsschip Alphen, als de overstromingen van 1775, 1809 en 1839 waren aanleiding tot het uitgeven van volksprenten. Sommige hiervan hadden succes en de houtblokken van deze prenten gingen dan over van de ene uitgever naar de andere.
F. WONDERBARE GEBEURTENISSEN
De hier bedoelde wondcrbare gebeurtenissen zouden ook tot de rampen kunnen gerekend worden maar in tegenstelhng met de hierboven beschreven natuurhjke gebeurtenissen, gaat het nu om gebeurtenissen van wonderbaarlijk karakter.
De Antwerpse ,,figuersnyder" Hans Liefrinck heeft omstreeks het midden van de i6e eeuw twee prenten uitgegeven van deze aard. De eerste draagt tot titel Een seer wonderlijck Teeken dewelck ghesien
________________________
1 Adas van Stolk, nr. 18, dl. XLIX, biz. 168, plaat 389. —
2 J.G. de Lint, Geneeskundige volksprenten in de Nederlanden. Gorinchem, 1918, biz. 51. —
3 Miiller, Historieplaten, nrs. 1927, 1928, 1929, 1930, 1931.
385
gheweest in der || locht: Boven Antwerpen van seer Velle duuersche Personen \\ Intjaar MDLII den XIX I ebruarius. Deze dag was een vrijdag. Tussen drie en vier uur in de middag zag men in de lucht twee halve rcgenbogen die elkander raakten en een soort ,,Bourgoens cruys" vormden; naast dezon zag 11n.11 drie kleine zonnen: ,,de principael sonne ten onderganck gaende so zyn de drij cleyn sonnen nef-k-ns een gaen staen ende waren gelyck vierighe clooten" zo wordt in een lang onderschrift het ver-.< hijnsel van de parhelien beschreven. Maar ,,somighe edcllieden die welcke wt hollant quuamen" licbben nog meer gezien in de lucht, namelijk een arend met prooi in zijn klauwen. ,,Veel lieden wouden hier wt coniectureren de victorie van den eenen Prince tegen den anderen in dese aenstaende 1 >orloghe". Hier is sprake van twee verschijnselen: een meteorologisch verschijnsel en de legendarische strijd in de lucht als voorteken van een oorlog.
De beschrijving van deze verschijnselen behoort tot wat men in Duitsland de ,,Prodigienli-tcratur" noemt. Zowel in Frankrijk * als in Duitsland 2 zijn talrijke publicaties bekend vooral uit de tweede helft van de i6e en de eerste helft van de 17c eeuw over allerlei wonderbaarlijke gebeurtenissen.
Deze ,,Prodigien" handelen over metereologische verschijnselen, wondergeboorten bij mens en dier, ongehoorde gedragingen van mens en dier, weerwolvcn en andere monsters, duivels en heksen, gevechten in de lucht, moorden en oorlogsgruwelen, wonderbare reddingen.
De prent van Liefrinck geeft het oudste verhaal over de verschijning van drie nevenzonnen (1552). De oudste Duitse prent vertoont een gelijkaardig verschijnsel te Wittenberg in het jaar 1556 3 en de oudste Franse beschrijvingen situeerden dergelijk feit in de jaren 1570 en 1586 4. Barentsz en Heemskerck waren getuigen van dit verschijnsel op 4 juni 1596 bij hunne overwintering op Nova Zembla. Het verhaal van deze roemruchtige reis 5 werd geillustreerd met talrijke kopergravures waar-van die tussen folio 16 en 17 twee schepen vertoont vastgevroren tussen het ijs en in de lucht een zon met twee bijzonnen en twee regenbogen.
Een andere prent van Liefrinck verhaalt van dc wonderbare geboorte van een kalf met mensen-hoofd „int lant van Munster, in een cleyne vlecke geheeten Wildeshuysen". Omstreeks 1500 reeds liet Sebastian Brant verschillende vlugschriften verschijnen over allerlei wondergeboorten. Een kalf met mensenhoofd vindt men afgebeeld op een Duitse prent van omstreeks 1578 6 en Franse wonder-kalveren vindt men vermeld en afgebeeld van af 1585.
Ongeveer honderd jaar later, in 1641, verscheen te Amsterdam, bij een onbekend uitgever, een prent over een vrouw met varkenshoofd. De uitvoerige titel van die prent geeft volledige uitleg over dezc legendarische gebeurtenis: „Een waerachtige beschryvinge van een mis-geboorte, dewelcke Godt Almachtigh gegeven heeft in Hollant, binnen Amsterdam, aen een Vrou Persoon met Namen Jacomyntjen Jacobs, daer ghekomen is een schamele Vrou (om) Godeswil, en sprack Godt wil u helpen: Dese arme Vrou niet haer drie Kinderen sprack noch dat se met haer Kinderen in drie dagen geen Broodt ghe-eeten hadde, ende dat se van Huys, Hof Landt en Sand berooft was, biddende om
_________________________
1 R. Schenda, Die franzosische Prodigienliteratur in der zweite Halfte des 16. Jahrhundcrts, Miinchen, 1961. (Miinclmer Ro-manistische Arbeiten, herausgegeben von F. Rauhut und R. Rheinfelder, 16. Heft).
2 R. Schenda, Die deutschen Prodigiensammlungen des 16. und 17. Jahrhunderts, in Archiv fur Geschichte des Buchwesens, XXVII (1961), Frankfurt. —
3 H. Wascher, Das deutsche ilhistrierte Flugblatt. Berlijn, 1,1955, pi. 79. Zie ook W. Hess, Himmels- und Naturerscheinungen in Einblattdrucken des XV. bis XVIII. Jahrhunderts, in Zcitschrift fur Biicherfreunde, Neue Folge, II (1910), biz. I, 75, 301, 341, 388. —
4 R. Schenda, Die franzosische Prodigienliteratur, a. w., biz. 123, 164. —
5 Waerachtae Beschryvinge \\ Van drie seylagien ter werelt noyt soo vreemt ghe-\\hoort drie jaeren achter makanderen deur de Hollandtsche ende Zeelandtsche schepen by \\ noorden Noorweghen Moscovia ende Tartaria na de Coninckrijken van Cathai ende China... ghedaen deur Gerrit de Veer van Amstelredam. Ghedruckt t' Amstelredam by Cornelis Claesz op 't Water, int Schrijf boek. Anno 1605 (3e druk, xe druk, anno 1598). —
6 H. Wascher, a. w., pi. 78.
386
een stuck brood voor haer Kindren om af te leven, want sy met haer Kinderen in drie Dagcn Broodt ghe-eeten hadden, daer op dese Vrou Jacomijntje Jacobs seyde, gaet heene met u Vei -waer dat ghy wilt; ick geve u niet, waer op dat de arme Vrouwe sprack, zyn dit myn Kin. Verckens, Godt geef u mede sulcke Verckens als ick hier by my hebben, waer in Godt Almag] zyn wonderwerck getoont heeft, als ghy in dese Figuur kont sien, daer het schepsel van dese i Vrou in haer Geboorte van een Kindt, met een Verckens hooft ter Werelt is ghekomen, ghelyi I hier na verhaelt wordt, alle Menschen tot een Spieghel" 1.
Even fantastisch als het verhaal van deze wonderbare verschijnselen klinkt het relaas van de wre heden van het monster van Viller-Val. Onder de afbeelding van een mooie gestileerde draak, met ivn man in zijn muil deeh de Rotterdamse uitgever J.B. Ulrich (± 1835-1849) mede: „Volgens brievcn, uit de Middellandsche zee, in Frankrijk, bij een groote storm en zwaar onweder! aangekomcn u-Viller-Val dit afgrijslijk beest, was lang 21 voeten en hoog 13 voeten met twee rijen tanden, ondcr en boven, bij kon zoo wel aan land loopen, als in zee zwemmen, des nachts was hij op land om mensclnn en beesten te verslinden, en bij dag was hij in zee. Als hij geen levendige schepselen vinden kon, heefi hij uit de graven, de lijken gehaald en opgegeten, men ziet hem hier nog bezig, een schipper te ver -slinden die hij in zee uit zijn schip gehaald heeft, en mee berekend dat hij wel 250 menschen, het levefl heeft benomen. Eindelijk is hij door soldaten, met de bajonette gedood, en na Parijs gezonden, w.1.11 denkelijk zijn schalet nog in wezen is". De tekening van deze prent (afb. 87) is een kopie in spiegelbeeld van het monster afgebeeld op een gelijkaardige prent van de weduwe Gamier te Troyes en de tekst is een samenvatting van het relaas datafgedrukt staat op de prent van Gamier 2. Een andere kopie verscheen bij Michel Rabier-Boulard te Orleans 3. Dergelijke verhalen waren geen zeldzaamheid in de i8e en het begin van de ioe eeuw. Over het monster van Gevaudan (1764) verschenen in de tweede helft van de i8e eeuw meer dan vijfentwintig prenten 4. In 1814 verscheen bij de reeds genoemdc Rabier-Boulard te Orleans een prent over een wolvin, ,,une louve monstrueuse", welke kinderen en vrouwen overviel in de dorpen Chaigy en D'Huisseau (departement du Loiret). Over ditzelfde monster verscheen eveneens te Orleans een prent bij P.J. Feuillatre 5. Op een Catalaanse prent, uit het begin van de vorige eeuw, is een draak afgebeeld, verwant aan ,,het monster van Viller-Val", die in 1804 het land van Jeruzalem zou geteisterd hebben; de uitgever legt er de nadruk op dat het monster geheel identiek was met het plaatje van de prent 6!
394
bij negentig een ezel, bij honderd een eend of gans. De oudste houtsnede, vermoedelijk van Zuid duitse herkomst, dateert van 1482 1. Hier zijn de dieren duidelijk te herkennen. De leeftijd van inn jaar wordt hier voorgesteld door een knaap met een bok of een geitje, twintig jaar door een jongelini met een kalf, dertig jaar door een man met een stier, veertig jaar met een leeuw, vijftig jaar met ecu v< <■■ zestig jaar met een wolf, zeventig jaar met een hond, tachtig jaar met een kat, negentig jaar met MB ezel en honderd jaar door een oude man in een doodkist met een gans of eend ernaast. Dezc wijn van voorstelling komt in de Nederlanden het eerst voor in een Antwerpse postincunabel van Der Diere(n) Palkys 2.
De oudste prent met de voorstelling van de leeftijden van de mens op een trap zou volgens A. Spamer, gedrukt zijn in 1474 door Martin Flach te Bazel. Dit bericht wordt sterk in twijfel getmk ken 3. Hoe dan 00k, wij hebben geen spoor ontdekt van deze prent.
De oudste ons bekende prenten van de Trap des Ouderdoms dateren uit de eerste helft van .1 i6e eeuw. De ene is van de hand van de Duitse graveur Jorg Brew (of Breu) dejongere en is gc dateerd 1540 4, de andere is van de hand van de Nederlandse houtsnijder Cornelis Anthonisz, werk zaam te Amsterdam van 1527 tot 1553 8. Beide, ongeveer gelijktijdige prenten, zijn geheel onafh.m kelijk van elkander ontstaan en zijn 00k geheel verschillend van uitvoering. Op de prent van Cornells Anthonisz zijn de leeftijden trapsgewijze opgesteld op de verschillende verdiepingen van een trap gevel. Op de prent van Jorg Brew zijn de leeftijden voorgesteld op de treden van een werkelijkc trap Op beide prenten zijn de verschillende personages 00k vergezeld van een symbolisch dier. Op d<-prent van Brew is de dertigjarige vergezeld van een paard; op de incunabelprent van 1482 staat eon stier op die plaats, en op de prent van Anthonisz hebben wc voor tachtig jaar een ezel in plaats van een kat, en voor negentig jaar een gans in plaats van de ezel van de incunabelprent. Op een Itahaann oudcrdomstrap uit de i6e eeuw 6 komen meestal dezelfde dieren voor, maar de boorling wordt ge-karakteriseerd door een biggetje en het kind van tien jaar door een lam. Op een Italiaanse ouderdoms-trap met vrouwelijke personages wordt elke ouderdomsperiode gesymboliseerd door een vogcl: zestig door een papegaai, zeventig door een kraai, tachtig door een gans 7. Deze wijze van voorstel-len van de ouderdomstrap, waarvan wij in de Nederlanden slechts een voorbeeld kennen, bleef in Duitsland populair tot laat in de i8e eeuw 8.
In de I7e eeuw zijn in Nederland talrijke artistieke kopergravures verschenen van de Trap del Ouderdoms: trappen waarop de levensperiodes uitsluitend voorgesteld worden door mannen, andere
_________________
1 Schreiber, Handbuch, IV, biz. 56, nr. 1881. —J. Mistier (Epinal, a. w., biz. 48) laat het voorkomen alsof dit de oudste voorstelling zou zijn van de Trap des Ouderdoms: „Dix ages y sont figures, conformement a la tradition la plus repanduc... ils s'echelonnent de decennie en decennie..." Dit kan verklaard worden als zouden de tien leeftijden trapsgewijs opgesteld zijn. Dit is niet het geval. Ze zijn naast elkander opgesteld, zoals Schreiber duidelijk zegt : „die zehn Alter (sind) inbesonderen Feldern nebeneinander mit Uberschriften dargestellt". —
2 J. Winter Jones, Observations, a. w., biz. 180. Andere gravures uit de i6e en 17c eeuw, met dezelfde wijze van voorstelling vermeld in Mistier, Epinal, biz. 48. —
3 A. Spamer, Die dcutsche Volkskunde II, Leipzig 1935, biz. 478 : „Im deutschen Bilderbogen fanden die Alterstufen zuerst in einem 1474 von Martin Flach in Basel gedruckten Blatt Aufnahme". De informaties welke ik over deze prent uit Bazel ontvangen heb, waren volkomen negatief. Dr. R.Wildhaber, conservator van het Schweizerische Museum fur Volkskunde aldaar, was zo vriendelijk mij hierover het volgende te berichten : „Wegen der Bilder von Flach iiber die Lebensalter habc ich mich bei zwei Herren der Unjversitatsbibliothek erkundigt; einer dicser Herren hat ganz zufallig das Oeuvre von Flach gerade bearbeitet. Beide kennen das betreffende Bild nicht und sagen, das es Unmoglich von Flach stammen konne; Spamer miisse zich geirrt haben oder schon eine falsche Stelle abgeschrieben haben. Moglicherweise konne es vom Strass-burger Flach stammen (der nicht identisch ist mit dem Basler), doch halten beide auch dies nicht fur wahrscheinlich." —
4 F.W.H. Hollstein, German engravings, etchings and woodcuts. Amsterdam, IV, biz. 197. Afbeelding bij Georg Hirth, Kulturgeschichtliches Bilderbuch aus drei Jahrhundcrten, Leipzig-Miinchen, II (1883), biz. 508-509, nr. 747. —
5 Waller, Biogr. Woordenb., biz. 7. —
6 A. Bertarelli, L'imagerie popuhire italienne, Parijs, 1929, biz. 35. —
7 Bertarelli, a. w., biz. 33. —
8 Boekenoogen, Verspreide Geschriften, biz. 275.
395
de leeftijden voorgesteld worden door vrouwen, nog andere waarop, voor elke levensperiodc, telkens een man en een vrouw afgebeeld zijn. Als graveurs en (of) uitgevers van deze prenten noemen ire: W. H. (ollar) J.B. Muyckens, P. Nolpe, J. Robyn, S. Savry, C.J. Visscher \ F. Beusecom, Isaak I l.'uwcns2, R. van der Hoey 3 en A. Spierincx 4. C.J. Visscher gaf verschillende ,,trappen" uit, op jjroot en klein formaat, ouderdomstrappen met mannen, andere met vrouwen, trappen metde twaalf patriarchen, de twaalf apostelen enz. 5. Vooral de ouderdomstrappen van C.J. Visscher hebben veel succes gekend. hi de meeste prentenverzamelingen zijn afdrukken bewaard van een of meer van deze prenten. Deze kopergravures hebben ongetwijfeld invloed uitgeoefend op de gelijktijdige en latere Nederlandse volksprenten over dit onderwerp. De oudste volksprent van de Trap des Ouderdoms verscheen in de eerste helft van de 17c eeuw en werd uitgegeven door Joost Broersz (afb. 115). Het is een van de oudste drukken van een Nederlandse volksprent die bewaard geblevcn zijn.
Er bestaat een grote overeenkomst tussen de houtgravure van J. Broersz en de kopergravure van G.J. Visscher, de Trap des Ouderdoms met mannelijke figuren 6. De personages, de voorstelling van de trap, de taferelen onder de trap: links een huwelijksstoet met het opschrift ,,'t Begin is soet", te midden het laatste oordeel, rechts een begrafenis, 00k het onderschrift ,,Des Menschen op- en Nedergangh \ alt d'ene soet en d'ander bangh" stemmen op beide gravures geheel overeen.
Een tweede houtgravure Trap des Ouderdoms, met enkel mannelijke personages, vermoedelijk uit de tweede helft der 17c eeuw en waarvan een exemplaar bewaard is in een uitgave van Gysbert de Groot-Keur, heeft als inschrift ,,De Stervensdach sal onverwacht ons come als een dief by nacht". Deze tekst wijkt weinig af van het inschrift op de kopergravure van Fr. van Beusecom, gesigneerd W.H. (Wenceslas Hollar;), ,,Des Heeren dach sal onverwacht ons comen als een dief by nacht" 7.
De ouderdomstrappen met alleen mannen zijn nogal zeldzaam bij de volksprenten. Ookde ouderdomstrappen met enkel vrouwen zijn niet bijzonder talrijk. De oudste ,,vrouwen-trap" verscheen bij J. Kannewet (nr. 90). Deze i8e-eeuwse uitgave werd gedrukt van een i7e-eeuws houtblok, hoogst-waarschijnlijk afkomstig uit het fonds De Groot. Ook de blokken van nr. 52 van Van Nieuwenhuyzen te Haarlem en prent nr. 4 van Ratelband en Bouwer te Amsterdam zijn vermoedelijk afkomstig uit de I7e eeuw.
De mecst gebruikelijke voorstelling van de ouderdomstrap in de Nederlandse volksprenten is die met paren: op elke trap eenjongen en een meisje, een man en een vrouw. De onderlinge afhankelijk-heid van deze prenten is niet beperkt tot de Nederlandse hout- en kopergravures, doch geldt ook voor de buitenlandse voorstellingen van de Trap des Ouderdoms, vooral voor die uit de 17c eeuw. Legt men b.v. de Trap des Ouderdoms van de Erven van de wed. de Groot naast de kopergravure gesigneerd Jacobus Robyn (gereproduceerd in de Verspreide Geschriften van Boekenoogen, tegenover biz. 270) en naast Le grand Escalier du tnonde uit het eerste kwart van de 17c eeuw (gereproduceerd op biz. 106 van L'imagerie parisienne) 8, dan springt de nauwe verwantschap van deze prenten zeer in het oog. Het zou een moeizaam werk zijn om de graad van verwantschap van deze prenten na te gaan en vast te stellen in hoeverre deze prenten onderlinge kopieen zijn of daarentegen teruggaan op gemeenschap-pelijke modellen.
_____________________
1 Atlas van Stolk, nrs. 1991, 1992, 1993, 1994, 1996 en collectie Waller portef. 10 en 14. —
2 Een trap des ouderdoms, met mannen, gesigneerd: F. Beusecom en Isaak Houwcns, bevindt zich in het Wcstfriesmuseum te Hoorn. —
3 Zeitscbrift des Vereins fiir Volkskunde, XVII (1907), biz. 35-38. —
4 Boekenoogen, a. w., biz. 269-271. Een reproduktie van de Trap des Ouderdoms van Anthonius Spierincx vindt men in Eigen Aard, 1946, door K.C. Peeters, tegenover biz. 454. —
5 Coll. N.O.M., Arnhem. —
6 Oudheidk. Genootschap Amsterdam, „Zeden en Gewoonten", portef. XIX A. —
7 Atlas van Stolk, a. w., nr. 1994. Wenceslas Hollar was werkzaam in de Nederlanden van 1644 tot 1652. Vgl. Waller, Biogr. Woordenb. —
8 Duchartre en R. Saulnier, L'imagerie parisienne, Parijs, 1944.
401
van de personages wijst erop dat deze plaat minstens honderd jaar vroeger gegraveerd werd. Zij is waarschijnlijk afkomstig uit het oude fonds Lootsman (Wed. Teunis Jacobsz). De hier afgebeelde prent (afb. 118) zal vermoedelijk gediend hebben als verlovingsgeschenk. Zoals blijkt uit de titel was zij alleszins bestemd voor de ,,vrijers en vrijsters":
Komt nu vrijers en vrijsters met hoopen Om Leander en Silvia te kopen.
Zij stelt een boom voor met links de geliefde en rechts de verliefde jongeling, het meisje met de symbolische roos in de hand, de jongen met een brandend hart. De mand met de ,,trekkebekkende" duifjes, het haasje en de trouwe hond aan de voet van de boom zijn welsprckende symbolen.
De namen Silvia en Leander doen denken aan de tragische liefde van Hero en Leander uit de klassieke oudheid. Het gedicht onderaan de prent sluit aan bij de Nederlandse emblematapoezie van de I7e eeuw:
Leander : Cupido heeft zijn pyl in mijne borst geschote /
Daarom mijn herte is door min in vlam ontstoke / Mijn hert dat is ontroert en wil niet worde stil / Gelijk een verspiedent hont die immer bassen wil.
Silvia : Ik ben van de selve pyl in 't binnenste doorwond /
Mijn roose die ik draag heeft menig vreijer ontfonkt / Dog wyl ik schiftig ben te worde hier verrast / Gelijk het haasje hier dat op het hontje vlast.
Die liefde is van soete aart men hoeft hier niet te gekke / Siet boven maar in 't geboomt twee duyve trekke bekke / Een boom van bladere groen is liefelyk in 't gesigt / Daar liefde woond in huys daar is de vree gestigt.
4. DE VRIJSTERSBOOM
Ook de vrijstersboom is verwant met de levensboom. Zinnebeeldige voorstellingen van bomen met een of meer personages zijn reeds bekend uit de 15c eeuw. Op een Vlaamse miniatuur van 1466 * is een jongeling afgebeeld in de kruin van een boom, en daarnaast een duivel die tracht de boom te ontwortelen; op ccn houtsnede van 1477 2 wordt een minnekozend paar voorgesteld, gezeten in de kruin van een boom, en aan de voet van de boom een man die zijn armen rond de stam slaat. Maar de boom, of beter de bomen met vrijers en vrijsters, zoals wij die kennen uit de volksprenten, komen het eerst voor op gravures uit de i6e eeuw.
De oudst bekende gravure was voorzien van een gedicht van vierentwintig verzen door Hans Sachs, met als titel „Paum darauf maid und gcsellen wachsen". Jammer genoeg is deze prent verloren gegaan
__________________________________________________
3. Er is een houtgravure met dezelfde titel bewaard van Hans Brosamer, vermoedelijk een kopie van de prent met het gedicht van Hans Sachs 4. hi de kruin van de meisjes-boom zitten vrouwen die allerhande huishoudelijk werl^pitvoeren: spinnen, naaien enz.; onder de boom staan drie mannen
1 D. Bax,Jeroen Bosch, afb. 61. —2 Ibid., afb. 64 naar een hsn. uit Esopus' fabulae et vita. (Ulm, J. Zainer ca. 1477). — 3 J. Bolte, Bilderbogen des 16. und 17. Jahrhunderts, in Zeitschriftfiir Volkskunde, 47 (1938), biz. 11. — 4 Ibid, met reprod. op biz. 12. H. Brosamer was werkzaam tot omstreeks 1554 (Thieme-Becker).
404
Het fonds van De Groot is in de i8e eeuw overgegaan naar J. Kannewet. Atb. i lobis i naar een herdruk van Kannewet op naam van de Erve H. van der Putte. De personage deze prent zijn, wat houding en gebaren betreft, trouw gekopieerd van de prent van On n de klederdracht werd gemoderniseerd naar de i8e-eeuwse smaak. De titel van de preni zigd en luidt:
Elk plukt zijn Vrugt hier na den eys, Uyt dit zoete Aardsch' Paradijs.
Op het eind van de i8e eeuw heeft G. Oortman voor de firma Stichter over dit mi,I nieuwe prent gegraveerd, waarvan het houtblok later in het bezit gekomen is van dc Inn te Zaltbommel (nr. 185) * en tenslotte van de firma Glenisson en Van Genechten te Tumid 188), welke laatste de prent tot in de tweede helft van de ioe eeuw heeft gedrukt.
In Frankrijk was het onderwerp zo populair, dat het buiten de afbeeldingen op kopergravures ook voorgesteld werd op plateelwerk, onder meer op schotels voor sla 2.
In de Duitse ,,Bilderbogen" heeft de vrijstersboom zich gehandhaafd tot de twccdi I' de vorige eeuw 3.
5. DE STRIJD OM DE BROEK
DIt onderwerp was zeer populair in de kunst en de letterkunde van de late middeleeuwen en van de renaissance, vooral in Frankrijk. Het vormde een thema voor fabliaux en u beeld op misericordia's van koorgestoelten in de kerken van Rouaan, Saint-Denis, Sam Presles en van verschillende andere steden 4. In het koorgestoelte van Hoogstraten kan men schillende voorstellingen zien van de strijd om de broek.
De oudste Nederlandse prent over dit onderwerp wordt toegeschreven aan de . meester met de banderollen. Deze kopergravure dateert uit de periode 1460-1470 5. Twei pergravures uit de 15c eeuw, waarop taferelen voorgesteld worden uit de strijd van man om de broek, zijn van de hand van Israel van Meckenem 6. De oudste mij bekende lion gewijd aan dit onderwerp berust in het Rijksprentenkabinet tc Amsterdam 7. Het is ecu \ 11 i6e-eeuwse prenten welke op de grens staan tussen de kunstprent en de eigenlijke volkspi mi I '
______________________________
1 Zie reprod. bij v. Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 555. —
2 Champfleury, Histoire de la caricature et la Ligue, Parijs z. d., biz. 17. 'Cest la meme idee que les graveurs du XVIIe siecle reprirent sous le titrc l'Arbl que les potiers de Nevers vulgariserent au XVIIIe siecle sous la forme de saladiers et qui devint plus 1 11 I Epinal". — Nog in de ioe eeuw werden in Angers zulke schotels gemaakt. In het museum van Angers 1 de vrijstersboom bewaard, gedateerd 1806. —
3 In het Museum Van Gijn te Dordrecht berust een uitg.i ner uit Neurenberg en in de collectie Kossmann te Rotterdam een uitgave van C. Burckhardt uit Weisscnbu terlinck, Le genre satirique-sculpture, biz. 206. —
5 F. Lippmann, Ein italienischer und ein deutscher Kupfei Jahrhunderts, injahrbuch der deutschen Kunstsammlungen, VII (1886), biz. 73-81. —
• H. Kohlhausscii, Im.iIi, I nem als Schilder niederrheinisch-westfalischen Lebens, in Israhel van Meckenem, Bocholt 1953, biz. |I, ■
7 Nederlandse
405
1 I n.ippc hand gegraveerd en met zorg gekleurd en was dus vermoedelijk bestemd voor een 1 uvlgcsteld publiek, maar het onderwerp van de prent en de wijze van voorstelling zijn
ulair. Deze merkwaardige prent is gedateerd 1555 (plaat XII). Het is de meest leuke en ndc Ulustratie van de spreuk gegraveerd in de pren-: „Men vint ter werlt ghien meerder
I >an die haer Wijfs die Broeck antrecken".
1 wcede helft van de i6e eeuw is, in de Atlas van Stolk, een prent bewaard over hetzelfde ■■■ drukt op naam van L. Boscher1. Op deze prent zijn verschillende taferelen afgebeeld. men hoe een man, geknield voor zijn vrouw, haar de broek aantrekt, links op de prent
die haar man een klap tegen de kaken geeft, op de achtergrond ziet men nog een vrouw die 11. waarvan er een zit te haspelen, bedreigt met een tang. Deze Zuidnederlandse gravure
II iwectalig onderschrift waarvan de Franse tekst: ,,Ou la fem(m)e gouverne, portant la I 1 des brays avecq; le tout y va derriere", oorspronkelijker lijkt dan de Nederlandse:
I Vrouw d'overhandt heeft, en draecht de brouck || Daer ist dat Jan, de man leeft, naar advys
III mi k".
like! in Frankrijk en in de Nederlanden, maar 00k in Duitsland was de strijd om de broek 1 p voor houtsnijders en kopergraveurs2. ■ 11,1,1 werp ligt ten grondslag aan de vele verhalende volksprenten met de geschiedenis van of van Jan en Griet. Deze prenten worden behandeld in een van de volgende hoofd-
en paar Nederlandse prenten zijn uitsluitend gewijd aan de strijd om de broek. Een
utsnede over dit onderwerp, van een onbekende maar begaafde graveur, werd in het mid-
1 8c eeuw uitgegeven door Jan van Lee te Haarlem (reprod. Van Heurck en Boekenoogen,
novcr biz. 32). Zij bestaat uit twee taferelen: op het eerste, ,,de hen speeld voor den
men dc vrouw die haar man aan het oor trekt en een been in een pijp van zijn broek steekt
,lc, ,,de vriendschap hersteld", ziet men de man terug zijn broek aantrekken. Deze alle-
,n III 1 slechte en het goede huishouden werd gekopieerd door G. Oortman voor rekening van
1, liter tc Amsterdam. De blokken van deze prent kwamen in de I9e eeuw terecht bij
.....,■ /.iltbommel (nr. 109).
ipulair het motief van de strijd om de broek vroeger geweest is, bewijst onder meer de
1 oudste Vlaamse kinderprent met spreekwoorden: Afbeeldingh hoe seven wyven vechten om
hroeck aide hoe de vrouw de broeck aen treckt ende de man de rock. Slechts een, de derde, van de
• ' I - Idingen van deze prent (afb. 136) heeft betrekking op de strijd om de broek, maar deze
lijkc titel moest de voile lading dekken. Hier zijn het niet man en vrouw die strijden om
l iloch vrouwen onderling.
1111 stcllingswijze was reeds bekend in de I5e eeuw. Op een mooie Italiaanse kopergravure
I 11, ide zijn twaalf vrouwen afgebeeld, die onder toezicht van de dood en van een nar strijden
11 k
:i. Deze strijd is 00k voorgesteld op een i7e-eeuwse tekening van P. Quast en op een
ure naar Van de Venne, uit het jaar 1635 4. In de i8e eeuw vinden we hetzelfde onderwerp
p|i 1 en haardplaat in het archeologisch museum te Namen. Hier zijn het vijf vrouwen die
■ .mi de broek van de man, die met blote billen geknield ligt aan hun voeten, een zesde vrouw
oik, nr. 280. — 2 E. Fuchs, Die Frau in der Karikatur, Miinchen 1906, „der Kampf um die Hosen", biz. 52-71,
■. ,-zcn naar verschillende voorbeelden uit de I5e, i6e en 17c eeuw. Zie 00k L. Maeterlinck, Le genre satiri-
|,|/. 195. — 3 A. Bertarelli, L'imageriepopulaire italienne, Parijs 1930, biz. 13. — 4 Tekening op perkament door
( 11. van Stolk, nr. 2129); een kopergravure in Adriaan van de Vennes' Tafreel van de belachende werelt, 's-Graven-
\il.is van Stolk, 1033).
406
speelt daarbij vrolijk op de fluitl. L. Crick 2 verwijst ook naar een Duitse volksprent uit de 18c i Franse uit het eerste kwart der 19c eeuw.
Zelfs op een houten vorm van een Lierse suikerbakker is een afbeelding bewaard van vrouw en i III vechten om een broek 3.
6. DE OUDEWIJVEN-MOLEN
De verjongingskuur is een onderwerp dat onder vcrschillende vormen voorkomt in de kunsi de letterkunde van de klassieke oudheid. We kennen de verjongingskuur door het vuur, d. u I de beruchte Medea-ketel 4, en verder vooral de verjongingskuur door het water, nl. de beroemdi fontein van Jouvence, waarover we verder nog zullen spreken in verband met Luilekkerland.
_______________________________
1 F.Courtoy,Taque de foyer asujet satirique, :8e siecle. I\'amurcum,Vl (1929), biz.44 en: A propos d'une taque de foyer, id., VII (1930), biz. 16. —
2 L. Crick, Exposition d'images populaires in Bulletin des Musees Royaux d'Art et d'Histoire, 1943, biz. 131, 140. —
3 B. Janssens, Lierse gebakvormen in de i8e en 19c eeuw, in Tijdschrift voor geschiedctiis en folklore, XL (1948), buitentekstplaat 17. —
4 A. de Cock, Studien en essays over oude volksvertelsels, Antwerpen 1919, biz. 14.
407
n mogelijke zinspeling op de molen waarin oude wijven tot jonge meisjes gemalen worden,
I i. vinden in een i6e-eeuws gedicht van de Duitse satiricus Johan Fischart1. De oudste grafische
idling van de oudewijven-molen vindt men op een Nederlandse houtsnede van het eind der
uw2 waarop met de hand de titel geschreven is: ,,Hier worden oude Wijven wederom jonge
ilen" (afb. 120).
I )c oudst bekende Duitse gravure over dit onderwerp is nauw verwant met de Nederlandse
• ivuie, maar is vermoedelijk enkele jaren jonger dan deze laatste 3. Nog jonger, uit het tweede
• van de I7e eeuw, is de mooie kopergravure gereproduceerd bij het belangrijke artikel dat
[ohann.es Bolte aan dit onderwerp heeft gewijd 4. Ook deze gravure is verwant met beide vorige.
' Yd alle drie ziet men op de achtergrond een boot waarop vrouwen aangevoerd worden; deze worden
.1.111 de enc zijde via een trap in de molen gedragen en worden er langs de andere zijde door een gat
uitgestoten. Op deze Duitse kopergravure, zien we op de achtergrond ook nog een wagen met
paarden bespanncn, welke vier oude wijven vervoert. Spamer, die de Nederlandse houtsnede
iii kende, mcende dat Engeland het motief uit Duitsland had overgenomen, en dat het later een plaats
v.md bij de Europese volksprenten 5. Doch de titel van de oudste Engelse afbeelding wijst erop dat
I ngeland het motief heeft ontleend aan Nederland en niet aan Duitsland. Deze Engelse afbeelding
I omt voor in een volksboekje verschenen in 1672 onder de titel The Merry Dutch Miller and New Invented Windmill 6. Aan de hand van de heden ten dage bekende documenten menen wij te mogen besluiten dat de Nederlandse houtsnede de bron is van de oude grafische voorstellingen van de oude-". ijven-molen.
Uit de i8e eeuw zijn ons geen Nederlandse prenten met de oudewijven-molen bekend. Maar Otnstreeks het midden van de vorige eeuw verscheen bij de firma Ratinckx te Antwerpen nog een lardige litho over dit onderwerp. Ook in Frankrijk en in Zweden 7 was de „moulin merveilleux" bekend. In Duitsland bleef dit motief niet alleen voortleven in de volksprenten, maar ook in het
II liouwspel en de volksgebruiken. Tot het midden van de vorige eeuw was de ,,Altweibermuhle" een der grote attracties van het Keulse carnaval, en tot het eind van de vorige eeuw kwam er te Wiirflau bij de „Madchentanze" van het Pinksterfeest een ,,Altweibermiihle" te pas 8.
________________
1 A. Spamer, Die deutsche Volkshmde, II, Berlin 1935, biz. 481. —
a Rijksmuseum Amsterdam, Prentenkabinet Nederl. hout-sneden, portef. 12. —^Qp de Duitse gravure, bewaard in het Germanische National-Museum te Neurenberg en gereprod. in Pesslers' Handbucrt^er deutschen Volkskunde, Potsdam (1938), biz. 425, draagt het voomaamste mannelijke personage reeds een platte kraag in plaats van de geplooide kragen van op de Nederlandse prent. —
4 J. Bolte, Die Altweibermiihle; ein tiroler Volksschauspiel, in Archiv fur das Studium der neueren Sprachen und Litcraturen, CII (1899), biz. 241-266. Op deze gravure zijn alle personages afgebeeld met platte kragen. —
5 A. Spamer, a. w., biz. 481 : „Noch im 17. Jahrhundert wan-dcrt das Scherzbild von Deutschland nach England und nistet sich spater im westeuropaischen Bilderbogen ein". —
6 London 1672, „printed by E. Crowch" (Brit. Mus. 12316, a 43). —
7 Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 579 en biz. 664. —
8 Zie de reeds geciteerde opstellen van Bolte en Spamer.
408
7. DE DOOD, DODENDANS EN FLOSKAARTJES
A. DE DOOD IN HET ALGEMEEN
Het thema van de dood heeft een merkwaardige rol gespa U
in de letterkunde x en in de kunst2. Vooral in de late middel-eeuwen en tijdens de renaissance heeft de gedachte aan de dood on het hiernamaals een belangrijke plaats ingenomen in het geestes-leven. Toch zijn de Nederlandse volksprenten met de dood als hoofdmotief weinig talrijk. Twee hiervan zijn verschenen in de i8e eeuw, maar zij werden gedrukt van i6e-eeuwse houtblokkcn. De eerste, verschenen bij de erven van de wed. G. de Groot en A. van Dam (z. nr.), stelt een oude man voor die mediteert over zijn naderend einde. Het onderschrift luidt: Een Oudt man in sijn kamcr sittende spreeckt, en dan volgt een meditatie van vierentwintig versregels (afb. 122). Zulke voorstelhng van een meditatie op de dood en het hiernamaals, was in de i6e eeuw niet ongewoon. Een sprekend voorbeeld uit het jaar 1553 is de prent De Rijkc Man en de Dood van Pieter Warncrsoen uit Kampen 3, een der belangrijkste voorlopers van de latere uitgevers van volksprenten. Op deze prent zien we een rijke man gezeten op een koffer, met zijn elleboog op de tafel en zijn hoofd steunend in zijn hand, zijn voet rust op een doodkist, door het venster kijkt de dood.
Prent nr. 71 van Ratclband & Bouwer (afb. 123) geeft een bceld van een meer traditioneel on-derwerp: de dood als ongenode gast. Dit onderwerp illustreert de lering: de dood overvalt ons wan-neer wij hem het minst verwachten. Vijf rijk uitgedoste personen, drie dames en twee heren, zitten rond de feestdis geschaard; de dood, gekleed als een jonker, een muts met pluimen op het hoofd, treedt binnen met in de ene hand een pijl en in de andere de zandloper. De nar, die het gezelschap moest vermaken, kruipt van schrik onder de tafel.
Deze voorstelhng ligt geheel in de lijn van de contemptus mundi, de in de middeleeuwen zozecr aangepreekte verachting van de ijdelheden van deze wereld. De Vlaamse bewerking van een middel-eeuws traktaat over dit onderwerp 4 is ge'fllustreerd met een houtsnede welke een gezelschap aan ecu dis verbeeldt, dat opgeschrikt wordt door de verschijning van de dood als geraamte, gewapend met een pijl en vergezeld van een monster met grijphaak. Op een andere i6e-eeuwse prent 5 is het niet de dood zelf die de feestvierders komt herinneren aan de ijdelheid van 's werelds geneugten, doch Lazarus met leprozenklepper, met staf en bedelzak. Deze parallellen tonen aan hoe nauw dit onderwerp aansloot bij de opvatingen van die tijd.
____________________
1 Cfr. J. Vanderheijden, Het thema en de uitbeelding van de dood in de poezie der late middeleeuwen en der vroege Renaissance in de Nederlanden. Ledeberg (Gent) (± 1930), uitgave van de Kon. VI. Academie voor Taal- en Letterkunde. —
2 Cfr. L. Dimier, Les danses macabres et Videe de la mort dans I'art chretien. Parijs, 1902. Zie 00k Th. Frimmel, Beitrage zu einer Ikono-graphie des Todes. Wenen, 1891, en vooral de uitvoerige bibliografie over „Der Tod in Dichtung und Kunst" in H. Rosen-feld, Der mittelalterliche Totentanz. Miinster-Koln, 1954. —
3 Nijhoff, Houtsnedcn, platen 199-200. —
4 Vander ketivigheid der menschelicker naturen, ende versmadenesse des werelds. Eerst gesteld in latine, bij Lotharium diaconum, naermaels Inno-centius de III. Ende nu overghesett in Vlaemschen dichte, by Andries van der Meulen, rhetorisien van Audenaerde : met schonen figuren, cotatien, ende annotatien van nieuws vercierd. Te Ghent. By Jan Cauweel, in de Donderstratc in de Cauwe, 1556, (Universiteitsbibliotheek, Gent). —
5 Nijhoff, Houtsnedcn, plaat 361.
I« zitt' ick in't kleynbeflcoten Van dc Werclt afgefchootcn, Hier bepeyns ick mijnentydt: Die nu hacft ten eyndc flijt. 2 Hier door peyns ick myn gewetenj
En hoe K niijn tyd heb vcrflcctcnj Van a»n Jeught tor beden toe* Ac^wcrelt kbenewmoc. 3 Wat heb k niet in jnijn gedachtenj Van veel Schatten op te wachtcis Noodeloos myn tydt verlcurt,
Siet myn keers die braridt ten ende
Lact ick my ten Heme! v ende: In vetfoigen niyne ziclj
Die k-mtceuvighgarcnhicl. i VHet dan febatten, vlict Wan forgeli,
Want dc Dccdr, enwil nietboigeru En den menfeh is tyd geflclt,
Dies de Eoot bet allcs *clt. 6 fy dan Werelt lactmy nifleu,
/ y ! myn ziel kbep hcmels lufteni U erelts gcet maeekt ciemanr fat -.
G odts Trees is de icchte Schat.
Waerom nn myn Outheydtttcwt.
410
Afb. 123. Dc ongenode gast, i8e-eeuwse prent gedrukt met i6e-ceuws houtblok. (Coll. Prentenk. Amsterdam.)
Een geheel andere wijze van voorstelling vinden we op prent nr. 80 van de Erve H. van dcr Putte (afb. 124). Hier zien we kinderen, ouders en grootouders, en daarnaast de man met de zcis personificatie van de dood. Het opschrift luidt: „Komt Kinders wilt hier uyt leren dan, De tyd ver-streken daar is de man". Het onderschrift waarschuwt: „Kinders wilt dees print beschouwen / en dc tyd voor oogen houwe".
De merkwaardige prent van J. Kannewet (nr. **48), verschenen onder de titel: Die 't Sterveu in zijn Leven heeft geleerd / Die vind de bitterheyd des Doods geweerd (afb. 125), is een echte volksprent, letwat nai'ef en onbeholpen getekend, maar zeer expressief. De indeling in zestien kleine plaatjes ligt geheel in de lijn van de 17c- en i8e-eeuwse kinderprenten. Al deze plaatjes verzinnebeelden de ver-gankelijkheid van het leven. De eerste afbeelding toont de schilder die de dood uitbeeldt. Het onderschrift, „Ik schilder Doods gedagtenis || Om dat haar komst onzeker is", bevestigt de bedoeling van de prent. De plaatjes staan niet in logische volgorde : we zien eerst de dood bij de zieke, daarna de dood by de wieg, dan de dood en de vorst; verder zien we o. m. de dood helpen met bier uitdragen, met zagen, met koren naar de molen dragen, dan de dood in het „wyn-huys" en tenslotte de dood die dc oude man ten grave leidt.
P.J. Brepols te Turnhout heeft onder de titel Gevolg van den Dooden-spiegel door Abraham a Sancta Clara, een prent1 uitgegevcn met vijfendertig houtsneden welke oorspronkclijk gediend had-
1 Reproduktie in Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 103.
411
M b. 1*4. De dood spaart oud noch Jong. Prent nr. 80 van de Erve H. van de Putte, gedrukt met i7e-eeuws houtblok.
(Coll. v. Kuyk.)
I In voor de uitgave van een boek verschenen te Leuven omstreeks 1760 *. Deze vijfendertig gravures «ven allegorische voorstellingen van de onbestendigheid van het leven van de mens; 00k hier wordt de dood voorgesteld als een geraamte. Op een van de plaatjes is de dood afgebeeld als een boer bij de ..oirst met een garf koren onder de arm, op een ander plaatje van deze merkwaardige prent zien wc de dood, met een pijl in de opgeheven hand, gezeten op een lopend hert, met het onderschrift: ,,Ik Ihii gezwint, al ben ik blind".
Zijn de volksprenten met de dood als centraal motief niet bijzonder talrijk, dan is zulks niet het geval met de prenten waarop de dood als bijkomstig motief voorkomt. Op vele prenten, zelfs op prenten waar we hem het minst zouden vcrwachten, b. v. de boerenkermis-prenten, treedt de dood liaai voren. Op de Boere-Kermis van Van der Haeghen (gereproduceerd bij Van Heurck en Boeken-OOgen, I.P.P.B., biz. 162) is de dood afgebeeld als geraamte met spade en zandloper, maar op dc Imh renkermis van J. Wendel (afb. 126), uitgave Rynders, en op die van Ratelband & Bouwer (nr. 88) wordt als slottafereel een echte dodendans voorgesteld, vijf geraamten die hand in hand een rondc-dans uitvoeren.
Op een prent met twaalf moraliserende afbeeldingen uitgegeven door Abraham Ferwerda (nr. 1), vinden we drie verschillende voorstellingen van de dood: vooreerst de dood te paard op een kroko-dil (afb. 1 bis), secundo, de dood met pijl en gevleugelde zandloper (afb. 81), tertio, de dood voorge-Iteld tusscn heer en dame, met het onderschrift:
^ Geen man is met zijn vrou zo lief en vastgepaard, Die deeze felle dood om reden wille spaart 2.
1 / )(■/; algemeynen doodenspiegel ofde kapelle der dooden. Door Abraham a Sancta Clara, Leuven J. Jacobs, tweede druk, 1767. I h. Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 103. — * Naar een herdruk van de prent Ferwerda, uitgegevcn door zijn opvolger, J. Seydel (nr. 4), eveneens te Leeuwarden. Gelijkaardige voorstellingen, op een ietwat kleiner formaat, kotnen 001 op prent nr. 40 van J. Kannewet (zestien bijbelse en andere moraliserende afbeeldingen).
414
B. DODENDANS EN FLOSKAARTJES
Een van de vele laat-middeleeuwse varianten van de dodendans stelt voor hoe allen, groot en klein, zo-wel de machtigsten als de minsten op aarde, medegevoerd worden door de dood.
Het oudste bewaarde literaire getuigenis van dit soort dodendans is de ,,Wurzburger Totentanz". De oorspronkelijke vorm van dit gedicht dateert vermoede-lijk uit de 14c eeuw en slaat terug op een oudere latijnse tekstl. Het is een dialoog van de dood met de paus, de keizer, de koning, de bisschop, de graaf, de edelman, de edelvrouw en andere machtige personages, maar 00k met een koopman, een kok, een boer, een moeder en een kind. De dood leert hun alien dat ze moeten toetreden tot zijn rei. De oudst bekende afbeelding van een dergelijke dodendans dateert uit de jaren 1424-1425 en was geschilderd op een muur van het thans verdwenen kerkhof „Aux S.S. Innocents" te Parijs 2. De oudste grafische voorstelling, een tekening op perkament afkomstig uit Westfalen, dateert van omstreeks 1430. Het is vermoedelijk een fragment van een model voor wandschildering 3. De oudste grafische voorstelling van een dergelijke dodendans, door een Nederlandse kunstenaar, komt voor in de randver-sieringen van een getijdenboek van Thielman Kerver, gcdrukt in 1509 4. De dood leidt de meest ver-schillende personen van de samenleving ten dans: paus, keizer, monnik, burger, speelman, landman, bedelaar. Allen erkennen zij in een kernachtig rijm de oppermacht van de dood, zo verklaart de paus:
Macht heb ic alle banden te ontbinden Nochtans wil mi die doot verslinden.
In de zuidelijkc Nederlanden was het Arnold Nicolai die, vermoedelijk in navolging van Hans Holbein, in de tweede helft van de i6e eeuw een reeks Imagines Mortes uitgaf, een dodendans waarop personages uit verschillende standen, groot en klein, mannen en vrouwen, door de dood worden weggehaald 5.
Evcnals op de hier genoemde dodendansen zicn wij op de zogenaamde floskaartjes (afb. 127) alle standen defileren: keizer, keizerin, bisschop, vorst en koopman, tot boer, dienstmeid en kind toe, met als slot de niet te ontwijken dood. Het is dan 00k niet te verwonderen dat reeds meer dan honderd jaar geleden een Nederlandse auteur, J.C. Schultz Jacobi, tot de conclusie gekomcn was dat deze floskaartjes late uitlopers waren van de middeleeuwse dodendansen 6.
________________________________________
1 Der Wiirzbiirger Totentanztext (ca. 1350) in H. Roscnfeld, Der Mittelalterliche Totentanz, Miinster-Koln, 1954, biz. 308-323. Rosenfeld vermoedt dat de oorspronkelijke latijnse tekst geinspireerd werd door een „Bilderbogen", ibid., biz. 68. — 2 Zie D.Th. Enklaar, De dodendans, Amsterdam, 1950, biz. 134. —
3 H. Rosenfeld, a. w., biz. 69. —
* Die Ghetyden van onser liever vrouwe met vele schone lovende oracien. Gedrukt te Parijs den 25en april 1509. Zie N.C. Kist, Het humoris-tisch karakter der christelijke kunst, in Nederlandsch Archief voor Kerkelijke Geschiedenis, LV (1844), biz. 468 vlg. Zie 00k Van Moerkerkcn, De satire, biz. 161. —
5 Reprodukties in Rond den Heerd, III (1868), biz. 405, 415; IV (1869), biz. 8, 22, 51, 60, 70, 78, 94, no, 123, 134, 416. Deze prenten zijn gesigneerd met een curieuze hoofdletter A, waarvan het linker-been versierd is met onderaan een krul naar links en bovenaan een krul naar rechts, zodat deze signatuur 00k kan op-gevat worden als een monogram samengesteld uit de letters S en A. Volgens de Biographic nationale, XV, biz. 663-671, is bedoelde signatuur van de hand van Arnold Nicolai; zie 00k deel XXII, biz. 511, SA = A. Sylvius = van den Bossche, geb. Antwerpen, 1525. —
6 J.C. Schultz-Jacobi, De Nederlandsche doodendans, Utrecht, 1849.
415
E. van Heurck en G.J. Boekenoogen achtten deze zienswijze ongegrond en hadden voorgeno-men, in een jammer genoeg nooit verschenen publicatie, te bewijzen dat de oorsprong van de floskaartjes zou te zoeken zijn in een van de alleroudste vormen van het kaartspel, het tarokspel1. Een argument ten voordele van de thesis van Van Heurck en Boekenoogen is het feit dat Schultz Jacobi •/elf enkele getuigenissen aanhaalt, waaruit blijkt dat de floskaartjes in de i8e eeuw en in zijn eigen tijd nog in verschillende plaatsen van Nederland gebruikt werden als speelkaarten.
Nochtans sluit de ene sterling de andere niet uit. Want van een soort tarokkaarten, de zogenaamde kaarten van Mantegna van 1485, is bekend dat het oorspronkelijk instructieve platen waren voor de jeugd 2.
Op de oude Venetiaanse tarokkaarten waren o. m. afgebecld de paus en de pausin, de keizer en de keizerin, de duivel en de dood 3. Heeft er een rechtstreeks verband bestaan tussen de oudste floskaartjes en het tarokspel, dan is het toch duidelijk dat in beide de grondgedachtc te vinden is van de dodendans:
Waar men zig keerd of wend Men vind de dood in het End *.
Dat de floskaartjes 00k bestemd waren als stichting van de jeugd, blijkt uit het opschrift boven e'en van de late uitgaven van floskaartjes (Glenisson & Zn. nr. 165):
Deez' prente strekke U, lieve jeugd! Tot tijdverdrijf, vermaak en vreugd, En leere U, hoe, van keizer af, Elks deel op 't laatste is het graf.
Hetzij de floskaartjes rechtstreeks afstammen van een voorstelling van de dodendans, hetzij ze .ilstammelingen zijn van de tarokkaarten, in elk geval kunnen we aannemen dat ze van Duitsland naar de Nederlanden gekomcn waren. De paus en de pausin zijn uit deze kaartjes verdwenen, maar daarentegen vinden we op bijna alle Nederlandse uitgaven van floskaartjes een bisschop en een bis-schopsvrouw. In het protestantse Duitsland is de bisschopsfunctie blijven bestaan en daar het verplicht 1 elibaat was afgeschaft, zien we hier de bisschopsvrouw verschijnen. Op de uitgaven van de katholieke uitgevers is deze bisschopsvrouw bisschopsmeid of abdis geworden.
Deze floskaartjes hebben gedurende ruim twee eeuwen buitengewoon veel succes gekend en waren bekend onder verschillende benamingen: flikje, pentertje, te Enkhuizen schipperkaartje 5, verder: oefken, tritsjc, krieuwelkaart, bobbelspel en kleine klets 6. Meer dan dcrtig uitgevers hadden floskaartjes in hun fonds opgenomen. Sommigen hadden er twee of meer verschillende uitgaven van, |. No man te Zaltbommel had er zelfs vier.
418
Een spinnende zeug was afgebeeld op de zuidertoren van de kathedraal van Chartres1 en op ecu gevelsteen van een I5e-eeuws huis op de „Marche aux Poirees" te Rouaan 2. Andere voorstellingcn vindt men op de koorges'-oelten van de Sint-Nicolaaskerk te Amsterdam 3 en van de Sinte-Kathariiui-kerk te Hoogstraten (plaat XIII). Als uithangteken had de spinnende zeug vooral succes in Frankrijk 4. Te Chartres was er ook een drukker, uitgever van volksprenten, die ,,la truie qui file" als uithangteken voerde 5.
De Nederlandse prenten met spinnende varkens kunnen ingedeeld worden volgens twee typen : een staand en een liggend type. Tot het eerste behoren twee I7e-eeuwse prenten gedrukt met 15c-eeuwse houtblokken ook een Zuidduitse houtgravure van omstreeks 1490. Op de oudste houtsnede (plaat XIII) 6 zijn de teksten gegraveerd in de prent, op banderollen, zoals zulks veel voorkwam op I5e-eeuwse gravures, vooral in de blokboeken. Deze teksten lezen we als volgt (de aangevulde af-kortingen staan tussen haakjes):
O mod(er) cande(n) wi(j) also make(n)
dat wij de cost opt strat niet en moeten rapen
Altoos moet ic spin(n)e(n) en my broet surlic winnen.
Deze tekst, Oostncderlands of Ncdcrduits, kunnen we interpreteren als volgt: De biggen (de kin-deren) verzuchten: O moeder, konden wij het toch zo gedaan krijgen dat wij niet verplicht waren de kost op straat te moeten rapen (te moeten bedelen). De zeug (de moeder) zegt dat zij altoos moet spin-nen om met moeite haar brood te verdienen. Het is een soort klaaglied op de harde, moeilijke tijd.
Om de originele betekenis te verklaren van deze prent mogen we geen rekening houden met het later bijgedrukte opschrift: Degroote sterfte onder de Westphaelse Wijven / en hoe dat de Verckens moeten spinnen / om voor de mannen de kost te winnen. Deze tekst dateert inderdaad uit de 17c eeuw.
Het is weinig waarscbijnlijk dat oorspronkelijk met de voorstelling van een spinnend of een musi-cerend varken een satire op bepaalde misstanden bedoeld was. Evenals spinnende varkens kendc men ook spinnende apen zowel op miniaturen (plaat XIII) 7 en prenten 8 als op uithangtekens 9.
De voorstelhngen van dieren die handelen als mensen, zoals afgebeeld op ontelbare middeleeuwsc kunstwerken, waren oorspronkelijk niets anders dan parodieen van dc mens door het dier, en hadden vermoedelijk geen ander doel dan de toeschouwer te vermaken. Doch de teksten op de banderollen van de hier besproken prent wijzen erop dat men aan deze voorstelling, in de 15c eeuw reeds, een so-ciale betekenis toekende. Uit het gedrukte iye-eeuwse opschrift boven deze I5e-eeuwse gravure blijkt dat deze voorstelling later gebruikt werd als een sociaal-politieke satire. De ,,Westphaelse wijven" uit dit opschrift doelen op de beroerde toestanden in Westfalen, toen de troepen van de vorst-bisschop
__________________
1 M. Jusselin, Imagiers & carriers a Chartres, Parijs, 1957, biz. 70. —
2 Th. Wright, Histoire de la caricature et du grotesque, 2e uitg., Parijs, 1875, biz. 87. —
3 Maeterlinck, Le genre satirique. Sculpture, biz. 286, afb. 191. — 4 Champfleury, Histoire de la caricature au moyen age et sous la renaissance, 2e uitg. Parijs, z. d., biz. 192. „Une idee plaisante, la parodie de l'homme par les animaux, dont on voit les premiers jalons sur les monuments, se complete dans l'esprit des peintres. C'est la truie qui file, dont le symbole s'est perpetue pendant pres de six siecles, car on en trouve encore quelques reproductions sur les enseignes d'anciennes villes".
5 Jusselin, a. w., biz. 70. —
6 Collcetic Muller, nr. 2541, 1 b. —
7 In de randversiering van folio 31 van een I5e-eeuws getijdenboek, codex 1857 van de Osterr. Nationalbibliothek te Wencn, zijn op dezelfde pagina een spinnend varken en een haspelende aap afgebeeld. Op folio 19 van een i4e-eeuws missaal, codex 78 D 40, uit de Koninkl. Bibliotheek van Den Haag is ecn aap afgebeeld met spinnewiel en cen andere met haspel. Op folio 80 van een I4e-eeuws psalter, nr. 249 van de „Bibliothequc de la Socicte d'Archeologie lorraine" te Nancy, ziet men twee apen die een draad af haspelen. —
8 Een spinnende aap is voorgesteld op een merkwaardige Italiaanse volksprent uit het einde van de 15c of het begin van de i6e eeuw. Een exemplaar van deze prent is bewaard in het Prentenkab. te Amsterdam (Italiaanse Houtsneden, VI, nr. 776), en een ander in het fonds Soliani te Modena. Zie Bertarelli, L'imagerie populaire italienne, Parijs, 1929, biz. 7. —
9 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, III, biz. 180 : apen aan het spinnewiel op uithangteken van 1460 te Gent, en uit de 17c eeuw op gevelsteen aan een huis op de Lindengracht te Amsterdam.
naar de executieplaats, fragment van een der kapitelen van de kloostergang van de kathedraal van Tarragona (^ 1300).
— Onder: twee randversicringen uit het i4c-eeuwse Horley-manuscript nr. 6563 van hct British Museum, ff. 71V.
en 72r.: de kat beschiet de rattenburcht, ff. 72V. en 73r.: de ratten bestormen de kattenburcht.
420
van Munster, Christoffel Bernhard van Galen, het land onveilig maakten en de dorpen leegplundn den (1650-1678). Bernhard van Galen stond in Nederland bekend als de ,,Zwijnen-Bisschop" *. Hcl verwondert dan ook niet dat op een andere prent met dezelfde spinnende varkens 2 de bijgevoc tekst een rechtstreekse aanklacht vormt tegen de ellende van het Westfaalse volk onder de heerschappi| van „Barent" (Bernhard van Galen). Dit onderschrift luidt:
De haspelende Bigge spreeckt:
Mocht mijn haspelen ons wat baten 'k vrees voor Ruyters en Soldaten Wee en wraeck Westphalens Oort Van de grote Verckens Moort Maar wij hopen door het spinnen Lijf en Leven noch te winnen.
De spinnende Bigge spreeckt:
Ach wy arme Creaturen / Moeten spinnen met veel treuren Moeder was 't dan nog genoeg / Dat men ons niet doot en sloeg Booze Ruyters 'k mag niet denken Doden ons om onse Schenken Dat men geen van 't swijns geslagt Vint of't wert al omgebracht.
De Moer van de Verckens spreeckt al spinnende:
Lieve Biggen / lieve kinderen / Kan ons iemant meerder hinderen / Nu wy moeten als een wijf Spinnen / Haspelen even stijf Wijl dat Barent ons doet grijpen En doet dansen naar sijn pijpen Nu de doot Westphalen schent En veel Vrous in d'aerde sent / Barent moet nu geld fineren Doet sijn Verckens spinnen leeren Daer hy mee syn Dolck betaelt.
Tot deze groep behoort nog een derde houtgravure, een Duitse incunabelprent uit de Oostcn-rijkse staatsbibliotheek te Wenen 3. Hier ook dezelfde voorstelling als op de twee vorige prentcn te midden hoog op een stok het met bloemen versierde spinrokken, rechts de spinnende zeug op een kussen, links boven op een dwarsstok een spinnend biggetje, links onder een biggetje met haspel en
___________________________________________
1 Zie Van- Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens* I, biz. 46. In Deventer stond erop het uithangbord van een blaasbalg-maker te lezen :
In Barend van Galen, den bisschop der Zwijnen, Maakt men blaasbalken bij dozijnen.
en bij een spekslager was ,,Barend" afgebeeld, rijdend op een varken, met het onderschrift :
Hier ziet gij Barent van Galen........
Als oppertse jager meester van de Westfaalsche Swijnenjagt.
2 Coll. Muller, nr. 2541, 1 a. — 3 F.M. Haberditzl, Einblattdrucke des XV. Jahrhunderts in der Hofbibliothek zu Wien, I, Die Holzschnittc. Wenen, 1920, biz. 42.
421
garenklos. De tekst gegraveerd in de prent is niet in banderollen geplaatst, maar in omlijnde recht-liockige vlakken, een procede dat niet vreemd was aan de I5e-eeuwse blokboeken. De prent is erg beschadigd, maar uit de bewaarde teksten kan men toch opmaken dat de kunstenaar hier niet alleen .lock op de slechte, dure tijd, maar vooral op een ander thema, de strijd om de broek: ,,Die fraw ist lierr und nit der man".
Van het tweede type zijn twee Nederlandse volksprenten bekend en een Russische. Op deze i^ravures is het tafereel voorgesteld in de breedte1. Geheel rechts aan de open haard zit een vrouw, met het hoofd rustend op haar hand, bij een spinrokken, links van het spinrokken zit een zeug te spinnen, verder in de kamer zijn nog vier biggetjes waarvan er een bezig is te haspelen, een tweede aan het winden is, een derde aan het repelen en het vierde aan het braken. Op de Russische prent zijn daarenboven nog een paar varkentjes meer afgebeeld waarvan er een in een grote mortier stampt (olie perstj) en het andere het vlas over een groot mes haalt. De Russische prent is de jongste van de dric en, behalve de toevoegingen, een getrouwe kopie van de Nederlandse prent2.
De oudste van deze prenten is gedateerd 1673 en werd uitgegeven door Jan Bouman te Amsterdam. In de i8e eeuw verscheen hiervan een kopie op naam van Gysbert de Groot-Keur en bij J. Kannewet te Amsterdam onder het volgnummer *94. De titel luidt Hier ziet men de Varkens Haspelen en Spinnen! Om zo haar zobere kost te gewinnen, en onder de afbeelding staat een gedicht afgedrukt van vierentwintig versregels waarvan de volgende lijnen zeer duidelijk de bedoeling weergeven van deze prent: een sociale satire op de ongelijkheid in deze wereld.
Soo ongelijck het veel onder de mensen gaet Daer d'een moet werken en noyt schier ledigh staet Heeft d'ander niet te doen als wand'len op de weegen En als 't haer maer eens lust een glaesjen wijn te leegen.
Op een andere prent, uitgegeven door J. Kannewet, maar gedrukt op naam van de erve Hendrik van der Putte (nr. *i7) zijn vier taferelen afgebeeld: Varkens die spinne / Katte die zinge / Honden die Teere / en Aapen die Scheere. Het eerste tafereel heeft als onderschrift:
Wy Varkens Spinnen / Haspelen / en Braken / Om zo met eere aan de kost te raken.
Dit brengt ons terug tot de betekenis van de eerst besproken prent: men moet hard werken om door het leven te komen.
Naarmate de volksprenten ovcrgingen naar de kinderkamer, verdwenen dergelijke onderwerpen uit de fondsen van de prentendrukkers. De „spinnende varkens" komen slechts voor bij drie i8e-eeuwse uitgevers en werden in de I9e eeuw niet meer herdrukt.
______________________________
1 Een hiervan is afgebeeld in Van Heurck en Boekenoogen, I.P.P.B., biz. 43. —
2 Duchartre et Saulnier, L'imagerie populaire russe, Parijs, 1961, biz. 43.
422
2. DE OORLOG VAN DE RATTEN (MUIZEN) TEGEN DE KATTEN
DE strijd van de ratten tegen de katten is eigenlijk een uitweiding van het motief: de opstand van de onderdrukte tegen de verdrukker, een motief dat onder verschillende vormen voorkonn in de allegorie van de Verkeerde Wereld.
Zoals we in het volgend hoofdstuk zullen zien, gaan verschillende Verkeerde-Wereld-motievm uit van de gedachte: wraak van de zwakke op de sterke. Tot deze motieven behoren de haas An-jacht maakt op de jager, de vis die de visser vangt, de os die de slager slacht, evenals de rat of de inur. die de kat achtervolgt en onderwerpt.
Reeds in de Egyptische oudheid en in het oudc Oosten was dit laatste motief zeer gelicfd ' Jean Capart2 vermeldt een ostracon uit de collectie Albott waarop een muis afgebeeld is, gezetcn in een stoel, en welke onderdanig gediend wordt door een kat. Ook op papyri uit de musea van Kai'io, Londen en Turijn komen taferelen voor waarop muizen voorgesteld zijn als heersers over de katten. Op een van deze taferelen is de koningin van de muizen afgebeeld gezeten op een strijdwagen, M rukt ten aanval tegen de stad van de katten.
Dc belegering van de kattenburcht welke we kennen uit een Egyptische papyrus, wordt ook a I bccld in de randversiering van een I4e-eeuws getijdenboek uit het British Museum te Londen 3. Op twee tegenover elkaar liggende bladzijden wordt de rattcnburcht voorgesteld, beschoten door dc kat, op de twee daaropvolgende bladzijden ziet men de kattenburcht bestormd door de ratten (plaat XIV). In 1556 hing in de ectkamer van de Kortrijkse kannunnik Hanneron ,,een tapytz van den ratten orlooghe" 4.
De mooiste voorstelling is te vinden op een i8e-eeuwse volksprent (Kannewet, nr. *y), gedruki met het blok van een i6e-eeuwse houtgravure: een middeleeuwse burcht met torens en kantelcn wordt verdedigd door de katten, aan de hoogste toren hangt een rat aan een strop; de ratten belegeren de burcht met een oorlogsschip, met ruiterij en voetvolk, en beschieten de vesting met mortieren 5. In 1781 kwam dit i6e-eeuwse houtblok in het bezit van de firma S. en W. Koene te Amsterdam 6, welke zich door een heruitgave van deze gravure heel wat last op de hals haalde. In februari 1797 werden de firmanten van dit bedrijf voor het ,,Comite voor Waakzaamheid" gedaagd, omdat zij gedrukt en verspreid hadden ,,een revolutionaire en rustverstorende Print die op hun patriotten of keizer nu in deese tijd toepasselijk gemaakt is...". Geen excuses hielpen, S. en W. Koene werden ver-oordeeld en al de exemplaren van de gewraakte prent werden verbeurd verklaard 7. Dit is weer een voorbeeld, hoe aan een allegorische voorstelling, in bepaalde omstandigheden, een sociale of pohtieke betekenis toegeschreven werd, geheel vreemd aan de originele betekenis.
Zoals Johannes Bolte heeft aangetoond, duikt in de 17c eeuw de oorlog van ratten (muizen) en katten op in de Duitse ,,Bilderbogen" 8. Op prent 66 van Paul Fiirst, Der Maus- und Katzenkrieg, wordt eveneens de „Belagerung einer Festung" voorgesteld. We hebben deze prent niet gezien en weten niet of ze verwant is met de Nederlandse prent.
Een andere episode uit de strijd van de ratten tegen de kat is de gevangenneming van de kat. Een cerste stap is de omsingeling van de kat door de ratten, zoals deze afgebeeld is op een i5e-eeuws
_________________________________
1 E. Brurmen-Traut, Der Katzen-maiiser-krieg im alten und neuen Orient, in Zeitschrift der deutschen morgenlandischen ge-scllschaft, CIV (1954), biz. 347. —
2 Jean Capart, Makit, une histoire de souris au temps des Pharaons, Brussel, 1937. —
3 Harley Ms. 6563, ff. 7iv-72r., 72v-73r. —
4 Biekorf, LXIII (1962), biz. 160. —
5 Reprod. Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 545 en I.P.P.B., biz. 29. —
6 Een aantekening op een los blad bij de uitgave van 't Rattenschip van S. & W. Koene, in de collectie Waller te Amsterdam, vermeldt dat de uitgevers het houtblok van deze prent gekocht hadden in 1781 op de „auksie" van het fonds Kannewet. —
7 De Navorscher, 1894, biz. 705. —
8 J. Bolte, Bilderbogen des 16. und 17 Jahr-hunderts, in Zeitschrift des Vereinsfiir Volkskunde, XVII (1907), biz. 427, noot 1; XX (1910), biz. 195-202.
423
I 1 Ulhiuwwerk van de kerk van Kempen (Duitsland). De kat is omringd door vier ratten en deze
11 een bel bij om „de kat de bel aan te binden" 1. Op een unieke en uiterst naieve volksprent
IV) uitgegeven door Abraham Kanjewiele te Leiden, zien we eveneens de kat omringd door de
rii muizen. Het opschrift van deze prent luidt: O Kat Wilt dit dogh wel verstaen / Gij zijt van
Miiyt en Rot gevaen.
I in andere episode uit deze strijd: de kat is vastgebonden en wordt naar het executieplein gevoerd.
i-pisode vinden we reeds afgebeeld op een kapiteel van een kloostergang uit de I2e eeuw beho-
bij de kathedraal van Tarragona 2. Dit beeldhouwwerk is bekend onder de naam „Procesi6n
■ I I.is Katas". De kat is vastgebonden op een draagbaar en wordt gedragen door ratten en muizen,
de draagbaar zien we de beul, de rat met een bijl op haar schouder, dezelfde groep wordt voor-
lan door een lange stoet van ratten met banieren, wijwatervaten, kwispels en wierookvaten.
I let wegvoeren van de gevangen kat is op zeer geestige wijze voorgesteld op een paar Russische
■ ilksprenten uit de i8e eeuw 3. Hier is de kat vastgebonden op een slede getrokken door ratten en
muizen; achter de slede stapt de grafdelver met een spade in de hand, in de stoet welke deze groep
/elt, zien we o. m. een trompetblazer en een trommelaar, alien ratten natuurlijk.
Op een Nederlandse kinderprent van het jaar 1721 (afb. 57) uit het fonds De Groot te Amsterdam,
W "iden drie episodes afgebeeld uit de strijd van de kat en de ratten: i° de kat in monnikspij die tracht
Bi 1 atten te verschalken, 2° de kat opgesloten in een grote muizeval omringd door dansende muizen
en loerende ratten, 30 de kat aan de galg. Het tweede tafereel van deze prent, de kat in de muizeval,
1 I'ckend uit de i7e-eeuwse literatuur en diende in de i8e en 19c eeuw als uithangteken. Vondel
/mspcelt erop in zijn Roskam:
Maer nu is't Muysenvreughd, de kat zit in de val.
Ben afbcelding van de kat opgesloten in een muizeval, met het opschrift ,,De Muizenvreugd", deed m de tweede helft van de vorige eeuw dienst als uithangbord van een tapperij in de Herenstraat te AI kmaar en van een herberg in de Sint-Luciensteeg te Amsterdam 4.
Het laatste tafereel op de prent van De Groot stelt de slotepisode voor van de strijd van de katten en de muizen. De muis aan de galg zien we reeds afgebeeld op een I3e-eeuwse bijbel uit de Koninkl. Bibliotheek te Brussel (Hs. 10730 f. 345 v), onderaan de galg trekken twee muizen aan de strop. Op een misericordia van omstreeks 1480, uit de kerk van Malvern in Engeland, zijn het drie muizen die dc kat aan de galg hangen 5.
De houtblokken van de i8e-eeuwse prent uit het fonds De Groot met het slottafereel, de kat aan dc galg, is achtereenvolgens in het bezit gekomen van Johannes Kannewet, van de firma Stichter, bcide te Amsterdam, van de firma Noman te Zaltbommel, van de firma Van Staden terug in Amsterdam en tenslotte van de firma Hemeleers te Schaarbeek (Brussel). Al deze uitgevers hebben jaar in jaar uit, tot het begin van deze eeuw, duizenden prenten gedrukt van dit houtblok en bij jong en oud de overwinning verheerlijkt van de kleine muis op de grote, vette kat. Deze eeuwenoude traditie wordt heden ten dage voortgezet door Walt Disney met zijn onvergankelijke Mickey Mouse. *
_____________________________________
1 Evans, Animal Symbolism, biz. 242. Zie ook Maeterlinck, Le genre satirique, sculpture, biz. 276. —2 Evans, a. w., biz. 207. We danken hier%le „Direccion General del Turismo" van de stad Tarragona, welke ons zeer welwillend de nodige documentatie verstrekt heeft over het beeldhouwwerk, de „Procesion de las Ratas".—3 Duchartre, Im. pop. Russe, biz. 164. — L'art Dhoratif, XV (1913), biz. 201. — 4 Van Lennep en Ter Gouw, De uithangteekens, III, biz. 188-189. — 5 F- Bond, Wood Carvings in English Churches. I. Misericords. Londen, 1910, biz. 192. — Ook op een I9e-eeuwse Spaanse volksprent (Antonio Bosch nr. 32) werd de kat afgebeeld, opgehangen door de ratten. Zie : J. Amades, Imageria Catalana. Les auques.
2 din. Barcelona, 1931, plaat LII.
424
3. ALLEGORISCHE PRENTEN MET APEN
Apen die spelen en werken als mensen, komen vroeger en veelvuldiger voor in de middeleeuwsc kunst dan de musicerende en spinnende varkens.
In de oud-christelijke en in de vroeg-middeleeuwse kunst was de aap een zinnebeeld van de duivel *. De aap heeft soms 00k de slang vervangen in het verhaal van het aards paradijs 2. Toen omstreeks de twaalfde eeuw de natuurwetenschappen een vernieuwde belangstelling kenden, vooral onder de impuls van Albertus Magnus' Summa de creaturis, de animalibus, werd de nadruk gelegd op de gelijkenis tussen aap en mens (similitudo hominis). Het werd dan 00k vanzelfsprekend dat, waar dieren voorgesteld werden als mensen, de apen hicrvoor het eerst in aanmerking kwamen. De apenschool behoort tot de oudste voorstellingen van deze allegorieen. In de randversieringen van een i3e-eeuws handschrift uit de Koninkl. Bibliotheck tc Brussel 3 is een school afgebeeld met apen: de ,,meester", met roede en plak, zit in een zetel, drie leerlingen zitten vlijtig te lezen in een boek. Een andere apenschool is afgebeeld in een i4e-eeuws manuscript, afkomstig uit Vlaanderen of Noord-Frankrijk en thans bewaard te Nancy 4. Een apenschool vindt men 00k afgebeeld op een i6e-eeuwse kopergravure van Pieter van der Borcht 5 en op de kinderprenten van de wed. H. van der Putte nr. 150 (afb. 130) van J.H. de Lange (nr. 83) en van J. Kannewet (nr. 88).
In het vorige hoofdstuk werden naast spinnende varkens, 00k spinnende apen vermeld. In een I4e-eeuws missaal uit de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag 6 zijn apen voorgesteld met haspel en spinnewiel, apen aan het kegelspel, een aap die koren dorst met de vlegel, een aap die vist en een aap die vogels vangt. Ook op een aardige kinderprent van Jacobus Conynenberg (nr. 109, afb. 66) ziet men een aap aan het weefgetouw, een aap bij het dorsen, een andere die gewapend is met zwaard en buks, nog een andere die de trommel slaat, enz.
Apen als jongleurs staan afgebeeld in een i4e-eeuws handschrift van Maerlants Spieghel Histori-ael 7, en op folio 21 van het genoemde Haagse missaal ziet men een aap die danst op de koord, ook op de reeds vermelde prent van Jacobus Conynenberg zijn vijf tafereeltjes opgenomen met voorstellingen van de aap als koorddanser.
Een i6e-eeuwse gravure van P. van der Borcht 8 stelt een chirurgijns- en barbierswinkel voor, waar apen scheren, haarknippen en aderlaten. Op prent nr. 150 van de wed. H. van der Putte is naast de apenschool ook een chirurgijns- en een barbierswinkel afgebeeld 9 met het onderschrift :
Hier aderlaaten en scheeren de aapen met fatsoen Geen barbiersjongen kan het beter doen.
_________________________
1 W.H. Janson, Apes and Ape Lore in the middle ages and the renaissance, Londen 1952, biz. 13-28. —
2 Ibid., biz. 107 : „The ape and the fall of man". —
3 F. Lyna, De randversiering in de Vlaamse verluchte handschriften van het Gotisch tijdvak. De Tijdspiegel, XIV (i960), biz. 88. —
4 Ms. 249 van de „Bibliothcque de la Societe d'Archeologie lorraine", f. 41V. —
5 Muller, Historieplaten, supplement nr. 418 I. —
6 Missale Romanum, ms. 78 D, 40. Gelijkaardige voorstellingen vindt men ook in een ander I4e-eeuws missaal uit de bibliotheek van Amiens, zie hierover V. Moerkerken, Satire, biz. 209-209; Maeterlinck, Legenre satiriquc, peinturc, biz. 62.—
7 Van Moerkerken, Satire, biz. 214.—
8 Muller, Historieplaten, IV, biz. 41, nr. 418 K. —
9 Deze chirurgijns- en barbierswinkel komt ook voor op de prenten 88 van Kannewet en 83 van J.H. de Lange.
425
Keas hake een Vrouwenbeeld, een Troniecje zeer aardiff; Is zyn Gereedfchap bat, zyn Maat die flypt het vaardig.
Gedrukt by de Etv£ de Weduwe JACOBUS van EGMONT: op de Reguliers Breeitraat, te Amfterdam. Afb. 129. Apen als beeldhouwers, houtsnede van Hendrik Numan. (Coll. Waller.)
Een andere merkwaardige chirurgijns- en barbierswinkel komt voor op prent nr. 17 van Kannewet, op naam van de erve H. van der Putte (afb. 128). Hier worden katten geschoren door apen, en ilc ene aap doet een aderlating op het been van een andere aap.
We menen dat deze voorbeelden voldoende aantonen dat het gebruik om apen voor te stellen als mensen, veel verder teruggaat dan tot de apen-taferelen van David Teniers, zoals G.J. Boeken-oogen meende1. Teniers en de graveurs van de volksprentcn steunden op een oude traditie.
We vestigen ook nog de aandacht op een zeer expressieve iye-eeuwse houtgravure, uitgegeven door S. en W. Koene te Amsterdam (afb. 61). Apen stellen hier welgestelde heren voor met grote pluimen op hun hoed, heren die oesters eten en wijn drinken, musiceren en dansen en roken, en aller-lei spelen beoefenen zoals kegelen, dammen en kaarten.
Hendrik Numan die behalve schilder en graveur ook uitgever was van prenten, en die zich zelf ,,houte konstplaatsnijder" betitelde, heeft een prent gegraveerd en zelf uitgegeven waarop twee kunstenaars zijn afgebeeld als apen, op de bovenste helft een schilder, op de onderste helft een beeld-houwer (afb. ^9). Deze prent werd later herdrukt door J. van Egmont (nr. 17) en gekopieerd door de graveur H^an Lubeek, voor rekening van de uitgever J. Thompson te Rotterdam (nr. 42). Die-
________________________________
1 Van Heurck en Boekenoogen, I.P.P.B., biz. 28. Ook F. Midler hield er een gelijke mening op na : „Deze manier om de menschelijke bezigheden en gebruiken, als door apen verrigt voor te stellen, schijnt van Teniers afkomstig te zijn". Historieplaten, III, biz. 135.
426
zelfdc Van Lubeek, graveerde een originele apenprcnt met zesendertig tafereeltjes. Van deze prent, verschenen bij een onbekende uitgever, is een exemplaar bewaard, gedrukt op naam van de gebroe-ders Van Kapel, wederverkopers te Delft. Zij is verwant met de gereproduceerde prent van Jacobus Conynenberg (afb. 66) en met de prent nr. 80 van J. Kannewet nr. 344 van J. Noman.
Een andere Nederlandse houtgraveur, A.C. Cranendoncq, graveerde voor de firma Hendriksen cV Ulrich te Rotterdam een prent van vierentwintig taferelen met apen: leurders voorgesteld als apen en allerlei hniselijke toneeltjes waarin de vrouw eet, drinkt en goede sier maakt en de echtgenoot moet schuren en schrobben en daarbij nog bedreigd wordt met de roede en tenslotte het huis uit gejaagd wordt. De houtblokken van deze prent zijn omstreeks het midden van vorige eeuw in het bezit ge-komen van de firma Brepols te Turnhout (nr. 153).
De voorstelling van de vrouw die de broek draagt, heeft haar meest populaire uitdrukking ge-vonden in de geschiedenis van Jan de Wasser. De twee voornaamste Belgische uitgevers van kinder-prenten hebben de geschiedenis van Jan de Wasser ook met apen uitgebeeld: de firma Brepols in prent 125 en de firma Glenisson en Van Genechten in prent 32.
Tenslotte vermelden we nog prent nr. 80 van de firma Van Staden. Deze firma was in het bezit gekomen van zestien houtblokken met apen en kende vermoedelijk de betekenis van deze voorstel-lingen niet. Van Staden heeft er een Baron-van-Miinchhausen-prcnt van gemaakt, voorstellende een reis van Miinchhauscn naar de maan. Hier zijn de apcn maanbewoners gcworden. Eigenlijk geeft deze prent niets anders dan traditionele voorstellingen van de apenschool, van apen als chirurgijns en barbiers, van apen die spelen (damspel, kolfspel), van drinkende, rokende en musiccrende apen.
428
4. DE WOLF ALS DOKTER
De wolf die dokter speelt tegenover geiten en schapen is een variante van de vos die de passie preekt voor de ganzen. Deze laatste allegorie welke ons goed bekend is uit het spreekwoord „als de vos de passie preekt, boer, pas op je ganzen", werd herhaalde malen voorgesteld op het houtsnijwcrk van de gotische koorgestoelten 1. De wolf als dokter kennen we enkel uit een vroeg-i7e-eeuwsc volksprent van een onbekende Nederlands uitgever (afb. 37).
Op deze prent zien we een i6e-eeuwse huiskamer: de wolf als dokter is gezeten achter zijn werk-tafel en houdt een urineglas in de hand, een geit komt de dokter raadplegen. De titel van de prent luidt: Dat nu die Wolff een Doctoor wilde wesen \ Ende wil die Gey ten en Schapen \\ ghenesen / Snick wonder heeft niemandtgehoort ofghelesen. Door deze voorstelling en vele andere, gelijkaardige ,,ongehoorde" mo-tieven, zijn talrijke dierenallegorieen nauw verwant met de voorstellingen van de Verkeerde We-reld, en werden zij hierin soms 00k opgenomen zoals wordt aangetoond in het volgende hoofdstuk.
C. DE VERKEERDE WERELD
Waar varkens spinnen en apen school houden verkeert men in een Verkeerde Wercld. Dieren die spreken, dieren die handelen als mensen maken geen deel uit van onze wereld, maar van een Verkeerde Wereld. Dit thema is bijna zou oud als de menselijke beschaving. In de konings-graven van Oer werd een schaal teruggcvonden van meer dan tweeduizend jaar voor Christus, waarop dieren afgebeeld staan als mensen. De Egyptische ,,sabyrische" papyri vormen de overgang van de Soemerische naar de Griekse fabels; de musicerende dieren spelen daarin een belangrijkc rol 2. Een varken dat de pijp rookt, een bok die barbier speelt, een koe die gras maait met de zeis, vinden we steeds nog afgebeeld op Verkeerde-Wereld-prenten uit dc vorige eeuw (afb. 131).
Doch de voorstellingen van de Verkeerde Wereld beperken zich niet tot afbeeldingen van dieren, waarbij de geestigheid enkel bestaat in het absurde van de voorgestelde handeling. Aan de voorstellingen welke sedert de middeleeuwen de Verkeerde Wereld genoemd worden, ligt meestal een hekelende of een didactische strekking ten grond. Deze strekking heeft de Verkeerde Wereld gemeen met de meeste spreckwoordcn.
Zomin als er een scherpe grens te trekken is tussen de dierenallegorie en de Verkeerde Wereld, zo-min bestaat er een absolute scheiding tussen de voorstellingen van de spreekwoorden en de uitbcel-dingen van de Verkeerde Wereld. Trouwens L. Fruytiers heeft zijn spreekwoordengravure, welke hij in het Nederlands ,,de blauwe huyck" noemt, in het Frans betiteld: ,,Par ce dessein il est monstre les abus du monde renverse". Inderdaad zijn afbeeldingen van zegswijzen als „bij de duivel te biecht gaan", ,,rozen voor de varkens", „tegen de maan pissen" evengoed op hun plaats in een Verkeerde Wereld als op een spreekwoordentableau. Doch de volks- en kinderprentcn, verschenen onder de titel „De Verkeerde Wereld", vormen een afzonderlijke categorie, zoals 00k de spreekwoordenprenten een afzonderlijke categorie vormen en de prenten met dierenallegorieen eveneens een eigen reeks uitmaken. Niettegenstaande hun nauwe verwantschap hebben wij elke categorie afzonderlijk be-handeld.
_________________________
1 O. m. te Kortrijk en te Walcourt in Belgie, zie Maeterlinck, Genre satirique, sculpture, biz. 76 en 176; te Beverley in Enge-land, zie A. Gardener, A handbook of english medieval sculpture, Cambridge, 1935, biz. 315, en te Kempen in Duitsland, waar de vos niet preekt, maar de biecht hoort van een hen, zie E.P. Evans, Animal symbolism in ecclesiastical architecture, Londen, 1896, biz. 242. —2 F. Lyna, De randversiering in de Vlaamse verluchte handschriften tijdcns het Gotisch tijdvak. De tijdspiegel, XIV (i960), biz. 86.
429
In de meest recente studie over het onderwerp, ,,Mundus Inversus" van O. Odeniusl, heeft de auteur de middeleeuwse ,,ecclesiastical didactic" als voornaamste kenmerk aangewezen van de Verkeerde Wereld. Doch onder de naam Verkeerde Wereld zijn voorstellingen gegroepeerd van zeer verschillende strekking. Naast de louter humoristische en de didactische strekking speelt vooral de satirische strekking een belangrijke rol.
Het oudste en meest geliefde Verkeerde-Wereld-motief, dat van de middeleeuwen af tot in de vorige eeuw herhaaldelijk werd uitgebeeld 2, is dat van de jager die achtervolgd, geschoten of ge-vangen wordt door het wild. De oudste voorstelling van dit motief vinden we op folio 51 van het zeer mooie i3e-eeuwse getijdenboek van graaf Gwijde van Dampierre: een haas blaast op de jacht-horen en achtervolgt de jager met zijn jachthond, links op hetzelfde blad zien we de haas die de jager als buit aan een stok over de schouder draagt. Hetzelfde onderwerp komt voor op een kopergravure ontworpen door Pieter van der Borcht (± 1570) en uitgegeven onder de titel: Wraecke der dieren teghen de iaghers ende jacht-honden, door Carolus Collaert. Dit en verschillende andere van deze middeleeuwse Verkeerde-Wereld-motieven kunnen we zien als sociale of politieke satiren: de wraak van de zwakke op de sterke. De zwakke die de sterke achtervolgt vinden we op de prenten voorgesteld als „Het wilt jaecht de jager" (Ewout Muller, afb. 12, onderste rij, links), de haas achtervolgt de hon-den (nr. 10, Wellens & Delhuvenne, nr. 68 onbekende uitg. C), en de vis vangt de visser (nr. 76 van Van Egmont, nr. 49 van Hendrik van der Putte, nr. 32 van Ratelband & Bouwer, nr. 12 van Rynders, nr. 41 van Thompson en nr. 66 van Stichter; alsook op de Belgische ioe-eeuwse prenten nr. 36 van Glenisson & Van Genechten en nr. 10 van Wellens & Delhuvenne).
Nauw verwant met dit motief is de voorstelling van de os die de slager slacht, afgebeeld op een fresco van 1437 in de kerk van Tensta in Zweden 3. Deze voorstelling vinden we 00k op de i6e-eeuwse Nederlandse volksprent van Ewout Muller (afb. 12 te midden) en op de prent van J. Kannewet (nr. 41), gedruktvan een I7e-eeuws houtblok (afb. 132). Onder de vorm van de os die de slager naar de slachtbank leidt, werd dit motief voorgesteld op andere Nederlandse en Belgische kinderprenten (o. m. Rynders 12, Thompson 41, Stichter 66, Glenisson & Zn. 36, Beersmans 20).
Op deze prenten vinden we eveneens een afbeelding van de rat die de kat achtervolgt, verjaagt of vangt, een motief met dezelfde strekking als de vorige voorstellingen en dat eigenlijk deel uitmaakt van de strijd van de ratten tegen de katten, een thema dat we reeds behandeld hebben.
Nog verschillende andere taferelen uit de Verkeerde Wereld kunnen we beschouwen als sym-bolen van de wraak van de verdrukte op de onderdrukker: de knecht die zijn meester vangt, de voge-len die de man opeten, de ezel die zijn meester opdrijft, de schapen die de wolf opeten, het varken dat
_______________________
1 ARV, Tidskrift for Nordish Folkminneforsking, X (1954), biz. 143-170. Het eigenlijke artikel omvat slechts vier pagina's, maar deze bijdrage is zeer waardevol door haar uitvoerig bibliografisch apparaat (biz. 146 tot 170). —
- O. Odenius, Mundus Inversus, vermeldt: op biz. 149 een afbeelding van hazen die een jager achtervolgen, uit een hand-schrift De Etymologia uit het begin van de I4e eeuw; op biz. 145 een fresco uit de 15c eeuw: hazen die een jager gevangen hebben en wegdragen; op biz. 153 een fresco uit het begin van de i6e eeuw : een beer gewapend met speer, te paard op een beer, achtervolgt een jager. Hazen die een hond als gevangene wegvoeren, zijn afgebeeld in een Franse historiebijbel uit de I4e eeuw, zie hierover Maeterlinck, Legenre satirique, peinture, biz. 49-50.— Voor Engeland vermeldt Francis Bond, Wood Carvings in English Churches, I. Misericords. Londen, 1910, biz. 191-192, o. m. een haas te paard op een hond (Worcester 1397), een konijn dat een jager braadt aan het spit (Manchester 1508), een haan te paard op een vos (Westminsetr 1509). — C. Werner, Bildergedichte des 17. Jahrhunderts, in Zeitschrift des Vereins fur Volkskunde, XV (1905), biz. 158 („Die verkehrte Welt"), verwijst naar bronnen welke teruggaan tot de i3e eeuw. Zie eveneens J. Bolte, Bildcrbogen des 16. und 17. Jahrhunderts, in hetzelfde tijdschrift, XVII (1907), biz. 425 („Die Hasen braten den Jager") en XX (1910), biz. i95-202,nr. 11 („Der Thier und Jager Krieg"). — De haas die de gevangen jager gebonden aan een stok over zijn schouder wegdraagt, ziet men 00k op folio 216, verso, van een i4e-eeuws Doorniks psalter (Chartres, Bibl. Municipale, ms. 549). In een ander psalter uit dezelfde pcriode zien we een jachthond die opgejaagd wordt door een haas (Nancy, Bibl. de la Societe d'Archeologie Lorraine, ms. 249, f. 255). —
3 O. Odenius, Mundus Inversus, biz. 157.
430
de slager schrobt, zoals afgebeeld op de i6e-eeuwse prent van Ewout Muller (afb. 12), de ganzen die de vos overvallen1, de hond die met een zweep in de poot zijn meester aan een touw voortdrijft, het paard dat de voerman ment, het paard dat ,,te paard zit" op een man (zie afb. 131), het schaap dat de wolf verscheurt, de kikvorsen die de ooievaars verslinden, de beer die zijn leider doet dansen, het paard dat de hoefsmid beslaat (Glenisson & Van Genechten 38, onbekende uitg. C 68). Uit deze voorbeelden blijkt, dat naast de didactische en de zuiver humoristische strekking 00k de geest van opstand van de onderdrukte tegen de onderdrukker een belangrijke rol gespeeld heeft bij het ontstaan van de voorstellingen van de Verkeerde Wereld.
In de middeleeuwse decoratieve kunsten zijn vele taferelen afgebeeld welke men kan rangschik-ken onder de rubriek Verkeerde Wereld. Maar dit waren steeds afzonderlijke voorstellingen. Taferelen waarop verschillende van deze motieven samengebracht zijn onder de benaming Verkeerde Wereld, kennen we slechts uit de i6e eeuw.
De oudste van deze soort prenten is een i6e-eeuwse Italiaanse kopergravure // Mondo Riversa 2. De meeste taferelen afgebeeld op deze prent komen 00k voor op de reeds vermelde i6e- en i7e-eeuwse houtgravures (afb. 12 en 132): de koning gaat te voet en de dienaar berijdt het paard, het kind geeft les aan de geleerden, de arme geeft een aalmoes aan de rijke, het kind kastijdt zijn vader, de os plocgt en de boeren trekken de ploeg, de wagen is voor de ossen gespannen, de hoenders eten de vos, vissen nestelen in de bomen, vrouwen bestormen de burcht, kleine vogels eten de grote, de vissen vangen de vogels, de zieke behandelt de dokter, schepen varen op het land. Andere tafereeltjes van deze i6e-eeuwse Italiaanse gravure komen niet voor op de vroegstc Nederlandse prenten, maar wel op de reeds genoemde prenten van Stichter, Van Egmont, Rynders of Thompson. Zo het paard dat de voerman ment, de ruiter die bereden wordt door ezel of paard, en, op prent nr. 4 van Brepols, de man die spint (rokkent) en de vrouw die soldaat speelt.
In de I7e eeuw waren in Duitsland verschillende prenten in omloop onder de naam „die verkehrte Welt", verder 00k onder de benamingen ,,die widersinnige Weldt" en ,,die widerwartige Welt" 3.
De prent getiteld Ein Newer KunckelbriejDie widersinnige Weldt genandt 4 is een illustratie van het ,,Meisterlied" van Hans Sachs: ,,Ein dorf in einem pauren sas" (1531) 5. Deze prent heeft geen invloed gehad op de Nederlandse voorstellingen van de Verkeerde Wereld. Daarcntegen zijn „Die verkehrte Welt", gegraveerd door Paul Furst (1650), en een oudere variante van deze prent 6 nauw verwant met de Nederlandse volksprenten over dit onderwerp. Hier vinden we naast verschillende motieven welke op de reeds genoemde Italiaanse prent voorkomen, 00k nog volgende voorstellingen: de wereldbol waarop de gebouwen met daken en toren naar beneden zijn afgebeeld, de blinde die de ziende leidt, de papegaai die de man in de kooi leert spreken, de oude man in de wieg met het hem wiegende kind (zie afb. 132), de hen welke op de haan zit, het schaap dat de wolf verslindt en de ezel (paard) die de voerman voor zich uit drijft met de zweep (zie onbekende uitg. C nr. 68).
De meeste motieven op de Verkeerde-Wereld-prenten hebben hun eigen geschiedenis. Voor vele motieven gaat deze terug tot de middeleeuwen en zelfs tot de klasssieke oudheid. Een historische be-
_______________________
1 Een i4e-eeuwse voorstclling van de vos welke aan de galg geknoopt wordt door de ganzen, was uitgebeeld op een sleutelsteen in de gewelven van de kruisgang van het voormalige burchtklooster te Liibeck (± 1325) en 00k op een bor-duurwerk uit de eerste helft van de 14c eeuw, bewaard in de domkerk van diezelfde stad. Zie reprod. iioenm in C.G. Heisse, Fabelwek des Mittelalters, Phantasie- und Zierstiicke Liibeckischer Werkleute aus drei Jahrhunderten, Berlijn (1936). Uit dezelfde pcriode dateert een miniatuur uit Le tresor des histoires, Kon. Bibl. Brussel, Ms. 11988, f. 263 v; in de rand-versiering is een haan afgebeeld die een gebonden vos aan een touw achter zich sleept. —
2 A. Bertarelli, L'imageriepopulate Italienne, Parijs 1930, biz. 37 : „Il mondo riversa". —
3 Zie J. Bolte, in Zeitschrift des Vereinsfiir Volkskunde, XX (1920), biz. 195-202. —
4 Reprod. : Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 609. —
5 Sachs, Fabeln und Schwankc, III, nr. 23. —
6 Wendeler, Bildergedichte des 17. Jahrhunderts, biz. r6r.
432
handeling van al de motieven van de Verkeerde Wereld zou een boek op zichzelf vormen. Wc besluiten met de identificatie van een Verkeerde-Wereld-motief afgebeeld op een misericordia van de Sinte-Katharina-Kerk te Hoogstraten. Dit houtsnijwerk stelt een wereldbol voor op twee stelten met rechts een geleerde in tabberd en links een monnik1. Hoofdzaak zijn de stelten en niet, zoals Maeterlinck 2 dacht, de begeleidende personages. Maeterlinck had deze voorstelling betiteld ,,satire des rhc-toriciens et des moines". Het is ongetwijfeld een uitbeelding van de spreekwijze ,,de wereld loopt op stelten". Deze wereld op stelten komt voor als Verkeerde-Wereld-motief op prent 66 van Stichter (eveneens bij Thompson 41, zie afb. 131, 15c plaatje, en Rynders nr. 12), met het gepaste en steeds nog toepasselijke onderschrift:
De Waereld loopt op Stelten, daar Men Twist en Oproer wordt gewaar.
De voorstelling van de Verkeerde Wereld is gedurende vele eeuwen zeer populair geweest. Dit blijkt niet alleen uit de talrijke volksprenten over dit onderwerp, en dit tot in de vorige eeuw, maar 00k uit het gebruik van dit symbool als opschrift en uithangteken. Van Lennep en Ter Gouw in hun boek De Uithangtekens 3 delen mede dat de Verkeerde Wereld veelal voorkwam als uithangteken van herbergen. In hun tijd (1867) zag men nog een omgekeerde wereld, met kruis naar de grond gericht, op een gevelsteen in de Riddcrstraat te Amsterdam en nu nog kan men dergelijk uithangteken zien in de Nedcrkouter te Gent.
D. LUILEKKERLAND
Het Luilekkerland is een van de merkwaardigste traditionele thema's uit de literatuur en de kunst, en is nauw verwant met het thema van de Verkeerde Wereld en met de spreekwoorden. De gebeurtcnissen uit het Luilekkerland: de gebraden vogels die door de lucht vliegen en de taarten die wassen op de bomen, vormen taferelen uit een Verkeerde Wereld; een andere voorstelling uit het land van belofte ,,de daken met vlaaien bedekt", vinden we afgebeeld op het spreekwoordenschilderij van Bruegel.
Drijft de Verkeerde Wereld dc spot met allerhande werkelijke of ingebeelde ,,verkeerde" toe-standen, het Luilekkerland hekelt de onmatige en onvervulbare wensen. Het begrip Luilekkerland
_________________________
1 M. de Meyer, De wereld loopt op stelten, in Volkskunde 1961, biz. 33. —
2 Maeterlinck, Le genre satirique, sculpture, biz. 230, afb. 148. —
3 Van Lennep en Ter Gouw, De uithangteekens, dl. I, biz. 208-209.
434
is ontstaan uit de wensdroom van een land van overvloed. Deze wensdroom is vermoedelijk zo oud als het mensdom.
De literatuur van de klassieke oudheid is rijk aan getuigenissen over zulk een fabelland. Niko-phoon 1 vertelt van een streek waar het brood en wijn regent, Lukianus 2 spreekt van een kaaseilaiul in een melkzee, Telekleides van een gebied waar de vissen zichzelf braden en waar vleespasteitjes U in de mond vliegen, Pherekrates 3 van een land waar alles waarvan men eet of drinkt zich dadelijk vcr-dubbelt.
Een land van overvloed was ook bekend in het verre Oosten. In het land van Gaya liet Brahm.i voor zijn priesters een boom groeien welke alle wensen vervulde; hij liet rivieren ontspruiten van mclk en honig, hij schiep een vergaarplaats vol goud en tal van bergen van eetbare produkten 4.
Uit Italie, Frankrijk en Duitsland kennen we slechts uit de late middeleeuwen en de renaissance getuigenissen over het Luilekkerland.
De oudste omvangrijke beschrijving van dit land van overvloed vinden we in „li fabliaus de Coquaigne" 5 uit de tweede helft van de 13c eeuw. Van dit fabliau bestaan twee Middelnederlandsc bewerkingen 6: een bewaard in een sterk gehavend handschrift van het British Museum te Londen en een ander in een gaaf handschrift uit de nalatenschap van C.P. Serrure, nu in de Kon. Bibl. te Brussel. Een der voornaamste motieven van het ,.fabliau de Coquaigne", een motief dat ook een rol speelt in de volksprenten, de verjongingsbron (,,fontaine de jovent"), ontbreekt in het Brusselse handschrift, maar is wel bewaard, hoewel slechts fragmentarisch, in het Londense handschrift (vss. 89-93):
... dat lant loept an Jordane.
......den die daar quamen,
... men dat water in haren mont,
......souden alle worden ionc
... echt of sy waren van twentich iaren.
In Duitse leugenliederen uit de 15e eeuw wordt gesproken van het land van Kurrelmurre, waar de huizen gebouwd waren van allerlei lekkere spijzen, de hagen gemaakt van gevlochten worsten en waar ganzen gebraden door de stratcn liepen. Dit zijn motieven waarvan sommige reeds bekend waren uit het Franse fabliau. Doch een afgeronde beschrijving van dit land van belofte komt in Duitsland voor het eerst voor in de eerste helft van de i6e eeuw, en wel in het ,,abentheurisch Lied" van een Neurenbergse ,,Meister-sanger", dat tot voorbeeld gediend heeft voor de fabel van Hans Sachs: ,,Das Schlauraffenlandt" van 1530 7. Het is voornamelijk deze versie van het Luilekkerland welke de Nederlandse tekenaars en graveurs heeft ge'inspireerd.
______________________
1 Nikophoon, Sirenen [Comicorum Atticorumfragmenta, I, 777), Telekleides, Amphiktyonen (ibid. I 209), Pherekrates, Metal-les (ibid. I, 174). Zie Handworterbuch des deutschen Mdrchens, I, biz. 89 en Bolte en Polivka, Anmerkungen, III, biz. 245. —
2 Lukianus volgens Bolte-Polivka, Anmerkungen, III, biz. 245, „Wahren Geschichte", II, 3-6. —
3 Van Pherekrates en Telekleides een uitvoerig citaat in Nederlandse vertaling door Geerwalt, in Ars Folklorica II, 1956, biz. 15. —
4 Sources orientales, III Les pelerinages, Parijs (i960), biz. 181. —
5 Barbazan Meon, Fabliaux et contes des pokes jrancois des Xle, Xlle, XHIe, XlVe et XVe siecles, tires des meilleurs auteurs, IV, Parijs, 1808, biz. 175. —
6 In het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal-en Letterkunde, 1894, biz. 185-191, heeft R. Priebsch, in zijn artikel: Noch einmal „van dat edele land van Cockaengen" beide teksten afgedrukt. We hebben deze teksten vergeleken met die van het „fabliau" en stelden vast dat het Franse ge-dicht meer dan vijftig vss. meer telt dan de Nederlandse gedichten. We kunnen zeker niet spreken van Nederlandse ver-talingen. In zover in de Franse en in de Nederlandse versies dezelfde motieven behandeld worden, komen deze meestal voor in verschillende volgorde en worden ze op verschillende wijze voorgesteld. Het is niet onwaarschijnlijk dat beide Ned. gedichten geen bewerkingen zijn van het bekende I3e-eeuwse Franse fabliau maar van een later onbekende variante van dit gedicht. — ' Bolte-Polivka, Anmerkungen, III, 248-250. — H. Sachs, Samtliche Fabeln und Schwanke, uitg. E. Goetze en K. Drescher, I, Halle 1893, nr. 4, biz. 8.
435
Van dit gedicht van Hans Sachs was in het Nederlands enkel een prozabewerking bekend,
nu 1S46, verschenen in een Antwerpse druk van 16001. Op een prent uitgegeven door de Erven der
1 ed. Gys. de Groot onder de titel: Wie luy en lecker is / die moet na 't Leckerlandt / / Die eet er vleesch
• H visch I en repter handt noch tand (1725-1738), vonden we een getrouwe, berijmde vertaling van het
>i dicht van Hans Sachs2.
I )e meest typische taferelen beschreven in deze vertaling zijn in beeld gebracht op de houtgravure IN rven de tekst van dit gedicht: het door-eten van de berg van boekweitbrij ten einde in het luilekker-I mil te geraken 3, het huis gebouwd van allerlei smakelijke eetwaren, en het dak met vlaaien bedekt, Klinn (haag) gevlochten van worsten 4, de bomen met broden en pasteien, de rivier van zoete melk, braden vogels die de luiaard in de mond vliegen, het gebraden varken dat rondloopt met een mes in de rug, het paard dat eieren legt 5 en de wijnfontein.
Een tafereel van deze prent is niet beschreven in de tekst, namelijk het schip dat naar Luilekkerland 'int. Dit motief is ontleend aan Sebastian Brants' Narrenschiff (14.94). In het io8e hoofdstuk van dit werk '""int hij ,,Schluraffe", het dwaze, zotte gezelschap dat per schip naar ,,Narragonia und Schluraffen-111 id" vaart. Het narrenschip of sporen hiervan vinden we terug op latere luilekkerlandprenten 6.
Een ander tafereel beschreven in het gedicht: de gebraden vissen die naar de luiaard komen toe-gczwomrnen, ontbreekt op de prent van De Groot, maar komt wel voor op een paar andere 17c-■ ■ uwse volksprenten van het Luilekkerland, namelijk op prent 51 van de Erven der Wed. Jac. van l gmont7, en op die van Hendrik van der Putte, later herdrukt door de Erven H. van de Putte en B. Iloekhout (onder nummer 81). Doch op deze prenten van Van Egmont en Van der Putte ontbreekt In 1 narrenschip.
_____________________
1 Veelderhande geneuchlijcke dichten, tafclspelen ende refereynen..., Antwerpen, Jan van Ghelen, 1600; herdruk : Mij. der Nederl. Taal en Letterkunde te Leiden, Leiden 1899. Het stuk„Van 't luye-leckerlandt", uit deze bundel werd herdrukt in |M<;2 door J. Bolte in Zeitschrift fur deutsches Altertum, XXXVI (1892), biz. 297-301, en onlangs nog door P. de Keyser hi In Folklorica, II (1956), biz. 37-38. —
2 M. de Meyer, Over een berijmde vertaling van Hans Sachs' „Schlauraffenlandt", I olkskunde, i960, biz. 145. —
3 Hans Sachs is de eerste die melding maakt van een muur van boekweitbrei van drie mijlen ■ lik, door dewelke men zich moet door-eten om in Luilekkerland te komen. In het voorbeeld van Hans Sachs', „Ein
• L ntlieurisch Lied... von dem Schlauraffen lande" (afgedrukt in Zarnckes uitgave van Sebastian Brants' Narrenschiff, 1K54, biz. CXXII), was er slechts sprake van sneeuw en ijs, waar men doorheen moest. In de Nederlandse bewerking -in het gedicht van Hans Sachs is de muur een berg geworden. Deze brijberg is ook afgebeeld op de gravure Het Lui-Lkkcrland van Pieter Balten en op het schilderij van Bruegel. — Op de Italiaanse prenten is i.p.v. een brijberg een kaasberg ifgebeeld, doch er wordt niet gezegd dat men deze kaasberg moet door-eten om in Luilekkerland te komen. P. de Keyser (I >c Nieuwe Reis naar Luilekkerland, in Ars Folklorica, II (1956), biz. 7-41) meent dat de kaasberg van Romaansc of Zuid-
• iimpcse oorsprong is. We zouden beter kunnen zeggen : van Griekse of Oosterse oorsprong. Reeds in de tweede eeuw 111 ( liristus spreekt Lukianus van een kaaseiland. Lukianus vestigde zich op veertigjarige leeftijd te Athene, maar was af-k niiistig uit Syrie. —
4 De „tuin" gevlochten van worsten is slechts denkbaar in een tijd wanneer, en in de streken waar linn hoeve, boomgaard of akker afsloot met een haag gevlochten van takken, in plaats van met een haag van levende plan-' 11 Ben dergehjke oude „tuin" van gevlochten takken kan men zien om de grote weide van het Nederlands Openlucht-tnuieum. — Afbeeldingen van ,,tuinen" van vlechtwerk bij P.J. van Winter, De Hollandse tuin, in Nederlands Kunsthisto-ir.ih Jaarboek, VIII (1957), biz. 29-107. —
5 Bij Hans Sachs en in de Nederlandse literaire bewerking van het gedicht geeft
I hi paard eieren.
vs. 43 Die een Paerd heeft wordt een ryck Meyer
vs. 44 Want sij leggen gantsche Korven vol Eyer. Vermoedelijk door contaminatie met paard of ezel uit het bekende sprookje Tafeltje Dekje (AT. 563) werd het paard dat eieren legt in de onderschriften van latere prenten vervangen door een paard of een ezel welke dukaten (geld) geeft. (Van 1 mont nr. 51, Er^Wed. de Groot z. nr., Kannewet 82*, Noman 267, Glenisson 195, Van der Putte 92, Noman 429). —
6 Bolte-Polivka, Anmerkungen, III, biz. 249. — In de Luilekkerland-prent (12 hsnn.) door J. Coldewyn gegraveerd voor it lirma Rynders te Amsterdam (nr. 6) en in de Belgische kopieen van deze prent (Glenisson & Van Genechten 49, Beers-nuns 19) vertrekt men ook per schip naar Luilekkerland, maar de betekenis van dit narrenschip was niet meer bekend en ili- oorspronkelijke benaming ,,Schip Rynuyt" is uit deze prenten verdwenen. —
7 Reproduktie : Van Heurck en Boeken-oogen, I.P.F., biz. 129.
436
Andere taferelen uit dit gedicht welke niet afgebeeld zijn op de prenten van De Groot, noch op die van Van Egmont of Van der Putte, komen, zoals we verder zullen zien, voor op andere prenten met verschillende kleine houtgravures op een blad.
Het houtblok van de prent van De Groot is later in het bezit gekomen van Kannewet die hiervan een herdruk bracht (nr. *o6 ook K 96), maar met een andere tekst, nl. een gedicht van vier strofen van elk 4 vss. Dit gedicht bevat geen nieuwe elementen, evenmin als het langere gedicht van honderd vss. dat is aangebracht onder het Luilekkerland van Van Egmont (nr. 51) en onder dat van Van der Putte (nr. 81).
De prenten met een houtsnede van De Groot, Van der Putte en Van Egmont, zijn gedrukt in de i8e eeuw, doch de houtblokken voor deze prenten zijn veel ouder en stammen vermoedelijk uit het eind van de i6e of het begin van de 17c eeuw.
Deze volksprenten van het Luilekkerland vertonen een geheel andere compositie dan het bekende Luilekkerland van Bruegel of de gravure van Pieter Balten, welke vermoedelijk het werk van Brueghel geinspireerd heeft \ Maar zowel deze kunstwerken als de volksprenten zijn direct of indirect afhankelijk van de beschrijving van Hans Sachs.
In een Franse inventaris van 1598 wordt een „pais de Cocane" vermeld, doch er is geen i6e-eeuwse Franse voorstelling van het Luilekkerland bewaard gebleven, wel verschillende Italiaanse Luilekkerland-prenten uit de i6e eeuw 2.
De latere kinderprenten met het thema Luilekkerland, welke tot het einde van de vorige eeuw voortdurend herdrukt of gekopieerd werden, waren samengesteld uit acht, twaalf, twintig of vieren-twintig afzonderlijke taferelen. Van de reis naar Luilekkerland had men een beeldverhaal gemaakt.
Verschillende motieven uit de beschrijving van het Luilekkerland door Hans Sachs, welke niet afgebeeld waren op de prenten met een houtsnede, komen wel voor op deze prenten met twaalf of vieren twin tig houtsneden.
Een van de merkwaardigste prenten van dit soort, Het Nieuwe Vermakelyk Luy-Lekker-landt uit het fonds Ratelband en Bouwer (nr. 11, afb. 76), shut nauw aan bij de i6e-eeuwse traditie. Het eerste van de vierentwintig plaatjes van deze prent vertoont een trommelaar met het onderschrift:
Ik sla den trom / en roepe overluyd / Wie neemt dienst op 't Schip Rynuyt.
Het schip Rynuyt (eigenlijk Reynuut) is een variante van het „Narrenschiff" van Brant, van de „Blauwe Schuyt" en van het „Schip van Keyenburg", d. w. z. de stad waarvan de bewoners een kei in het hoofd hadden m. a. w. gek waren. Het schip Reynuut of van Sint-Reinuut had de slechtste rcputatie. Het was het verblijf van de verlopen lieden, de onmaatschappelijken; Sint-Reinuut was de gefingeerde patroon van de drinkebroers 3. Volgens onze prent is de bemanning van het schip Reynuut samengesteld uit admiraal „Jan Alverteerd", kapitein ,,Klaas Heb niet", en verder ,,Beroyde
__________________________
1 J. Lebeer, Le pays de Cocagne, in Bulletin des MusJes royaux des Beaux-Arts, IV (1955), biz. 199-214, met vier afbeeldin-gen.—
2 G. Wildenstein en J. Adhemar, Les images de Denis de Mathoniere d'apres son inventaire (1598), in Art et traditions populaires, VIII (1960), biz. 156, nr. 88. Wat Italie betreft vermelden Bolte en Polivka, Anmerkungen, III, biz. 247, vier kopergravures ..Luilekkerland" uit de i6e eeuw. Een i8e-eeuwse variant van de „descrittione del gran paese de Cuccagna done chi piu dorme piu guadagna" (de beschrijving van het grote land van Cuccagna waar zij die het meest slapen ook het meest verdienen) uitgegeven door C. Losi te Rome, is gereproduceerd in Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 641. Een grotere en duidehjkere reproduktie in II paese di Cuccagna door G. Cochiara, Turijn 1956, tegenover biz. 160, met op de keerzijde van deze buitentekstplaat een reproduktie van La Cuccagna Nuova van 1703. Nog twee reprodukties van het Paese di chucagna een van de i7e en een van de i8e eeuw in : A. Bertarelli, L'imagerie populate italienne, Parijs (1930), biz. 50 en 51. —
3 D.Th. Enklaar, Uit Uilenspiegels kring, Assen 1940, biz. 52 vlg.
437
I'..,-lot"", vaandrig „Willem Snap-op", sergeant „Dirk Kaalis" en ,Joris Smulbek". Het achtste en
tide plaatje tonen hoe ze zich door de breiberg eten en zodoende in Luilekkerland komen.
Op deze prent en op sommige navolgingen ervan zijn naast de reeds besproken motieven, zoals
,1, daken met vlaaien bedekt, de wijnfontein, de broodboom, de gebraden vogelen, de gebraden
inen, het gebraden varken, het paard dat geld geeft, ook taferelen afgebeeld welke niet beschreven
Ijnin het Schlauraffenlandt van Hans Sachs, maar daarentegen wel in de Nederlandse prozabewerking
• ,11 ,lit gedicht: „Van 't Luy-Lecker-Landt". Wij bedoelen de taferelen afgebeeld op de volgende
plaatjes:
12 De boomen die hier te groeyen staan / Daar wassen de Peere gebraden aan.
u'.it overeenkomt met „ende de braetperen wassender overvloedigh / heel murwe / ende lecker" uit bedoelde prozabewerking.
17 De Honden kakken met verstand / De Neutenmusschaten in zijn Hand.
wat in de prozabewerking luidt: „ende de Honden (schiten) Muscaten".
19 De Koeijen en de domme ossen / Siet hoez' hier Panne-koeken lossen.
m de prozabewerking: „de koeyen en de Ossen (schiten) groene Panne-koecken".
De prozabewerking „Van 't Luye-Lecker-Landt" bevat ook een motief dat eveneens beschreven is in het „Schlauraffenlandt" van Hans Sachs, maar niet voorkomt in de berijmde vertaling van dit gedicht. Het gaat hier over de vijgen... van de ezels: „desgelyck de Esels schiten daer anders niet dan soete Vyghen". Dit motief is afgebeeld op plaat 16 van deze prent, met volgend onderschrift:
16 De Ezels kakken zoet vijgen /
Dees zoekt ze in zijn Muts te krijgen.
Plaat 21 van de hier afgebeelde prent vertoont twee personen die zich baden bij een fontein, het onderschrift luidt:
Die Oud is, daald in dit Bad neer En komt er Jong en Fris uyt weer.
De verjongingsfontein is het merkwaardigste motief uit het Luilekkerland-thema. Dit motief komt voor zowel in het i3e-eeuwse franse fabliau, onder de naam „La fontaine de jovent", als in het gedicht van Hans Sachs en in de Nederlandse bewerkingen hiervan. Het motief past uitstekend in het kader van het Luilekkerland, maar vormt van de vroege oudheid af een zelfstandig thema. Het is een van de varianten van het levenswater: het water dat geneest, verjongt, opwekt uit de dood1. Een jeugdfontein of verjongingsbron „Fontaine de Jouvence" was in onze gewesten afgebeeld op een wand van een der zalen van het slot van Valenciennes (1375) 2 en op een ise-eeuwse gravure van de
__________________________
1 Cocchiara, La fontana della vita, in II Paese di Cuccagna, biz. 126-158; literatuur op biz. 245-248. E.W. Hopkins, The fountain of youth, in Journal of the American Oriental Society, XXVI (1905), biz. 1-57- —
2 Ibid., biz. 143 (ook Fuchs, Sitten-geschichte, biz. 185).
438
Meester der Banderollen 1. Ook de ronde vijver met naakte vrouwen in de Wellusttuin van Jeroen Bosch herinnert aan de Verjongingsbron 2.
Latere uitgevers van de Luilekkerland-prent hebben het plaatje gekopieerd, maar ze verstonden de betekenis er niet meer van. Zo hebben Lutkie en Cranenburg (nr. 113) er een wijnbad van gemaakt (ie plaatje):
Hoe vermaaklijk moet het zijn, Zich te baden in den wijn.
De laatste twee afbeeldingen van de hier uitvoerig besproken luilekkerland-prent uit het fonds Ratelband & Bouwer (nr. 11, afb. 76) stellen voor: de speelwagen die „gaat van zelver schier" en het bootje dat gaat ,,voor de wind met een goed Ty". De Keyser heeft in zijn commentaar bij het boekje van J.B. Ulrich, De Nieuwe reis naar Lui-Lekkerland, aangemerkt dat de wagen zonder paarden niet voorkomt in de oude beschrijvingen van Luilekkerland 3. Koetsen die vanzelf rijden, dus zonder paard of koetsier, „carozze che vanno da se senza cavalli e senza carozzieri", zijn afgebeeld op oude Italiaanse prenten van het Luilekkerland 4. Op de hier gereproduceerde prent van Bouwer en Ratelband (nr. 11) gaat de wagen weliswaar ,,van zelver schier", maar toch is hij bespannen met een koppel paarden en zit er een koetsier op de bok. Als onderschrift bij een gelijkaardige wagen op prent 72 van Stichter (= Van Staden 76 = Hemelecrs 121) lezen we:
Wenscht men te rijden, 't is maar dat ge 't weet, Terstond staat een rijtuig met paarden gereed.
We menen dat deze wagen niet paarden en koetsier niet aansluit bij het Italiaanse motief van de vanzelf-rijdende-wagens maar bij de ,,rossen ende rossijden, ghedeckt met kostelicken gesmyden" uit het „Edele Land van Cockaengen": de paarden rijk opgetuigd staan ter beschikking van de bewoners van Luilekkerland.
Het laatste tafereel, het spelevaren, vonden we noch in oude beschrijvingen noch in oudere prenten. Naar onze mening is het speelschip eenvoudig een tegenhanger van de speelwagen en hoeven we in dit motief geen diepere betekenis te zoeken.
Van het type Luilekkerland met vierentwintig afbeeldingen zijn acht varianten bekend, maar de meeste van deze versies zijn onderling verwant. Ratelband nr. 11 is ofwel een kopie van Kannewet nr. 72, of ze zijn beide getrouwe navolgingen van een nog oudere, onbckende prent. Prent nr. 38 van De Lange is een gemoderniseerde kopie van Kannewet nr. 72. Prent 72 uit het fonds Stichter en de latere herdrukken van deze prent (Van Staden 76, Hemeleers 121) zijn eveneens ge'inspireerd door Kannewet nr. 72.
De overgang van de i8e naar de ioe eeuw bracht mee dat de scatologische onderschriften ge-leidelijk vervangen werden, dat grove en platte uitdrukkingen plaats moesten maken voor een meer deftige zegswijze, maar dit had ook tot gevolg dat zowel de tekeningen als de teksten zeer veel van hun expressieve kracht verloren.
In een andere reeks Luilekkerland-prenten vindt men in plaats van een systematische uitbeelding van taferelen uit de literaire bronnen, een meer willekeurige opeenvolging van rijk gestoffeerde
______________________________
1 Maeterlinck, Genre satirique, peinture, afb. 167. — Ook Hans Sebald Beham (1502-1540) graveerde een ,Jungbrunnen"; zie buitentekstplaat tussen biz. 64 en 65 in E. Fuchs, Die Frau in der Karikatur, Munchen 1906. —
2 D. Bax, Ontcijfering van Jeroen Bosch, 's Gravenhage 1949, biz. 258. —Id., Beschrijving en poging tot verklaring van het tuin der onkuisheid, drieluik van Jeroen Bosch, in Verhandel. der Kon. Ned. Akademie van Wetenschappen, afd. Letterk., nieuwe reeks LXIII-2 (1956), biz. 73-74. —
3 Ars Folklorica, II, biz. 30. —
4 Cocchiara, a. w., plaat La Cuccagna Nuova tegenover biz. 161.
439
Luilekkerland-tonelen met een overdaad van spijzen en dranken. De mooiste en meest succesvolle prent in dit genre, het Nieu-Vermakelijk Leuy-Lekkerland Daar sig de Leuijaert in bevand, werd uitge-geven door de Erven der Wed. de Groot te Amsterdam. De acht houtblokken van deze prent kwamen .ichtereenvolgens in het bezit van de uitgevers Kannewet en Stichter te Amsterdam, Noman te Zalt-bommel, Glenisson en Van Genechten en Glenisson en Zoon te Turnhout, die elk op hun beurt deze prent gedurende tientallen jaren herdrukt hebben. Deze houtgravures dateren uit de I7e eeuw en hidden dus, voordat de Erven der Wed. G. de Groot ze gebruikten, reeds dienst gedaan voor het drukken van prenten of het illustreren van een Luilekkerlandboekje. Een kopie van zes van deze acht gravures vinden we op prent 92 van Hendrik van der Putte (herdruk J. Noman nr. 429). Deze laatste prent geeft de taferelen van het Luilekkerland in een meer logische volgorde: het eerste plaatje ver-toont de berg van boekweitbrij welke men moet „door-eten" om in Luilekkerland te komen. Op de prent van De Groot komt de berg van boekweitbrij slechts op de zesde plaats en gaan vijf Lui-lekkerland-taferelen vooraf. Een andere prent uit het fonds Van der Putte (nr. 58, kopie J. Thompson nr. 59) Nieuw Luylekkerland geeft eveneens een willekeurige opeenvolging van voorbeelden van lui en lekker leven zonder het ene of andere literaire voorbeeld op de voet te volgen. Doch er bestaat een duidelijke verwantschap met de geschreven bronnen. De berg van boekweitbrij, welke het eerst vermeld wordt bij Hans Sachs, verschijnt hier ook op de goede plaats, namebjk in het begin van het verhaal; het motief dat de goede gaven, hier tabak, kaarten en geld (22e plaatje), als regen uit de lucht vallen, komt niet voor bij Hans Sachs, maar wel in het middeleeuwse Edele Lant van Cockaengen, waar de vss. 67-68 ons melden:
Want het regent III werf sdages vladen, Palingen ende pasteygebraden.
Tenslotte vermelden we nog de I9e-eeuwse prent Luilekkerland (nr. 15) van Brepols, welke enkele traditionele motieven vertoont die wij nog niet besproken hebben. Om de herkomst aan te tonen van sommige van deze motieven uit een van de jongste varianten van het Luilekkerland, moeten we nogmaals teruggrijpen naar het zoeven geciteerde Middelnederlandse gedicht. Daar vinden we een pendant van de straten geplaveid met frikadellen (plaatje 8) en van de gedekte tafels (plaatje 11):
vs. 57 In alien straten vint men gespreit
vs. 58 Schoen tafelen, die men neymand wederseit.
vs. 85 Met gingfer, met noten muschaten vs. 86 Sijn daer ghemaeckt die straten.
Het tafereel waar het suikerbollen regent (plaatje 12), doet ons onmiddellijk denken aan de passage: ,,als het hagelt / dat en zijn niet anders dan Suyckerboonen" uit „'T Luye-Lecker-Landt", de reeds geciteerde Nederlandse prozabewerking van Hans Sachs' „Schlauraffenlandt".
Andere motieven uit deze prent van Brepols: het graan waarop amandelen groeien, de suikeren bloemen, het schip gemaakt van kaneel en marsepein, zijn ons niet bekend uit de literatuur of uit vroegere prenten. Het is m^gelijk dat deze motieven te danken zijn aan het vrije verbeeldings-vermogen van de samensteller van deze prent, maar het lijkt ons meer waarschijnlijk dat ook deze motieven hun oorsprong vinden in de literaire of iconografische traditie van het Luilekkerland-thema.
440
E. SPREEKWOORDEN EN ZEGSWIJZEN, RAADSELS EN REBUSSEN
1. SPREEKWOORDEN
Een zegswijze of een spreekwoord in beeld is een zinnebeeldige voorstelling van een begrip, het is dus een allegoric
De iconografie van bepaalde spreekwoorden kan men onafgebrokcn volgen van de middel-eeuwen af tot in het begin van onze eeuw.
Niet alleen miniaturisten 1 beeldden graag fabels en spreekwoorden af, maar dit deden 00k tapijt-wevers, beeldhouwers en schilders.
Zeven van de acht geidentificeerde spreekwoorden op een i5e-eeuws, vermoedelijk uit Frans-Vlaanderen afkomstig tapijt2 vinden we terug in de volksprenten.
Vele van de spreekwoorden uitgebeeld o. m. op de koorbanken van de Oude Kerk te Amsterdam, de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Breda, de Sint-Martinuskerk te Bolsward, de Onze-Lievc-Vrouwekerk te Dordrecht, de Sint-Pieterskerk te Aarschot; van de kerken van Emmerik en van Kempen 3 in Duitsland, en van deze van Aarschot, Hoogstraten en Walcourt in Belgie 4, komen 00k voor op de volks- en kinderprenten van de i7e, i8e en iox eeuw.
Er zijn een zestigtal Nederlandse volks- en kinderprenten bekend met gemiddeld vijfentwintig spreekwoorden per prent. Op verschillende prenten komen soms dezelfde spreekwoorden weer, maar toch hebben we hier enkele honderdtallen spreekwoorden welke nooit bestudeerd werden. Voor de filoloog die zich interesseert voor de studie van het oude Nederlandse spreekwoord, ligt in deze prenten rijk materiaal verscholen.
Wij kunnen enkel ecn algemeen overzicht geven van de voorhanden stof, en voegen er de losse aantekeningen aan toe welke wij in de loop van het onderzoek hebben verzameld. Een grondige studie van deze materie zou een boekdeel vergen.
Vroeger was ik de mening toegedaan dat de spreekwoorden-schilderijcn van Pieter Bruegel en zijn navolgers de rechtstreekse voorgangers waren van de oudste volksprenten met spreekwoorden, daar vele van de spreekwoorden afgebeeld op deze prenten 00k voorkomen op bedoelde schilderijen. Maar op verschillende volksprenten vinden we spreekwoorden afgebeeld die op deze schilderijen niet voorkomen, doch wel terug te vinden zijn op een van de gravures genaamd de ,,Blauwe Huyck".
___________________
1 F. Lyna, De randvcrsiering in de Vlaamse verluclite handschriften tijdens het Gotisch tijdvak. De tijdspiegel, XIV (1960), biz. 64-95. Zie 00k : Maeterlinck, Le genre satirique, peinture. —
2 Jan Grauls, Een vijftiendeeuws spreekwoorden-tapijt. Artes Textiles, Gent 1956, biz. 14-26. Zie 00k E.S. Siple, A ..Flemish Proverb" tapestry in Boston, in The Burlington Magazine, 1933. Het tapijt is niet meer volledig en wordt bewaard in het Isabella Stuwart Gardner Museum te Boston. —
3 Cfr. Van Moerkerken, De satire, biz. 92 en volgende. —
4 Cfr. Maeterlinck, Le genre satirique, sculpture, biz.
442
Het lijdt, mijns inziens, geen twijfel dat „de Blauwe Huyck", deze grafische verzameling van spreekwoorden, ouder is dan het grote spreekwoordenschilderij van Pieter Bruegel uit het museum van Berlijn, gedateerd 1559. L. Lebeer heeft destijds acht verschillende uitgaven van de „Blauwe Huyck" zorgvuldig met elkaar vergeleken 1. Van de oudste uitgave is slechts een half blad bewaard. De vol-ledige titel van deze prent luidt volgens G.K. Nagler2: Die Blau Huicke is (dit meest ghenaemt) Maer des Weerelts (abuisen he beter betaemp). Volgens L. Lebeer dateert deze prent uit de jaren 1558-1560. In 1559, het jaar van ontstaan van het schilderij van Bruegel, moeten er reeds talrijke prenten met voor-stellingen van spreekwoorden bestaan hebben. Anders had men toen niet kunnen zeggen, dat dit soort prenten „meest" Blau Huicke werd genoemd. Trouwens in 1558, het jaar voordat Bruegel klaar kwam met zijn spreekwoordenschilderij, komt er in de rekeningen van de drukker Christoffel Plantijn een post voor van 7 s. en 12,5 d. bctaald aan Martin le Jeune, boekhandelaar te Parijs, voor ,,3 bleu robe painte" en in 1559 levert Plantijn „Twee Blauwe Huycken" aan de Parijse boekhandelaar Barthelemy Jourdain 3.
De oudste, volledig bewaarde ,,Blauwe Huyck" door Lebeer vermeld is die van Joannes van Doctinchem, gedateerd 1577. De jongste is die van L. Fruytiers, kopergraveur en handelaar in prenten, werkzaam te Antwerpen van ± 1750 tot 1782 4.
Ongeveer de helft van de volksprenten met spreekwoorden zijn i8e-eeuwse uitgaven. Maar een groot gedeelte van deze prenten zijn gedrukt met houtblokken of kopergravures die merkclijk ouder zijn.
We wijzen vooreerst op de mooie i6e-eeuwse houtsnede ter illustratie van het spreekwoord „met onwillige honden is het kw'aad hazen vangen (prent nr. 45 van J.H. de Langc te Deventer, afb. 135).
Enkele gesigneerdc prenten kunnen benaderend gedateerd worden. Dit zijn: een kopergravure van I.C. Visscher, werkzaam te Amsterdam van 1606 tot 1652, een andere gravure van I. Ottens al-daar werkzaam van 1689 tot 1720 5 en ten slotte een houtgravure (Kannewet *3i) gesigneerd door I.C.J., d. w. z. door de Antwerpse houtsnijder Jan Christoffel Jegher (Oi6i8-fi72o) 6.
Vele van de hieronder vermelde prenten uit de fondsen Lootsman-Van der Putte, De Groot, Kannewet, Koene, Koumans, Ratelband en Bouwer zijn, te oordelen naar de gravures, eveneens af-komstig uit de 17c eeuw, maar het is niet mogelijk ze nauwkeuriger te dateren.
We willen eerst die prenten aanwijzen welke rechtstreeks afhankelijk zijn van de „Blauwe Huyck". Dit is in de eerste plaats het geval voor de Veel vermakelyke Weereldwijze en Zinrijke Spreuken van Pieter Koumans uit Leeuwarden (afb. 62, fragment). Deze is ge'inspireerd door de Blauw Huyck van Joannes van Doetinchem. Dit kunnen we afleiden uit het feit dat op de prent van Koumans drie spreuken voorkomen welke wel te vinden zijn op de Blauw Huyck van Van Doetinchem, maar niet op een van de andere bekende uitgaven van de „Blauw Huyck", noch op het spreekwoordenschilderij van Bruegel. Het zijn namelijk de volgende spreekwoorden: „Het bier is voor de ga(n)zen niet ge-brouwd", — ,,Hier gaat de zoeg om den haart", — ,,Het is een groot kruis, twee gekken in een huis". Deze spreuken luiden bij Joannes van Doetinchem: „Dat bier is voor de ganzen niet ghebrouwen", — „De such gaet om den heert", — „twe sotten in een huys is te veel". Alhoewel geheel onafhankelijk van de prent van Koumans is 00k de Gentse kinderprent uit het fonds Van der Haeghen (A)fbeeldingh hoe seven wyven vechten om een mans broeck ende (hoe) de vrou de broeck aen trech(t) en de man den rock,
___________________
1 L. Lebeer, De blauwe huyck, in Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis, VI (1939-1940), biz. 161-229.—
2 G.K. Nagler, Die Monogrammisten, II, 2169. —
3 A. Delen, in De Gulden Passer, 1932, biz. 1-24. —
4 E. van Heurck, Les images de devotion anversoises du XVIe au XIXe siecle, Antwerpen 1930, biz. 57. —
5 Waller, Biogr. Woordenb., biz. 247- en 345. —
6 E. van Heurck, Les images, a. w., biz. 68.
443
met vierentwintig spreekwoorden (zie afb. 135) rechtstreeks afhankelijk van de prent van Van Doetinchem. Op een paar na,zijn al de daar afgebeelde spreekwoorden terug te vinden op de een of andere uitgave van de „Blauwe Huyck", slechts twee vindt men alleen op de Blauw Huyck van Joannes van Doetinchem, namelijk: „Dese roert den duym" en (het laatste van de vierde rij) „fluit op den bessem". Prent nr. 89 van de Erven van de wed. J. Ratelband en J. Bouwer Hier hebt gy weer tot uw playsier Veel klugten na de nieuwste zwier geeft, op een na, dezelfde spreekwoorden als de prent uit het fonds Van der Haeghen, soms echter met andere woorden. „De Quaey griet" uit deze laatste prent is bij Ratelband vervangen door ,,den eenen ezel draagt den anderen onverzaagt", een spreekwoord dat 00k op de „Blauwe Huyck" te vinden is.
Alhoewel op de vele andere spreekwoordenprenten herhaaldehjk spreuken of zegswijzen voorkomen die we reeds kennen uit de Blauwe Huyck of uit het werk van Bruegel, zijn deze minder afhankelijk en de meeste zelfs geheel onafhankelijk van bedoelde grafische kunstwerken.
Prent nr. *31 van J. Kannewet, gedrukt met achtentwintig houtgravures van Jan Christoffel Jegher, bestaat voor de helft uit spreekwoorden ontleend aan of overeenstemmend met spreuken van de Blauw Huyck en voor de andere helft uit geheel andere spreuken.
Maar er is bij verschillende prenten wel onderlinge afhankelijkheid vast te stellen. Van de 40 spreekwoorden van prent 57 van Hendrik van der Putte, vinden we er 36 terug op de prent Zoete Spreuken; zinnebeelding / Regt geschoeyt al voor dejeugd, van de Wed. J. Ratelband en J. Bouwer (nr. 29). De 20 spreekwoorden van de zeer oude prent van J. Kannewet (nr 26) De Nieuive Curjeuze Zinnebeel-den, waarvan later een kopie, gedeeltelijk in spiegelbeeld, verscheen bij de Wed. J.H. de Lange te Deventer, komen op vier na 00k voor op prent nr. 57 van Hendrik van der Putte. Deze onderling zeer afhankelijke prenten staan geheel los van de Blauwe Huyck.
Ook de prenten Afbeelding van verscheyde Schimp en Spreeckwoorden van Jan Bouman (± 1660), nr. 114 van H. van der Putte met dezelfde titel, en nr. 102 van J. Kannewet Vermakelijke Zin-Spreuken zijn onderling afhankelijk. Van de 24 spreekwoorden van Bouman vinden we er 22 terug op de prent van Van der Putte. De spreuken „katten en muysen doet verhuysen" en „ongezien kan geschien" zijn bij Van der Putte vervangen door „het gewin brengt rust in" en „hoog-moet komt voor d'val". Kannewet (nr. 102) heeft 18 spreuken, welke ook voorkomen bij Bouman en voegt daar zes nieuwe aan toe.
Op elk van de andere oudere prenten vinden we telkens enkele spreekwoorden die ook voorkomen hetzij op de Blauw Huyck, hetzij op een of meer volks- en kinderprenten van voorgangers of tijdgenoten, zonder dat er spraak is van rechtstreekse navolging.
Het is niet onze bedoeling hier elke prent afzonderlijk te behandelen, maar wij willen toch nog de aandacht vestigen op een paar belangrijke exemplaren.
De Oude Hollandsche Gaare-keuken van S. en W. Koene (zie afb. 136) en de prent getiteld Siet jongejeught hier uyt kuntgy leeren / Hoe men in de Werelt moet verkeeren van de Erven der wed. G. de Groot, beide met 16 spreekwoorden, hebben elk enkele merkwaardige gezegden gemeen met de twee zeer mooie prenten nr. 76 en 77 van Hendrik van der Putte. De zinrijke spreuk:
Als apen hooge klimmen willen Dan siet men eerst haer naeckte billen.
komt voor bij de drie uitgevers: Koene (spreuk 12), De Groot (spreuk 6), Van der Putte (nr. 77, spreuk 9). De spreekwoorden 1, 3, 5 van Koene „het zijn sterke beenen die de weelde kunnen draa-gen" — ,,die zijn neus afsnijd die schend zijn *mgezicht" — „als morsige lui zindelijk worden dan schuuren zy de pannen van agteren" vindt men terug bij Van der Putte 76-7, 76-10 en 77-1. De
445
spreekwoorden van De Groot 8, 12 en 14 „na den kernel maeckt het pack anders baert het onge-mack" — „het is een stoute kray, die een levendigh beest in 't lijf pickt" komen voor bij Van der Putte 76-12, 76-6, 76-10. Beide genoemde prenten van Koene en De Groot hebben elk 00k een paar spreekwoorden gemeen naet de Blamve Huyck: ,,Die de duivel scheep heeft, die moet hem maar over-vaaren", komt voor bij De Groot, bij Koene en op de „Blauwe Huyck"; ,,zij kaatsen malkaar de bal toe" is afgebeeld bij Koene en op de „Blauwe Huyck" en „alsser twee honden vechten om een been, gater noch wel een derde mee heen" afgebeeld bij De Groot, kennen wij 00k uit de „Blauwe Huyck" en het spreekwoordenschilderij van Pieter Bruegel.
De twee kopergravures met elk 30 Vlaamse spreekwijzen of spreekwoorden, van een onbekende uitgever uit het begin van de vorige eeuw en gereproduceerd door E. van Heurck1, hebben tot model gediend voor de kinderprenten nr. 41 en 54 van Brepols. Deze laatste prent werd op haar beurt ge-kopieerd door Beersmans.
Een derde kopergravure, zeker van dezelfde hand als de twee vorige, bevat twintig afbeeldingen, waarvan de eerste „hij vischt agter 't net" voorstelt, een spreekwoord dat reeds afgebeeld werd zowel op de „Blauwe Huyck" als door Bruegel. Van deze kopergravure is geen kopie verschenen bij Brepols. Deze uitgever had een, tot nu toe niet opgedoken, originele prent met gezegden en spreuken in zijn fonds. Prent nr. 12 Gewoonlijke spreekii'oorden infiguren afgebeeld (afb. 40) uit het Museum van Gijn te Dordrecht, zonder naam van uitgever, kan op grond van typografische kenmerken met zekerheid toegeschreven worden aan het fonds Brepols. Het is een prent waarvan sommige afbeeldingen een eeuw vroeger in het geheel geen aanstoot zouden hebben gegeven, doch die later als onbetamelijk aangezien werden. Het is dan 00k te begrijpen dat de firma Brepols deze prent vlug uit de handel trok.
De Bclgische spreekwoordenprenten van Glenisson en Van Genechten (nr. 12), en die van Wel-lens en Delhuvenne (nr. 41) herdrukt door Glenisson en Zoon (onder nr. 72), zijn min of meer ge-trouwe kopiecn van Nederlandsche Spreekwoorden uitgegevcn door H. van Munstcr en Zoon te Amsterdam (letter B), onder het patronaat van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen.
Prent 103 van Hemeleers is een herdruk van de spreekwoorden-prent nr. 82 van P.C.L. van Staden te Amsterdam.
De Spreekwoordenprent, nr. 49 van Beersmans, zou een originele Vlaamse prent kuimen zijn, maar het is evenmin uitgesloten dat het een kopie is van een Franse prent uit de eerste helft van de vorige eeuw.
We besluiten deze inleiding tot de lijst van de spreekwoordenprenten met enkele losse aanteke-ningen betreffende bepaalde spreekwoorden.
In zijn boek Volkstaal en volksleven in het werk van Pieter Bruegel2 heeft Jan Grauls de uitdrukking behandeld „opscheppen met de grote lepel". Aan de hand van de literatuur uit Bruegels tijd komt hij tot de conclusie dat deze uitdrukking betekent: royaal zijn, verkwisten. Dit wordt bevestigd door de afbeeldingen op de volksprenten waar de uitdrukking enigszins anders luidt: ,,schep op met de pollepel" (Kannewet 26, Van der Putte 57, Ratelband & Bouwer 29). Op deze prenten werd een vrouw voorgesteld die pap opschept met de pollepel; zij kijkt om en maakt met de vrije hand een uitnodigend gebaar als om te zeggen ,,wie wil nog wat, er is genoeg".
In het hier geciteerde boek heeft Jan Grauls een afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan de uitdrukking „hij heeft tegen de maan gepist" (biz. 210-220), wat volgens hem betekent: hij is er ongelukkig af-gekomen. Deze uitdrukking werd 00k in beeld gebracht op verschillende oude volks- en kinder-
_________________________________
1 Gereproduceerd in Van Heurck en Boekenoogen, I.P.P.B., biz. 124 en 127. —
2 J. Grauls, Volkstaal en Volksleven in het werk van Pieter Bruegel, Amsterdam-Antwerpen 1959, biz. 50.
447
prenten. Een paar onderschriften bij deze plaatjes lichten ons nader in over de gewijzigde betekenis wclke in de i"7e en 19c eeuw aan deze uitdrukking werd toegekend. Op een prent van J. Kannewet (nr. *3i), gegraveerd door Jan ChristofFel Jegher, luidt het onderschrift ,,Wanneer ymand iet doet dat mist || zegt men 't is tegen de maan gepist". Op een prent van H. van der Putte (nr. 28) staat de man die naar de maan pist, afgebeeld met zijn rug tegen een boom en we lezen ,,'t is altijd gemist, van de boom gepist". Op prent 89 van Ratelband & Bouwer luidt het onderschrift: ,,Deze pist tegen de maan, is dat geen stout bestaan". Uit deze onderschriften kunnen we besluiten dat in de 17c en i8e eeuw de uitdrukking ,,'t is tegen de maan gepist" de betekenis had: het is haast onuitvoerbaar werk, een taak welke tot mislukking gedoemd is.
Bij zijn bespreking van de spreekwoorden van Bruegel behandelt Grauls de afbeelding van de man die door een wereldbol kruipt: ,,men moet zich krommen wil men door de wereld kommen" 1. Reeds voor Bruegel was dit spreekwoord in beeld gebracht op een misericordia van de koorgestoelten van de Oude Kerk te Amsterdam, van de Sinte-Katharinakerk te Hoogstraten en van de kerk van Walcourt. Men vindt afbeeldingen hiervan in het reeds geciteerde werk van Maeterlinck, maar met verkeerde interpretaties: ,,1'homme qui sort degoute du monde" en ,,satire dirigee contre les moi-nes" 2. De volks- en kinderprenten geven volgend onderschrift bij de man die door de wereld kruipt: (Kannewet *31) ,,Met bokken ende krommen zoekt men al der door te kommen". (Van der Haeghen): ,,ick moet mij krommen sou ick door de werelt commen". De satirische bedoeling is duidelijk, wie recht gaat (recht gcaard is) komt er niet,wie succes wil hebben moet zich krommen, moet slinkse mid-delen gebruiken. hi de 17c eeuw was de voorstelling van de man die zich ,,kromt" om door de wereld te komen in Nederland zo populair dat zij ook afgebeeld werd op uithangborden 3; de onderschriften hierbij lieten aan duidelijkheid niets te wensen over.
Met liegen en bedriegen sonder schromen Is deze man dus na door de werelt gekomen.
onder een ander:
Die met de honden wel kan huylen, En met het kussen werpen buylen, Die liegen kan en 't feyt verzaken, Die sal best door de werelt raken.
Op de eerste bladzijde van het brevier (omstreeks 1380) van Lodewijk van Male 4 is een man voorgesteld die gaapt tegen de opening van een bakoven. Deze voorstelling was zeer populair in de middeleeuwen en komt in de 15e en i6e eeuw herhaaldelijk voor op het houtsnijwerk van verschil-lende kerken o. m. van de Sint-Niklaaskerk (Oude Kerk) te Amsterdam, van de Onze-Lieve-Vrouw-kerk te Breda, van de kerken van Aarschot, Brugge, Diest en Walcourt in Belgic en van Franse kerken te Corbeil en te Parijs 5. Ook op het spreekwoordenschilderij van Bruegel zien we de man die gaapt tegen de oven. Op Die Blauw Huyck van L. Fruytiers en op de volksprent van Van der Haeghen lezen we onder deze voorstelling: ,,Dese (hy) gaept tegen den oven". Hij gaapt tegen de oven, be-tekent volgens Jan Grauls 6: hij wil iets onmogelijks doen, hij doet vergeefse moeite. Deze verklaring wordt bevestigd door het onderschrift bij de gaper op prent 38 van J. Kannewet ,,'t is al gegaapt tegen den oven indien het vuur uit wil doven". ,,'t Is al gegaapt" betekent hier ook: het is vergeefse moeite.
_________________________
1 Grauls, a. w., biz. 85, onder nr. 7. —
2 Maeterlinck, Le genre satirique, sculpture, biz. 184 en 231. —
3 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangteekens, I, biz. 209. —
4 F. Lyna, De randversieringen in de Vlaamse verluchte handschriften tijdens het gotische tijdvak. De Tijdspiegel, XIV i960, biz. 89-91. —
5 J.S. Witsen Elias, Koorbanken, koorhekken en hansels, Amsterdam, 1946, biz. 24 en 27. — Maeterlinck, Le genre satirique, sculpture, biz. 143. —
6 J. Grauls, a. w., biz. 97.
448
Op de houtgravure van J.C. Jegher (Kannewet nr. 31) heeft dc afbeelding van iemand die een kaars brandt, volgend onderschrift:
Ik zal 't Chinees Jossi met eeren Deze kaarzen gaan offereeren.
In sommige gewesten acht men het niet raadzaam het woord ,,duivel" uit te spreken, en wordt deze boze geest o. m. aangeduid met een naam als ,,de droes", Heintje, Joos(t); maar wat het toevoegsel ,,Chinees" hier te betekenen heeft, is ons niet duidelijk.
Het spreekwoord „een aal bij de staart hebben" x in de betekenis van ,,zich met een zaak bezig-houden die licht kan mislukken", wordt op de merkwaardige I7e-eeuwse volksprent van de weduwe Theunis Jacobsz. Lootsman zeer mooi geformuleerd:
Het Werelts luck dat is soo glat als *t aeltje by de staert ghevat.
hi zijn studie over het spreekwoord „men zet geen nar op eieren" wijst Jan Grauls 2 op de ver-wording van dit spreekwoord na 1700, namelijk op de prent van Van der Haeghen (zie afb. 136) waar, bij de nar op de eieren, het onderschrift geplaatst is „de(ze) kack eyeren zonde(r) schaelen". Van deze scatologische interpretatie „heeft men buiten de houtsneden van Van der Haeghen", zo schrijft Grauls, „nergens enig spoor gevonden". Op de volksprenten echter vinden we bijna uitslui-tend de scatologische interpretatie. Wat Jan Grauls verwording noemt is eigenlijk een contaminatie-verschijnsel. De ,,chieur" heeft afzonderlijk bestaan naast de nar op eieren en is vermoedelijk even oud.
De man die gehurkt zit en zijn gevoeg doet, komt o. m. voor op i6e-eeuws bceldhouwwerk van de stadhuizen van Noyon en Saint-Quentin 3 en op de koorgestoelten van Oirschot en van Wal-court 4. Deze voorstelhng heeft verschillende toepassingen gevonden, zoals op het spreekwoorden-schilderij van Bruegel waar we een man zien die zijn gevoeg doet op een wereldbol, ter illustratie van het gezegde ,,hij beschijt de wercld", en een andere die hetzelfde doet tegen de galg. Een contaminatie van de nar op eieren met „le chieur" vinden we niet alleen op de prent van Van der Haeghen, maar 00k op de spreekwoordenprent van Jegher (± 1650) hcruitgegeven door J. Kannewet (nr. *3i), aldaar met het onderschrift: ,,Kinders komt hier aangeloopen, deze zot bakt eieren met hoopen". Een contaminatie van ,,le chieur" met dc ezel die geld ,,afgeeft" vinden we op een i6e-eeuws misericordia van de Sint-Niklaaskerk te Amsterdam. Hier is een gehurkt personage afgebeeld en onder hem liggen muntstukkcn 5. Op de prenten nr. 29 van J. Ratelband en J. Bouwer en nr. 15 van de Wed. J.H. de Lange is geen spoor meer van contaminatie, hier wordt eenvoudig een man afgebeeld die zijn gevoeg doet. Dit is 00k zo op de prenten 28 en 57 van H. van der Putte: prent 28 geeft bij dit plaatje het duistere onderschrift ,,wie siet niet graag / van ver den haag". Betekent dit dat de man die aan een dringende behoefte moet voldoen, graag een haag in het zicht krijgt om er achter neer te hurken? Op prent 282 van J. Noman wordt ,,le chieur" bedacht met het onderschrift ,,hetgeen zwaar is laat men vallen". Op het eerste plaatje van de Gewoonlijke Spreekwoorden (Brepols nr. 12 afb. 40) zit de gehurkte man die aan een behoefte voldoet, voor een gebouw waarvan een kolom zichtbaar is, het onderschrift luidt: ,,Ik sop de goden wat bedrog! En scheit in hunnen tempel nog!" Deze voorstelhng is verwant met de verachting van de wereld zoals geillustreerd door Bruegel. We moeten niet te veel aandacht schenken aan de gewichtigdoenerij met ,,goden en tempel", want uit het onderschrift
_______________________
1 J. Grauls, a. w., biz. 107. —
2 J. Grauls, Uit de spreekwoorden van Pieter Bruegel de Oude, in Wetenschappelijke Tijdin-gen, 1959, biz. 66. —
3 Champfleury, Histoire de la caricature, Parijs z. d., II2, biz. 223-227. —
4 Maeterlinck, Le genre satirique, sculpture, fig. 117. —
5 Ibid., fig. 28.
449
van de tweede afbeelding op deze spreekwoordenprent blijkt duidelijk dat de opsteller van de on-derschriften de originele betekenis van de verschillende voorstellingen niet altijd goed begrepen
heeft.
Op het tweede plaatje van de Gewoonlijke Spreekwoorden (Brepols nr. 12, afb. 40) zien we een man die urineert in het vuur met daarbij het volgend onderschrift: „'t Is waarlijk maar bier verkwist want die veel drinkt dan 00k veel pist". Met het vuur is geen rekening gehouden. Jan Grauls heeft de man die in het vuur urineert, op het spreekwoordenschilderij van Bruegel terecht in verband gebracht met het Nederlandse en Franse spreekwoord: „tis ghesont in 'tvier pissen. Sain est au feu uriner" *. Verwording stellen we 00k vast bij de interpretatie van het spreekwoord ,,den hondt in de hutse-pot vinden" 2 = ,,post festum venire", te laat komen voor het eetmaal, op het ogenblik dat de hond reeds bezig is de pot uit te likken. Op enkele volksprenten wordt de hond afgebeeld met zijn kop in de pot en een persoon erbij met een stok of roede in de hand, gereed om de hond te slaan; bij Kannewet (nr. *3i) luidt het onderschrift: „Omdat de hond de Pot snoept leeg || Daarom ik hem zal slaan ter-deeg" en bij Van der Haeghen: „man hij eet onzen hutsepot uit". Het spreekwoord heeft zijn betekenis verloren en er is enkel van overgebleven de bestrafhng van een stelende hond. We moeten hierbij echter rekening houden met de mogelijkheid dat met een voorstelling soms verschillende zegswijzen, verschillende lessen, bedoeld waren. Zo kenden Van Lennep en Ter Gouw een vermaarde herberg op de Dam met het uithangteken ,,De Hond in den Pot" en zij halen voorbeelden aan uit de I7e en i8e eeuw waar „de hond in de pot" klaarblijkelijk de onbedachtzame zorgeloosheid voorstelt 3. Het gezegde „de gek scheren" is nog een voorbeeld van hoe de betekenis van een uitdrukking kon evolueren. In de i6e eeuw betekent dit gezegde: zich aanstellen als een gek4; thans gebruikt men gekscheren in de uitdrukking: de gek scheren niet iemand, iemand voor de gek houden. Geen van beide betekenissen biedt ons de verklaring hoe men ertoe kwam, (Kannewet *31) bij het plaatje van de man die de gek aan het scheren is, het volgend onderschrift te plaatsen: „Wilt gy 't Haar schee-ren na 't fatsoen zo moet gy 't eerst een zot gaan doen". Het is waarschijnlijk dat door het vervangen van het woord gek door het woord zot, de zin van de oorspronkelijke uitdrukking verloren ging. We hebben met deze voorbeelden willen aantonen dat vele van deze prenten nog talrijke on-opgeloste problemen stellen.
2. REBUSSEN EN RAADSELS
Het spreekwoordenschilderij van Bruegel is een soort grote rebus. Er wordt van de kijker ver-wacht dat hij de beelden zal omzetten in woorden. Dit geldt 00k voor de rebus.
De rebus was zeer geliefd bij de rederijkers van de i6e en 17c eeuw. Op verschillende blazoenen van Brabantse rederijkerskamers was een rebus afgebeeld. Zo op de blazoenen van het „Toorenbloem-ken" van Brussel (1561), van de Brabantse Kamer te Amsterdam (1607), van de ,,Christus ooghe" te Diest (1620). C.P. Burger heeft een uitvoerige studie gewijd aan de rebussen van onze oude rederijkerskamers 5. Hoofdstuk III van deze studie is gewijd aan de rebusprenten uit de i8e eeuw. De oudste rebusprent was hem niet bekend; deze dateert uit de ±7e eeuw en werd uitgegeven te Amsterdam door de weduwe van Theunis Jacobsz op 't Water in de Loots-man" (werkzaam van 1650 tot 1689).
_____________________________________
1 J. Grauls, a. w., biz. 98. —
2 Adagiorum maxime vulgarium thesaurus, Aldenardie z. d., biz. 19. Dit spreekwoord is 00k afgebeeld op een misericordia van de Sint-Sulpitiuskerk te Diest. —
3 Van Lennep en Ter Gouw, Uithangtekens, I, biz. 227. —
4 J. Grauls, a. w. biz. 105 —
5 Ook „Den bloeyenden Wyngaert" van Berchem (1561), „Die Roose" van Leuven, de „Goudbloem" van Antwerpen (1620), „Die Bremblomme" van Geel (1620) hadden een rebusblazoen. Zie C.P. Burger, De rebus van onze rederijkers, in Het boek, 1925, biz. 145-192.
450
Wei heeft Burger van deze prent een i8e-eeuwse variant gekend, uitgegeven door J. Kannewet (nr. 91). Op biz. 192 geeft hij van deze rebus de voUedige verklaring zoals ze hem was bezorgd door G.J. Boekenoogen. Het is een anti-oorlogsprent, een rebus met pacifistische strekking: van de schiet-bussen moeten spaden gemaakt worden, van de harnassen braadpannen, van de helmen kookpotten, en de eindwens luidt dat de boeren zouden mogen melken in vrede, en dat de reizigers te voet, met wagen of per schip vrij door landen en steden zouden mogen trekken.
C.P. Burger heeft 00k de 8 korte rebussen behandeld welke afgebeeld staan op prent 30 van Jacobus van Egmont. Deze rebussen, evenals die van Theunis Jacobs en van Kannewet, vertonen gro-tendeels dezelfde voorstellingswijze als de rebusblazoenen van de rederijkers: het woord ,,veel" wordt voorgesteld door een vedel, het woord „die" door de dij, „ende" door eend enz. Het gebruik van deze woorden en van deze conventionele tekens wijst erop dat de houtblokken van deze prenten veel ouder zijn dan de i8e eeuw. Vermoedelijk dateren deze blokken uit het einde van de i6e of het begin van de I7e eeuw.
De twee rebussen afgebeeld op een gedeelte van prent nr. 19 van Rynders behoren waarschijnlijk tot dezelfde periode. Meer moderne rebussen zijn afgebeeld op de hieronder vermelde prenten van Bronstring, Moolenyzer, Wijnhoven-Hendriksen, Verbeeck en Kimpe. De prenten van deze laatste twee uitgevers hebben een godsdienstige strekking. De Geschiedenis van het lyden onzes Heeren-Jezus Christus van de Gebr. Verbeeck wordt voorgesteld als rebus, afwisselend met een figuurtje en een woord. De Geestelyke Dol-hofvan P.A. Kimpe „by de Capucienen" te Gent biedt allerlei stichtende overwegingen gedeeltelijk voorgesteld in beeld. Zo werden b. v. in onderstaande zin de woorden, welke bier tussen haakjes staan, uitgebeeld door figuren: een mijter, een staf, een graf, ,,noch (mijter), noch (staf) u houden zal uyt 't (graf)".
De rebus was niet enkel doorgedrongen tot de volksprent en tot de kinderprent, maar 00k tot de boerenherbergen. Van Lennep en Ter Gouw beschrijven o. m. een rebus welke men, in hun tijd, kon zien boven de gelagkamer van een herberg te Velzen *.
Op de enige Nederlandse raadselprent welke we kennen, nr. 10 van S. en W. Koene, worden schoolse berijmde beschrijvingen gegeven van bepaalde voorwerpen of begrippen als sleutel, schaal, oorlog, dood enz.
451
F. DE VIER JAARGETIJDEN, DE TWAALF MAANDEN, DE ZEVEN DAGEN EN DE VIER ELEMENTEN
De iconografie van de maanden en de seizoenen, voorgesteld door de werkzaamheden van elk seizoen of van elke maand, kunnen we onafgebroken vervolgen van de Karolingische kunst af tot bij de kinderprenten van de 19c eeuw.
De twaalf sterrenbeelden van de dierenriem vormden de oudste allegorische voorstellingen van de twaalf maanden. Maar reeds in de 9e eeuw werden de maanden 00k voorgesteld door het werk van elke maand: zo juli door het oogsten van hooi, augustus door het oogsten van graan, September door het zaaien, oktober door het oogsten van druiven, november door de jacht, enz.l. Ook op de kapite-len en de portalen van Romaanse kerken worden de seizoenen of de maanden voorgesteld door een werk eigen aan ieder jaargetijde of aan elke maand. De kerk van Souvigny en het portaal van Saint-Ursin van Bourges verstrekken hiervan mooie voorbeelden uit de lie eeuw 2. Een voorstelling van de vier seizoenen van het jaar, uit de i2e eeuw, komt voor op de doopvont van Burnham Deepdale 3. Voor de hoge middelecuwen verwijzen we naar de talrijke kalenderminiaturen, waarvan Les tres belles hemes en Les tres riches hemes van de hertog van Berry de mooiste voorbeelden vormen. De oudste en merkwaardigste houtgravures met de afbeelding van de twaalf maanden vindt men in de Haarlem-sc incunabel van 1485: Boeck van den proprieteyten der dinghen. Volgens M.J. Schretlen 4 zouden de houtblokken van deze illustraties afkomstig kunnen zijn van Laurens Jansz. Coster. De i6e- en vroeg-i7e-eeuwse gravures van Hans Bol 5, David Vingbooms, Jan van de Velde 6 en anderen vormen de laatste schakel van de iconografie van maanden en seizoenen van de Karolingische kunst af tot de i7e-, i8e-en I9e-eeuwse volksprenten.
In het werk van de i6e- en i7e-eeuwse graveurs Hendrik Goltzius 7, Jaak Harrewyn 8 en Nikolaas de Bruyn 9, vindt men naast allegorische voorstellingen van de maanden en de seizoenen, ook af-
_______________________________
1 G. Dehio, Geschichte der deutschen Kunst, I4, 1930, biz. 152, plaat 304. —
2 M. Pacaut, L'iconographie chretienne, Parijs, 1952, biz. 29. —
3 A. Gardener, A handbook of english medieval sculpture, Cambridge, 1935, biz. 75. —
4 M.J. Schreden, Dutch and Flemish woodcuts of the fifteenth century, Londen, 1925, afb. 29 B. —
5 G. Hirth, Kulturgeschichtliches Bilderbuch aus drei Jahrhuuderteu, 6 din. Leipzig-Miinchen, 1882-1890, III, nrs. 1145-1156. —
6 G. Hirth, a. w., Ill, nrs. 1500-1503. —
7 De vier stonden van de dag. G. Hirth, a. w., Ill, nrs. 1442-1445. Zie ook A. Collaert naar M. de Vos in Muller, Historieplaten, IV, nr. 1181 E. —
8 J. Harrewyn, 't Jaar, d'XII Maanden VII Dagen en IV Getyden, Antwerpen, 1698. Coll. N. Pollak, Sir John Stirling-Maxwell, Glasgow. —
9 De vier elementen. Muller, Historieplaten, IV, nr. 1118 F. Allegorische afbeel-dingen van de vier elementen vindt men ook gebeeldhouwd op de consoles van het Brugse stadhuis (i6e eeuw).
453
beelldingen van de symbolen van de zeven dagen van de week, van de vier stonden van de dag en van de vier elementen.
Bij de Franse ,,imagiers" kwamen deze onderwerpen reeds voor in de i6e eeuw1. In de Nederlanden dateren de oudste ons bekende volksprenten over de seizoenen en de maanden uit de ije en de I He eeuw.
Van Christoffel van Sichem jun. (°I58i-|i658) zijn de houtblokken bewaard van een twaalfmaanden-prent2. Oude prenten van de vier jaargetijden komen voor in de uitgaven van De Groot, Van der Putte, Van Egmont (afb. 137) en Kannewet.
We kennen drie prenten (Thompson 29, Noman 69, Bronstring 18), waarop de vier jaargetijden, dc vier elementen en de vier getijden van de dag samen zijn afgebeeld.
Een andere wijze van voorstelling vinden we op een prent van de erven van de Wed. C. Stichter (letter B), gesigneerd J. Oortman en uitgegeven onder de auspicien van de Mij. tot Nut van 't Alge-ineen, waarop de dagen van de week zijn voorgesteld door de zon, de maan, en de mythologische personages Tuisco, Wodan, Thor, Friga, en Seater. Deze zeven platen, alsmede de negen andere af-beeldingen van deze prent, typen van verschillende oude volkstammen, zijn gekopieerd naar gravures van Jan Goeree (1670-1731) verschenen in het boek De Nederlandsche oudtheden.
__________________________
1 De inventaris van Denis de Mathoniere van 1598 vermeldt o. m. „les quatre Saisons de l'annee en huit planches", ,,huict rames des douze Moys de l'an, prisees la rame vingt solz" en ook „cinq rames et demyes de douze moys de l'an en espagnol a ung escu rames", zie Arts et traditions populaires, VIII (1960), biz. 150-157, nrs. 63, 102, 109. —
2 Reprodukties in Enschede, Fonderies, biz. 140-141.
455
G. DE VIJF ZINTUIGEN
De oudste prent waarop de vijf zintuigen symbolisch zijn voorgesteld, dateert van omstreeks 1480 en is afkomstig van de abdij van Tegernsee in Beieren l. In de Nederlanden werden tijdens de volgende eeuwen de vijf zintuigen herhaaldelijk uitgebeeld door hout- en kopergraveurs 2, doch e;ccn van deze gravures heeft tot model gediend voor het tiental bekende kinderprenten gewijd aan het gevoel, het gehoor, de reuk, het gezicht en de smaak. Evenals op de prent van Van Egmont (afb. 138) zijn op de andere oudere prenten in houtgravure, o. a. van Muys en van Kannewet, vier dieren afgebeeld. In de titel van prent nr. *5 van J. Kannewet worden de dieren zelfs vermeld: „De vijf zinnen des menschen ende dieren". "We vermoeden dat deze dieren oorspronkelijk 00k allegorisch bcdoeld geweest zijn, maar deze bedoeling is moeilijk te achterhalen. De eerste moeilijkheid is, dat er maar vier dieren zijn afgebeeld. Welk zintuig is niet voorgesteld door een dier» Daarbij komt nog dat op verschillende prenten, verschillende dieren voorkomen. Op de prent van Van Egmont zien we een bond, een wolf (=), een koe en een hert. Maar op de prent van Kannewet, welke merkelijk ouder lijkt, vinden we in plaats van een wolf en een koe, een schaap en een schildpad. We wagen er ons niet aan te trachten de eventuele symbolische betekenis van bedoelde dieren te interpreteren.
Allegorische voorstellingen hebben in de Nederlanden een betrekkelijk groot succes gekend. Ze kwamen veel voor op uithangtekens 3 en zelfs op siervoorwerpen, zoals op een tinnen wijnkan van het voermansgild te Nymegen 4. We kennen geen Vlaamse kinderprenten met dergelijke voorstelling.
De kopergravure van R. en J. Ottens ,,Afbeeldinghe Der Vijf Sienen" welke 00k nog tot de kinderprenten moet gerekend worden, stelt de zintuigen voor op een andere wijze, namelijk op vijf trappen, dit zonder twijfel onder invloed van de zeer populaire prent De Trap des Ouderdoms.
______________________
1 Zij berust thans in de Bibliotheque Nationale te Parijs. R. Saulnier et A. Aynaud, Prototypes de l'imagerie populaire. Arts et Traditions Populates, I (1953), biz. 62. —
2 Atlas van Stolk, nrs. 2131, 2132, 2133, 2134, 2135, 2136. —
3 Van Lennep en Ter Gouw, De Uithangtekens, I, biz. 217. —
4 Van Lennep en Tcr Gouw, Opschriften, biz. 190. —
5 Mario Paz, A bibliography of emblem books, London 1947, (Studies of the Warburg Institute, vol. 3). — " A. de Vries, De Nederlandsche emblemata, Amsterdam 1899.
456
De emblernata waren bestemd voor een ontwikkeld publiek, dat genoegen kon scheppen in hct zoeken en ontdekken van de allegorische betekenis, de diepere zin van woord en beeld De onder-werpen op deze prenten voorgesteld waren minder interessant voor het grote publiek en nog minder voor de kinderkamer. Maar voor de uitgevers van volks- en kinderprenten was alle hout timmerhout Houtblokken waarmee ze zelf een boek gedrukt hadden of welke in hun bezit gekomen waren uit het fonds van een voorganger, werden licht ook gebruikt om kinderprenten te drukken
We zijn ervan overtuigd dat geen of slechts weinige van de drie- a vierhonderd houtblokken welke gebruikt werden voor het drukken van emblemata-prenten, oorspronkelijk ook voor dit doel gegraveerd waren. Veruit de meeste waren tot stand gekomen ten behoeve van emblematabundels
De oudste prent waarop emblernata voorkomen, is afkomstig van een onbekende graveur en werd gedrukt omstreeks 1530 voor een onbekende uitgever. Ze geeft allerlei voorstellingen welke oorspronkelijk deel hadden uitgemaakt van tenminste drie verschillende gravures ».
De houtblokken van de twaalf hieronder vermelde prenten van Noman en van de prenten 14 16 en 17 van Rynders waren gegraveerd door Jan ChristofFel Jegher en hadden gediend voor de led nologta ofuytbeeldinge des Verstands van Cesare Ripa » In de opschriften van twee van deze emblemata-prenten (nrs. 294 en 320) heeft Noman de titel van het oorspronkelijke boek verwerkt.
Hier zyn by eengesteld de Af bedding van \ verstand, Tot leering voor dejeugd, en tot vermaak geplant.
De meeste andere prenten noemt hij Zinne-beelden der Heidense Goden en Godinnen Rynders van zijn kant gebruikt voor deze prenten de titel Figuurlijke Zinnebeelden. Geen van beide uitgevers heeft zich bekommerd om de oorspronkelijke volgorde of de oorspronkelijke onderschnften van de emblernata zoals deze voorkwamen in het boek van Cesare Ripa.
Meer merkwaardig zijn een aantal prenten met zinnebeeldige voorstellingen van harten De oudste van deze prenten was uitgegeven door Casparus Lootsman (1635-17") en werd in de :8e eeuw herdrukt door Isaak van der Putte (nr. 60) en later door Hendrik van der Putte (nr. no). De plaaties van deze prent vmdt men terug in het Steek-boekjen, Ofte 't Vermaak der Jeugdelijker Herten Om doer door te wetenj Der Herten seereten, door J.J. Starter uitgegeven by Isaak van der Putte op 't Water in de Loots-Man3. r
Dit Steek-boekjen* bevat vijfenzestig houtgravures, met tegenover elke gravure een gedicht. Een dergelyk boekje diende in vroeger tijd tot gezelschapspel: men bood het gesloten boek de gast aan, die dan op goed ge uk een speld langs de kopsnede tussen de bladen stak en zodoende een plaatje en een tekst aanwees, welke dan zogezegd op hemzelf toepasselijk was
In het voorwerk van het Steek-boekjen van Starter is, in een wat groter formaat dan dat van de ovenge illustrate, een afbeelding opgenomen van „Het Markt-schip van Keyenburgh"
458
Hetzelfde narrenschip staat op de prent van Lootsman en op de herdrukken hiervan. Het narren-schip heeft niets te maken met het Steek-boekjen of met de vijftien hart-emblemen van Lootsmans prent. Vermoedelijk heeft de gravure oorspronkelijk dicnst gedaan als titelvignet voor een Neder-landse uitgave van de Stultifera Navis van Sebastian Brant1.
Uit de fondsen Lootsman-Van der Putte kerrnen we maar een prent met hart-emblemen. Toe-vallig weten we dat er voldoende houtblokken aanwezig waren voor vier prenten, want J. Noman te Zaltbommel, die in de eerste helft van de ioe eeuw in het bezit kwam van de blokken van het Steek-boekjen, heeft er inderdaad vier prenten van gcmaakt. Als titel van deze prenten koos hij de on-dertitel van het Steek-boekjen: Het vermaak der jeugdelyke Marten (A, B, C en D).
Een andere reeks mooie hart-emblemen vinden we op een prent van B. Koene te Amsterdam, verschenen onder de titel:
In 's Menschen hart zijn veel gedachten Elk leer' zich voor verkeerdheid wagteu.
De twintig houtsneden van deze prent heeft de uitgever van nieuwe tweeregelige onderschriften voorzien. Deze versjes zijn eenvoudig maar zinrijk, en hebben een moraliserende strekking. Onder de afbeelding van een hart met een varkcn lezen we:
Een hart dat wroet in 't zonden slijk Is aan een morsig zwijn gelijk.
De overige onderschriften zijn meestal in dezelfde populaire toon gehouden.
Deze prent werd in de 19c eeuw herdrukt door de firma Rynders (afb. 139). De blokken dateren vermoedelijk uit het begin van de 17c eeuw en het is niet uitgesloten dat zij hebben gediend voor de originele, niet meer voorhanden zijnde uitgave van het Steek-boekjen. Op de prent van B. Koene (later van Rynders) zijn dezelfde onderwerpen afgebeeld als op de bladzijden 19, 25, 27, 35, 45, 49, 51, 61, 67, 71, 73, 79, 81, 89, 103, 117, 119, 121, 125, 129 van het Steek-boekjen, maar de houtgravures van de prent zijn veel knapper en keuriger afgewerkt dan de plaatjes in de ons bekende uitgaven van het Steek-boekjen (uitgaven Is. van der Putte en Erven van de Wed. G. de Groot).
Volgens een aantekening van wijlen J. Borms op een exemplaar van prent 79 van Thompson, zou deze plaat zijn afgekeken van emblemata-gravures van A. van de Venne; de inhoud van deze prent zou niet meer zijn begrepen en de uitgever heeft er de gekke titel boven geplaatst: „Kyk, Kyk dit zijn rare Snaken, || Jongens wil U nu vermaaken".
Bijzonder veel succes hebben de emblemata-prenten niet gekend. Het onderwerp was niet aange-past aan het ontwikkelingspeil van de gewone man en nog minder aan het begripsvermogen van de jeugd.
_____________________
1 De uitgaven van het Steek-boekjen van Is. van der Putte en van de Erven van de Wed. G. de Groot bevatten niet alleen een Narrenschip, maar ook een Narrenwagen (laatste plaatje) met het onderschrift: „Alle deze Gekken en Narren rijden naar Malburgh || om haren Mallen Kovel te recommanderen". Dit laatste plaatje is niet overgenomen op de prenten. Ook bij verschillende prenten van het Luilekkerland komt er een Narrenschip te pas.
459
J. MYTHOLOGISCHE ONDERWERPEN
Evenals de gravures van de emblemata-prenten en sommige andere platen met allegorische voorstellingen zullen de meeste mythologische platen oorspronkelijk niet bestemd zijn geweest voor het samenstellen van volksprenten.
De oorspronkelijke bestemming van deze gravures hebben we niet kunnen nagaan.
Het houtblok gebruikt voor de Val van Icarus, uitgegeven door de firma Ratelband en Bouwer (nrs. 77 en 102), is vermoedelijk een paar eeuwen ouder dan de datum van uitgave van deze prent. De voorstelling is geheel anders dan die van het gelijknamige schilderij van Pieter Bruegel. Deze prent geeft een getrouw beeld van het verhaal uit de Griekse mythologie. Icarus en zijn vader Daedalus zijn, dank zij de vleugels door Daedalus vervaardigd, ontsnapt uit het labyrint van Knossos (op de achtergrond), maar Icarus vloog te dicht bij de zon, zodat het was waarmede de vleugels waren vastgehecht, smolt en Icarus in zee viel. Op de prent zien we vader Daedalus in de lucht zweven en op de voorgrond ligt de gevallen Icarus. (Afb. 140).
De mythologische platen evolueerden van volksprenten tot kinderprenten. In de eerste helft van de i8e eeuw schreef Isaak van der Putte boven een prent met zestien afbeeldingen van mythologische figuren (nr. 112) Hier is voor u Jeugd, die 't Leeren staag beminnen, Te vinden nieuwen Vreugd van Goden en
461
Godinnen. Veel goeds valt er niet te leren over deze goden en godinnen en bijzonder stichtend is hun voorbeeld niet. Onder de plaat van Venus staat te lezen:
Venus, ja die Hoer der Hoeren, Ging 't Berookte Smisje Loeren, En kroop straks met Mars te Bedt; Toch Vulkaan ving Z'in zyn Net.
1 11 Mercurius moet het stellen met:
Dit 's Merkuur, der Goden Bode, Een Bedrieger, en een Snode, En een afgerechten Dief, Dit is 't Opschrift van zyn Brief.
Deze goden en godinnen kenden slechts matig succes; ze verwierven een plaats in een zestal Nederlandse fondsen en drongen ook door tot het Belgische fonds van Glenisson en Van Genechten te Turnhout.
K. DE HOORNKRUIPER
Over de betekenis van de merkwaardige iye-eeuwse volksprent, uitgegeven door Michiel de Groot en bekend onder de naam ,,de hoomkruiper", tast men nog in het duister. Op deze prent is een grotc jachthoorn afgebeeld, een heer kruipt met het hoofd voorover in de wijde opening, maar tracht vruchteloos zich door het nauwe mondstuk te wringen. Links, bij de opening van de hoorn, staat een oude, wijze man, die de heer gewaarschuwd had, en bij dc nauwe uitgang is een nar afgebeeld die vaststelt dat er nog gekker lieden zijn dan hijzelf-1. Deze volksprent is een verkleinde kopie van een artistieke kopcrgravure uit het begin van de 17c eeuw 2. Frederik Muller achtte het mogelijk dat deze gravure zou bedoeld geweest zijn als spotprent op de pogingen van prins Maurits om de regering te Hoorn te wijzigen 3, en stelde verder de vraag of de prent van Michiel de Groot niet bedoeld was als satire op de prins-bisschop van Munster, Bernard van Galen 4. Deze hypothesen lijken minder gelukkig, daar de prent een mislukte onderneming moet verzinnebeelden en Maurits zowel als later Bernard van Galen geslaagd zijn in hun ondernemingen. Ook geen enkele naam in de op- of inschriften van deze prenten staat in vcrband met de politiek van een dezer vorsten. G. van Rijn 5 stelt voor deze prenten te beschouwen als een eenvoudige illustratie van het spreekwoord „hij werkt zich in 't nauw". Deze betekenis is niet in tegenspraak met de titel van het inschrift „Merckt wel op dees
____________________________
1 Reprod. Van Heurck en Boekenoogen, I.P.P.B.,b\z. 23. —
2 Atlas van Stolk,ai. 1064. —
3 Muller, Historieplaten, nr. 1335. —
4 Ibid, nr, 2542. Over de prins-bisschop van Munster, Bernard van Galen, zie ook de commentaar bij de dierenallegorie: „het spinnende varken". —
5 Atlas van Stolk, nr. 1064.
462
figuer en wat sy bediet: Sy leert maet, in al dat men doet en siet". Maar de verschillende personages en bepaalde passages uit het inschrift wijzen er toch op dat deze allegorische voorstelling hier in verband gebracht werd met bepaalde politieke feiten of toestanden.
Ligtveerdige Menschen die geen raad en volgen, Zijn in 't gemeen, die haaren zin doen verbolgen. Al zulken Volk vind men in alle Staaten prezent, Die wat aanvangen en denken niet op het End, d'Een verteerd zijn Goed, d'ander geeft kwaden raad : Door oproer en twist een Gemeente verlooren gaat.
Wij wagen er ons niet aan te verklaren op welke personages of op welke feiten hier gezinspeeld wordt.
Dat de zinnebeeldige hoornkruiper toegepast werd op verschillende politieke, sociale of religieuze toestanden, bewijzen een spotprent op de nederlaag van de Spaanse vlootx en een andere op pater La Chaise 2. Op de eerste staat het vertrek van de vloot uit Antwerpen afgebeeld met daarnaast een hoorn waar ,,signorken" (de Spanjaard) inkruipt. Op de tweede zien we pater La Chaise verdwijnen in de wijde opening van een hoorn, zijn voeten welke uitsteken uit het smalle mondstuk worden vastgegre-pen door de duivel. De naam van pater La Chaise stond in verband met de ophemng van het edict van Nantes (1685). Welke hier de rol is van de twee andere jezuieten, pater Peeters en pater La Febre, is ons niet bekend.
In de i8e eeuw reeds had de „hoornkruiper" zijn allegorische betekenis verlorcn en werd deze plaat door J. Kannewet (K*oi) heruitgegeven als kinderprent met het weinig zeggend opschrift: Dit is een Denkbeeld voor de Jeugd om aan t' pryzen Zig met vernoegzaamheyt te laten onderwijzen.
L. HET KEI-SNIJDEN
HEt het fonds J. Bouwer te Amsterdam (nr.69) is een afdruk bewaard van een i6e-eeuwse houtblok met de voorstelling van het kei-snijden 3. Op deze prent, welke het interieur voorstelt van een chirurgijn, zijn zeven personages afgebeeld: te midden van de kamer zit een patiente op een stoel en de chirurgijn, uitgedost als een koning, snijdt de kei uit haar voorhoofd, voor hen staat een knaap met een bord waarop reeds talrijke keien liggen; achter de stoel van de patiente staat een nar, die zich richt tot twee personen die een derde, een „zieke", binnenlaten; aan de muur, boven een tafel waarop aller-lei potten staan, hangt een bord met opschrift „Meester Kaccadorus". Boven deze prent staat de tekst: „Is iemand met de Key gebruyt, Die komt naar hier ik snyze uyt, Probatum of daarvoor geen duyt". Onder deze plaat: ,,Zie zoo, zie zoo, kom maar an, Ik zalje zonder te doen zeere, 't Zy Vryer, Vryster, Wyf of Man, Straks van de Key Cureeren".
_________________________________
1 Muller, Historieplaten, nr. 1677. —
2 Atlas van Stolk, niet gecatalogiseerd. —
3 Deze prent werd gereproduceerd inJ.G. de Lint, Geneeskundige volksprenten in de Nederlanden, Gorinchem, 1918, biz. 113, af b. 73 en in Van Heurck en Boekenoogen, I.P.P.B., biz. 25.
463
Uit de i6e eeuw zijn talrijke voorstellingen van het kei-snijden bekend1. De oudste voorstelling bcvond zich op een verdwenen schilderij van Hieronymus Bosch. Dit schilderij is ons bekend door verschillende replieken waarvan de twee voornaamste bewaard zijn, het ene in het depot van het Kijksmuseum van Amsterdam, het andere in het Prado te Madrid 2. Het kei-snijden is in de Neder-l.mden wel het best bekend door de schilderijen van Jan Steen en Jan de Bray in het Museum Boymans te Rotterdam. Ook op een paar kopergravures naar tekeningen van Pieter Bruegel is het kei-snijden .il^cbeeld 3.
Wat betekent dit kei-snijden e De kei is een zinnebeeld van de zotheid. Op een van de miseri-codia's van het koorgestoelte van Diest (einde 15c eeuw) is een nar afgebeeld met in de ene hand een spicgel en in de andere een kei. Bij het negenennegentigste exempel van het Narrenschip van Sebastian Brant (originele uitgave, Bazel 1494) zien we een nar in een schip en het onderschrift luidt volgens een Nederlandse uitgave4:
Sit in ghy Narren, sit in ghy Gecken
Wy steecken goedwillich en vrolijck vant Landt,
Men sal de Kaeyen uyt u Hooft trecken
Eer datse vast groeyen aen alien kant.
Iemand bevrijden van de kei komt dus neer op: iemand genezen van zijn gekheid. Over het kei-snijden bestaat een uitgebreide literatuur 5. Dit bevrijden van de kei is natuurlijk zinnebeeldig bedoeld en is een satire op de dwaasheid en het bedrog.
Het is merkwaardig dat een mooie gravure over dit onderwerp, uit Bruegels tijd, slechts bekend is uit een volksprent van de 19c eeuw. J. Bouwer was als zelfstandig uitgever werkzaam te Amsterdam van 1804 af. In 1816 is het houtblok van deze prent overgegaan naar de firma Clement, De Vri & Van Stegeren, werkzaam te Zwolle van 1816 tot 1829, welke hiermede ook een prent heeft gedrukt en uitgegeven.
M. „HENNETASTER" EN „HANNEKONT"
DE hennetaster is een allegorische figuur welke o. m. afgebeeld staat op het middeleeuws beeld-houwwerk van de koorgestoelten van de kerken van Aarschot, Dordrecht en Kempen 6. Ze is het best bekend door het spreekwoordenschilderij van Pieter Bruegel. Er bestaat ook een kopergravure uit Bruegels tijd, van de hennetaster, van de hand van de Antwerpse monogrammist HSDF 7 en een latere van I. Goltzius 8. We kennen slechts een volksprent gewijd aan deze figuur, namelijk de leuke
______________________________________________
1 Uitvoerigc lijsten van afbeeldingen van het kei-snijden vindt men in de bijdrage van H. Meige, Les arracheurs de „pier-res de tete", in Janus, I, biz. 393 en biz. 477; — Les peintres de la medecine; les operations sur la tete, in Nouv. Iconographie de la Salpetriere, VIII, biz. 228, 291, XI, biz. 199, 320, IIX, biz. 170, XIII, biz. 77. —
2 L. Brand Philip, The peddler by Hieronymus Bosch, a study in detection. Nederlands Kunsthistorisch Jaarbock, IX (1958), biz. 42-43, afb. 30-34. —
3 Cfr. J.G. de Bouwere, De deken van Ronse, in Het Land van Aalst, V (1953). biz. 261-267, en Atlas van Stolk, I (1958), biz. 184, nr. 289 : de heks van Mallegem. — Andere Nederlandse gravures over dit onderwerp : Muller, Historieplaten, IV, nrs. 418 y, 418 z, 418 Aa en 418 Ab. Zie ook Atlas van Stolk, I, nr. 1028. —
4 S. Brant, Affghebeelde Narren speel-schuyt, Amsterdam, 1635 —
5 Zie vooral D. Bax, Ontcijfering van Jeroen Bosch, 's Gravenhage, 1949, biz. 205-208, met uitvoe-rige literatuur. Verder J.G. de Lint, a. w., biz. 110-114. — Maeterlinck, Le genre satirique, peinture, biz. 232 en 274. —
"J.S. Witsen Elias, De Nederlandsche koorbanken tijdens gothiek en renaissance, Amsterdam, 1937, biz. 120. Zie ook: E.P. Evans, Animal symbolism in ecclesiastical architecture, Londen, 1896, biz. 241. — '
7 Reproduktie bij Hollstein, Dutch and Flemish etchings, XIII, biz. 61. —
8 J. Bolte, Bilderbogen des 16. Jahrhunderts, in Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, XIV (1895), biz. 150.
464
i6e-eeuwse prent van Hans Liefrinck (plaat IX). Doch de hennetaster werd ook afgebeeld, naast tal-rijke andere satirische personages, op enkele i8e- en i9e-eeuwse driekoningenprenten1.
Louis Maeterlinck, die een halve eeuw geleden de aandacht vestigde op het middeleeuwse hout-snijwerk van de kerk van Aarschot, veronderstelde dat deze figuur een ,,kiekendief" voorstelde 2. Deze veronderstelling houdt geen steek. Jan Grauls, de beste commentator van Bruegels' spreek-woordenschilderij, heeft de hennetaster van Bruegel en van Liefrinck uitvoerig onderzocht en af-doende verklaard aan de hand van talrijke, i6e-eeuwse refereynen en tafelspelen 3. Grauls komt tot de conclusie dat hennetaster in de i6e eeuw twee betekenissen had: vooreerst die van pantoffelheld, en in de tweede plaats de dubbelzinnige betekenis van vrouwengck, wellusteling. In het onderschrift van de prent van Liefrinck komt enkel de eerste betekenis klaar tot uiting. Met zevenentwintig vers-regels wordt de man gewaarschuwd: laat het vrouwenwerk voor de vrouwen, speel baas in uw huis.
Regeert u als meester ws huys / de reden want Soo sal sij u ontsien / ende huer niet teghen u stellen Oft anders soo sal sij U inden torfhoeck vellen.
De teksten van de koningbriefjes bevestigen de stelling van Jan Grauls en bewijzen dat niet alleen in de i6e eeuw, maar ook in de i8e en de ioe eeuw de „hennetaster" eveneens een dubbelzinnige betekenis had. Dit blijkt ten dele uit het onderschrift van de ,,hennetaster", op prent nr. 26 van P.J. Brepols te Turnhout:
Al moest ik voor altijd vasten, Toch moet ik de hennen tasten, Ook een ieder keurt dit goed, En dat tasten valt mij zoet.
maar vooral uit het gezelschap waarin de ,,hennetaster" zich op deze prent bevindt: een ,,venus-koppelaar" en een ,,hoorndrager". Al deze figuren staan in verband met het ongeoorloofde miimespel. Op deze driekoningenbriefjes heeft een ander personage de rol overgenomen van de pantoffelheld, namelijk „hannekont" die met volgend onderschrift vereerd wordt:
Naar de markt gaan, 't huis uit keren Vagen, schomlen doe ik geren, 't kindsgoed wasschen uit den stront Maak me een regte Hannekont.
Deze ,,hannekont" is dus een broertje van ,Jan de Wasser" 4.
N. VERSCHILLENDE ALLEGORISCHE ONDERWERPEN
einige van de houtblokken bestemd voor het drukken van de hierna vermelde volks- en kinder-prenten, werden oorspronkelijk gegraveerd voor dit doel. De meeste zullen vermoedelijk bestemd geweest zijn voor het illustreren van geleerde traktaten, van didactische werken of van emblematabundels.
_____________________________
1 Brepols nr. 26. Zie hoofdstuk : Kalenderfeesten, b. driekoningen. —
2 L. Maeterlinck, he genre satirique, sculpture, biz. 154, reproduktie biz. 157. —
3 J. Grauls, Volkstaal en Volskleven in het werk van Pieter Bruegel, Antwerpen-Amsterdam, 1957, biz. 141-147. —
4 Zie hoofdstuk : onderwerpen ontleend aan de letterkunde van de i6e eeuw.
465
De wagen met de zeven hoofddeugden (Kannewet **io), de allegorische uitbeelding van geloof en liefde (Kannewet *I3), de negen zanggodinnen (Kannewet *o), Simmetria (Kannewet *i4), de allegorische voorstellingen van de geleerdheid, achtbaarheid enz. (Kannewet **87), zijn alle prenten gedrukt met blokken gegraveerd in de i6e of de 17c eeuw.
Prent 116 van Jac. van Egmont „Van de Twee Aanbidders", een allegorische voorstelling van de aardse en de bovenaardse liefde, is de herdruk van een kunstplaat uitgegeven door M.J. Brandt te Amsterdam in de eerste helft van de 17c eeuw l.
Een paar andere onderwerpen (de kinderschrik en de allegoric van de dood van ,,Krediet") behoren van htm oorsprong af tot het domein van de volkskunst. Geen van beide onderwerpen komt voor bij de Nederlandse kinderprenten. Het is via de „Imagerie d'Epinal" dat deze onderwerpen zijn terechtgekomen bij de Belgische kinderprenten.
De kinderschrik „Croquemitaine" is van zuiver Franse oorsprong. Croquemitaine was een zoon van Gargantua, het is de Franse ,,boeman" geworden en hij had dezelfde functie als de Duitse ,,Kinder-fresser" 2.
________________________________
1 Reprod. Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 535. —
2 Zie H. Wascher, Das deiitsche illustrierte Flugblatt, Dresden, 1955, plaat 13, reproduktie van „Der Kinderfresser", uitgegeven door L. Schultes te Augsburg in 1590.
466
De dood van „Krediet", Credit est mort, les mauvais Payeurs Font tue, is een thema van meer inter-nationaal formaat \ maar is ook via Frankrijk in de Belgische kinderprenten terechtgekomen. Prent nr. 72 van Brepols is een getrouwe kopie van de prent van Pellerin uit Epinal, over hetzelfde onder-werp 2. Maar niet alleen in Frankrijk, Italie, Polen en Duitsland 3 was dit onderwerp sedert twee of drie eeuwen bekend, ook in de Nederlanden was er reeds sprake van. De Antwerpenaar Franciscus Sweerts had reeds in 1625 in zijn Epitaphia Ioco-Seria 4 een paar gefmgeerde grafschriften gepubli-ceerd op de dood van „Krediet". Het is wel verwonderlijk dat dit thema niet behandeld werd in de Nederlandse volksprenten.
_______________________________
1 R. Saulnier, Credit est mort, theme international d'imagerie populaire, in Le Folklore Vivant, I (1946), biz. 33-54. A. Spamer, Credit ist tot, in Volkskundliche Gaben,John Meier..., Berlijn en Leipzig, 1934. —
2 Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 179. —
3J. Bolte, Bilderbogen des 16. und 17. Jahrhundcrts, Zeitschrift des Vereinsfiir Volkskunde, XX (1920), biz. 195-202, prent nr. 32 van Paul Fiirst uit Neurenberg (1638-1666) : „Traurige Klag oder den erbarmlichcn Abschied des wohlbekandten Herrn Credits". Zie ook H. Wascher, a. w., pi. 68 „Contrafactur oder ware Abbildung || Des in alien Landen o verlohren 0 verdorbenen o gestorbenen || Edlen und Besten gewesenen Herren || Credits". —
4 F. Sweer-tius, Epitaphia Ioco-Seria latum, gallia, italica, hispanica, lusitania, belgica, Keulen 1625.
De meeste allegorische prenten hebben, zoals we gezien hebben, een satirische strekking. Doch deze strekking is verhuld in een zinnebeeldig kleedje. Al deze allegorische satiren hadden we ook onder deze rubriek kunnen onderbrengen, maar we .ichtten het wenselijk de allegorische prenten samen te behandelen en onder de rubriek: satirische onderwerpen, die hekel- en spotprenten te behandelen, waar geen symbolische of allegorische voor-stellingen bij te pas komen.
A. VAN PILLENDRAAIERS EN KWAKZALVERS TETJEROEN EN BESJE VAN MEURS
De populariteit van „Tetjeroen" was zeer groot in de Nederlanden en heeft van de 17c eeuw af voortgeduurd tot het begin van de 2oe eeuw. Een grappenmaker Tetjeroen zou in de 17c eeuw werkelijk bestaan hebben en hij zou voor tzaar Peter de Grote, tijdens diens verblijf in Holland, met zoveel succes zijn kunsten vertoond hebben dat deze Tetjeroen zou uitgenodigd hebben hem te ver-gezellen naar Rusland 1.
Een twaalftal verschillende prenten stellen zijn levensgeschiedenis voor, telkens in vierentwintig houtgravures. De onderlinge verschillen van deze prenten zijn weinig belangrijk.
Tetjeroen treedt in dienst bij de „doctoor", leert het piskijken, vestigt zich als apotheker, „Tetje maakt van paardevijgen / Poeder voor die Tandpijn krijgen", hij verhuurt zich bij een meester „Repzeteur", die hem aanneemt omdat hij „Potzen maaken kan", hij prijst de zalf aan van zijn meester, maar gaat toch ,,van zijn meester loopen", hij treedt nu meer zelfstandig op, verkoopt zijn waar en „geneest een blinde die zijn thuys niet meer kon vinde", hij heeft weer wat nieuws gevonden en treedt op in een ton en op het laatst in een „Piramiet", een soort roltent in piramidevorm.
De oudste Tetjeroen-prenten zijn die van Jan en Jacobus Bouman en van Gysbert de Groot-Keur te Amsterdam, de jongste die van de Turnhoutse drukkers Brepols, Glenisson & Van Genechten en Beersmans. Op de Belgische prenten eindigt Tetjeroen zijn carriere weinig roemvol, hier wordt hij eenvoudig voor gek verklaard.
In de eerste helft van de vorige eeuw heeft J. Noman te Zaltbommel een vernieuwde Tetjeroen-prent uitgegeven (nr. 235) en ook de naam van de kwakzalver gewijzigd. Het opschrift van deze prent luidt:
Hans Beuling treedt hier op 't tooneel
Hy speelt zijn Rol en krijgt zijn deel.
Hy wil geen Tetjeroen meer heeten.
Waar hy zijn werk niet is vergeten
't Is echter wat gij hier, 6 Jeugd bedrijven ziet
Door Hans en Meester Kwak, bedrog en anders niet.
Heer Kwak is de gediplomeerde meester in de medicijnen, onder wiens vlag Hans Beuling op-treedt, kwestie van de wet te ontduiken 2.
_____________________________
1 Muller, Historieplaten, IV (1822), biz. 269, nr. 3006. — „Son nom est encore tres populaire a Anvers" zo verklaarden Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 182, ongeveer vijftig jaar geleden. —
2 J.G. de Lint, Geneeskundige volksprenten in de Nederlanden, Gorinchem 1918, biz. 99-102.
468
Het succes van ,,Tetjeroen" was aanleiding voor de uitgever J. Kannewet om de naam van deze populaire figuur te gebruiken voor de titel van een prent (nr. 54) met de afbeelding van zesendertg koddige personages, waarvan verschillende, in die tijd, omstreeks het midden van de i8e eeuw, be-kende volkstypen zullen geweest zijn. De titel van bedoelde prent luidt:
Hier is Tetjeroen / Met zijn fatzoen / Die nu Dood is.
En al de Gekken met haar Snaaren / Die daar Waaren / Mee op zijn Begraffenis.
De eerste figuur op deze prent is natuurlijk ,,Tetjeroen". De tweede zijn huisvrouw ,,Koen". Van de andere afgebeelde personages vermelden wij nog: Hanzelijn, Malle Catrijn, Malle Piet en kwa' Griet, Jantje Schok, Malle Geertruyt, Malle Abigel, Uilenspiegel, Besje van Meurs, Malle Jak-kemijn, Broer Cornelis. Bij de Erven Hendrik van der Putte is onder de titel Jongens wil gy kluchtig zijn I Koopt Jan en Marretje van Oostzaen van tnijn, een prent verschenen met ongeveer dezelfde personages en waarop 00k Besje van Meurs is voorgesteld, met een pijp in de mond.
De figuur van Besje van Meurs, kunnen we hier even toelichten. Zij was ,,hongerkunstenares" en in de opinie van het groot publiek hield deze eigenschap nauw verband met kwakzalverij. Haar eigenlijke naam was Eva Vliegen en zij woonde in de huidige Duitse stad Meurs. Zij leefde in de laatste helft van de i6e en het begin van de 17c eeuw. Van 1594 af verminderde haar eetlust en van 1597 tot 1611 zou zij noch gegeten noch gedronken hebben. Zij was in het bezit van attesten van het ma-gistraat van Meurs en van andere steden en ontving het bezoek van vele duizenden personen uit alle standen en verre landen. In het boek van J.G. de Lint is een prent gereproduceerd x met een portret van Besje van Meurs en haar levensbeschrijving in het Frans. Zij kreeg als beweegbare pop een plaats in de „Doolhof" te Amsterdam en op de prenten gewijd aan de ,,Doolhof" (Rynders 13, Stichter 114 = Noman 138) vinden we dan 00k telkens een afbeelding van Besje van Meurs. In de i8e eeuw, de tijd van de Aufklarung, werd Besje van Meurs voor een huichelaarster aangezien en onder een afbeelding van haar portret, op een niet geidentificeerde volksprent2 gereproduceerd in het aangehaalde boek van J.G. de Lint, leest men het onderschrift:
Zie hier het leugenachtig Besje, Van Meurs; gewis een raar Matresje.
De belangstelling voor het geval Besje van Meurs bleef voortduren tot laat in de 19c eeuw 3. Nederlandse prenten uitsluitend gewijd aan Besje van Meurs zijn niet verschenen; alle hieronder vermelde platen zijn Tetjeroen-prenten.
___________________________________________
1 Ibid., biz. 44 afb. 26 prent uitgegeven in 1611 door A.Jansen te Zutphen —
2 J.G. de Lint, a. w., biz. 45. —
3 Atlas van Stolk, a. w., II, nr. 1304, verwijst naar artikels verschenen in Dietsche Warande van 1871, Volksalmanak voor Ned. Katholieken van 1872, Tijdspiegel van 1894. Over hongerkunstenaars is herhaaldelijk spraak in de Franse „Histoires Prodigieuses" van de i6e en de 17c eeuw. Zie R. Schenda, Die franzbsische Prodigieniiteratur in der zweiten Halfte des i6.Jahrhunderts. Miinchen, 1961, biz. 109.
Afb. 143. Dokter Stok-vis en zijn knecht Spring in 't Veld. (Coll. v. Kuyk.) +-
470
DR. STEEVEN EN ZIJN KNECHT SPRING IN 'T VELD
ZIJN de prenten van Tetjeroen en de afbeeldingen van Besje van Meurs ge'inspireerd door historischc personages, dan is zulks niet meer het geval met de prenten van Dr. Steeven en zijn knecht Spring in 't Veld. Slechts het eerste gedeelte van deze prent vertoont de streken van een luidruchtige kwakzalver en vooral van zijn helper Spring in 't Veld. De tweede helft is een parodie op het onge-lukkige huwelijksleven van Spring in 't Veld, die bezwijkt onder de tirannie van zijn wijf. Het slot van dit verhaal kunnen we zien als een variante op de historie van Jan de Wasser.
Spring in 't Veld was vanaf de oudste prent de centrale figuur van het verhaal, de andere personages hebben slechts geleidelijk een definitieve naam en een definitieve gestaltc gekregen. In de oudste prent, Kannewet nr. 78, verschenen onder de titel
Zajongens komt met hoopen / En wild dees Printjes koopen. Want hier hebje poor u Geld / Het Leven van Spring in 't Veld.
kent men nog geen Dr. Steven, hier heet de kwakzalver ,,Doctoor Stok-vis". Deze neemt Spring in 't Veld in dienst, maar ,,De Juffrouw wil hem 00k bekijken / of de Knegt haar wel zal lijken". Op het derde plaatje zien wij de „doctoor" met het urineglas in de hand, op het vierde haalt Spring in 't Veld de kruiden uit het vat, op de plaatjes 5 tot 8 wordt voorgesteld hoe Spring in 't Veld op de publieke tribune, door zijn kluchtig optreden als een ,Jan Klaasse", zijn waar aan de man brengt en (plaatje 9) ,,Toen hij zijn Waare had Verkogt / Heeft hy zijn Meester 't Geld gebrogt". De overige plaatjes vertonen verder het vrijen, trouwen en sterven van de held. Hij heeft afscheid genomen van zijn meester, gaat uit vrijen:
Ey ziet eens de Liefde is groot
Hy zet zijn Lief hier op zijn Schoot.
Zijn vrijster laat hem haar inboedel zien en die bevalt hem, zij vieren bruiloft. Spring in 't Veld is nu ,,Baas geworde", treedt zelfstandig op in het publiek, maar thuis krijgt hij van de roede, hij ,,roept kwartier" en ,,hij verzoekt om Vreede goed", maar hij wordt ,,melankoliek" en sterft.
Op prent 21 van J.H. de Lange is Spring in 't Veld reeds tot ,,Dokter" gepromoveerd.
Op prent 26 van J. van Egmont, hebben Dr. Steven en zijn knecht Spring in 't Veld hun definitieve gestalte gekregen. De grond van het verhaal heeft geen belangrijke wijzigingen meer ondergaan. ,,Dr. Stok-vis" is „Dokter Steven" geworden. Van Jan Klaassen is geen sprake meer. Het onderschrift van plaatje 17 is nog wat realistischer geworden:
De Bruid en Bruigom zijn te Bed O Jee! Wat hebben zy een pret.
De houtblokken van deze prent, gegraveerd door H. Numan, zijn achtereenvolgens in het bezit
gekomen van de firma's Hendriksen te Rotterdam (nr. 42) en J. Noman & Zoon te Zaltbommel
% (nr. 109). Twintig van de vierentwintig originele houtsneden werden later herdrukt door Van Staden
te Amsterdam (nr. 83) en Hemeleers (nr. 113) te Schaarbeek (Brussel). De onderschriften werden aan-
gepast aan de I9e-eeuwse begrippen van goed fatsoen.
Het is niet uitgesloten dat de historic van Spring in 't Veld in de 17c of i8e eeuw het onderwerp zou geweest zijn van een onbekend kluchtspel. Gezien het optreden van Dr. Steven en zijn knecht hebben wij deze prent geclasseerd bij de parodieen op de kwakzalvers, we hadden ze 00k kunnen behandelen bij de verhalende prenten.
471
KWAKZALVER JURGEN
Een prent, gemerkt O, uitgegeven door J. Bouwer en de Wed. J. Ratelband, en door hun op-volgers herhaaldelijk herdrukt, geeft een leuk beeld van het optreden van een kwakzalver op het eind van de i8e eeuw te Amsterdam. Deze prent (zie afb. 70) werd gegraveerd door J. Oortman die, evenals J. Robyn en H. Numan, verschillende taferelen uit het volksleven heeft in beeld ge-bracht.
Kwakzalver Jiirgen is uitgedost als een generaal, hij wordt bijgestaan door zijn rijk uitgedoste vrouw met grote pluim op de hoed en door een hansworst; om het volk te lokken heeft hij 00k een aap bij zich die een klisteerspuit hanteert. G. van Rijn * meent dat de tekenaar in de kwakzalver en zijn vrouw, de hertog van Brunswijk en de prinses van Oranje heeft willen afbeelden. Wij achten zulks volkomen uitgesloten, niet alleen omdat deze mening geheel ongemotiveerd is, maar vooral door het feit dat deze prent verschenen is onder de auspicien van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Elke afdruk is voorzien van het zegel van de Maatschappij en deze zou nooit toegestaan hebben dat onder haar toezicht en haar verantwoordelijkheid een spotprent verscheen op het huis van Oranje. Deze auspicien brachten 00k mee dat de prent een vormende en opvoedende waarde moest hebben. In een onderschrift van zesendertig versregels wordt er dan 00k erg te keer gegaan tegen deze bedriegers en oplichters, en de kinderen worden gewaarschuwd dat, wanneer zij zullen volwassen zijn, ze zich moeten hoeden voor ,,zulk geboefte".
* * *
Tandentrekken en piskijken werd toevallig 00k afgebeeld op andere prenten. We vermelden hier slechts het leuke tafereel met de tandentrekker die, bijgestaan door een harlekijn en een mooi-prater, op een verhoog zijn kunst vertoont, afgebeeld op prent nr. 81 van J. Hendriksen te Rotterdam, en de karikatuur van de piskijker op de prent nr. 13 van Stichter te Amsterdam, met het welspre-kend onderschrift:
Ik Dokter Bril, Door 't Pisglas heen,
Zie wat ik wil En weet met een
Dat zieken deeren, Hun kwaal te weeren.
B. KARIKATUREN OP GEBREKKIGEN EN MISVORMDEN
IN vroeger eeuwen was men niet mild voor de misdeelden. Het nog levende spreekwoord ,,Wacht u voor de getekenden" bewijst dat deze opvatting nog sporen nagelaten heeft in de huidige volksmentaliteit.
Lieden met misvormde ledematen, kreupelen en bedelaars werden gewantrouwd en bespot.
__________________________
1 Atlas van Stolk, V, 1901, biz. 153, nr. 3933.
472
1. KARIKATUREN OP DE NEUZEN
Reeds in de Gallo-Romeinse tijd werden satirische voorstellingen gemaakt van personages mel abnormaal grote of met misvormde neuzen. Te Tongeren werd een bronzen beeldje met dergelijkc voorstelling opgegraven en in het museum van Saint-Germain is een gelijkaardig beeldje bewaard in terracotta \
Van Lennep en Ter Gouw spreken 2 van een ,,gildbrief" uit het begin van de ije eeuw, ,,waarin alle soorten van neuzen werden opgesteld, in houtsnede afgebeeld". Van deze prent hebben we nergens een exemplaar gevonden en weweten dan ook niet of deze gravure tot model gediend heeft hetzij van de „twaalf paar neusen als reusen" van J. Kannewet te Amsterdam (nr. *26), hetzij voor de eveneens zeer oude prent (nr. 25) van J. Seydel te Leeuwarden.
De firma Stichter te Amsterdam had omstreeks het eind van de i8e eeuw een nieuwe prent laten graveren (nr. 69) met zestien afbeeldingen van personages met monsterachtige neuzen (afb., Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., biz. 478) en heeft met deze prent blijkbaar zoveel succes gehad, dat zij door de graveur A. Robyn nog twee andere neuzen-prenten heeft laten maken (nrs. 68 en 213). Ook de Belgische uitgevers Brepols (nr. 24), Wellens en Delhuvenne (nr. 17), Glenisson en Zoon (nr. 44) en Beersmans (nrs. 6 en 52) hadden neuzen-prenten in hun fonds.
_______________________
1 L. Maeterlinck, Le genre satirique, peinture, biz. 16 en 17. — i De Uithangteekens, I, biz. 158.
473
2. KARIKATUREN OP KREUPELEN EN GEBOCHELDEN
De iconografie van kreupelen en misvormden reikt terug tot ver in de middeleeuwen. Vechtende en bedelende kreupelen werden herhaaldelijk afgebeeld in de versierde beginletters of in de i.mdversieringen van de verluchte handschriften uit de lie en I2e eeuw*. De menselijke ellende was voor de middeleeuwse kunstenaar een niet te versmaden picturaal element. Ook de beeldhouwers inaakten er graag gebruik van; op een misericordia van de Sint-Sulpitiuskerk van Diest (15c eeuw) is met grote vaardigheid een kreupele bedelaar afgebeeld 2. Jeroen Bosch en Pieter Bruegel hebben, in de 16e eeuw, op hun schilderijen en tekeningen herhaaldelijk gebrekkigen en misvormden voorgesteld. 3 I )e uitgevers van kinderprenten hebben deze traditie voortgezet. De kreupelen en bedelaars afgebeeld op de prenten van Isaak van der Putte (nr. 55, afb. 165), van J. Kannewet (nr. *44) en van de Wed. |. Ratelband en Bouwer (nr. 15) zijn nauw verwant met de personages van Bosch en Bruegel. Dit is ook het geval met de personages voorgesteld op een reeks I7e-eeuwse houtblokken uit het museum Hnschede, welke ongetwijfeld gediend hebben voor het samenstellen van een kinderprent (gerepro-duceerd bij Enschede, Fonderies, biz. 160-161).
Uit de titel van de prent van Kannewet spreekt nog de geest van de middeleeuwen:
Al dat op den Bedel-zak geerne leeft 't Gaat meest al kreupel op beyde zijden Daarom den Kreupelen Bisschop veel Dienaars heeft Die om een vette proefden regte gauge mijden.
De woorden kreupele en bedelaar waren haast synoniem. Lichamelijke gebreken waren de voor-naamste aanleiding tot bedelarij. Op het einde van de i8e eeuw was deze toestand weinig gewijzigd. l'ieter Barbiers, zelf een zonderling personage, tekenmeester, dichter, fabrikant van waaiers en gooche-laai op de koop toe 4, schetste een twintigtal bedelaars, waarvan er twaalf in koper gegraveerd werden door P. Langendijk en zes door A. Smit 5. Men veronderstelt dat hier de meest bekende bedelaars van die tijd zijn afgebeeld 6. De houtgraveur H. Numan heeft twaalf van deze kopergravures gekopieerd, zes uit elke reeks, voor het samenstellen van een volksprent7, vermoedelijk door hemzelf uitgegeven. Acht van deze houtblokken zijn later in het bezit gekomen van de uitgever Thompson te Rotterdam die hiermede, onder de titel Hier heb je agt stuks raare Snaaken \\ die met Bedel' aan de kost geraaken, prent nr. 121 gedrukt heeft. Deze prent werd in het begm van deze eeuw voor het laatst herdrukt van de originele blokken, door de firma Beersmans (nr. 101) te Turnhout 8. Deze houtgravures van 11. Numan waren in het begin van de vorige eeuw reeds gekopieerd door H. van Lubeek voor de firma Van de Sande (nr. 6); ook deze houtblokken zijn later naar Belgie gekomen en gebruikt door de firma Brepols voor prent 165.
Naast de kreupelen waren ook de gebochelden het onderwerp van schimp en spot 9. Deze lieden een aalmoes geven is geld weggooien, dit is de mening welke blijkt uit het opschrift boven een prent van de Erve H. van der Putte (nr. 68), met de afbeelding van vieren twin tig gebochelde bedelaars:
Dees Kreupele Boggels sonder Kleeren, Haar Aalmoes geld onnut verteeren.
_________________________________
1 Bibliotheek Douai, handschriften 253, 257, 361, 381, 492. Twee afbeeldingen bij Maeterlinck, Le genre satirique, peinture, Brussel 1907, biz. 32-33. —
2 Maeterlinck, Le genre satirique, sculpture, Brussel 1910, biz. 136. —
3 D. Bax, Ontcijfering van Jeroen Bosch, 's Gravenhage 1949, biz. 50-53; zie ook platen 12 en 30. —
4 Waller, Biogr. Woordenb., biz. 14. —
5 Atlas van Stolk, V (1901), biz. 128, nrs. 3846-3847. —
6 Atlas van Stolk, ibid.; zie ookJ.G. de Lint, Geneeskuudige volksprenten in de Nederlanden, Gorinchem 1918, biz. 95. —
7 Atlas van Stolk, V (1901), biz. 128, nr 3848. —
8 Een exemplaar van deze prent is ingelast tegenover biz. 512 in het werk van E. van Heurck en Boekenoogen, I.P.F. —
9 Champfleury, Histoire de I'imagerie populaire, Parijs 1869, biz. 216-230.
475
Een ietwat mildere toon klinkt uit het opschrift boven prent 83 van J.J. Thompson te Rotterdam:
Ziet hier, 0 Kinderen weer iets raers; Een gantschen stoet van Bedelaers, Veele uit gebrek, veele arm in schyn, God help ze alien wie het zyn.
Omstreeks het midden van de vorige eeuw was „Mayeux" de meest populaire gebochelde figuur in Frankrijk. „Mayeux" is een creatie van de Franse karikaturist C.J. Travies, deze figuur was de irei pcrsoonlijking van de opgeblazen kleine burger. Ontstaan omstreeks 1830 speelt dit gefingeerd personage niet enkel een rol in de karikatuur en de populaire literatuur, maar er verscheen zelfs een pJLe Mayeux, journal politique" *. Het is dan haast vanzelfsprekend dat dergelijke populaire figuur ook een plaats kreeg in de volksprent, althans in de Franse en in de Belgische. Brepols (nr. 112) en (ilenisson & Zn. (nr. 112) te Turnhout en Hemeleers (nr. 78) te Schaarbeek hadden elk een „Mayeux"-prent in hun fonds.
DWERGPOS TUREN"
De „dwerg-posturen" zoals H. Numan er tweemaal vierentwintig heeft uitgebeeld voor de prenten nr. 12 en nr. 13 van de firma Stichter, zijn kleine gedrochtehjke figuren, meestal met een bochel, zij doen dienst als mode-karikaturen. De eerste veertien van deze houtgravures zijn afdrukken van do prentjes welke voorkomen in het plaatwerk 't Gemeene best der Fraaije dwergen 2. Aan dit „gemene best" waren voorafgegaan in 1720, een Schou-burg der Dwergen en in 1716 Het Dwergen tooneel. Dit laatste was een kopie van het Duitse Zwerchen Cabinet van omstreeks 1700 3.
Dergelijke ,,dwerg-posturen" werden op de kinderprenten ook herhaaldelijk voorgesteld als nuizikanten. In het hoofdstuk ,,Ambachten en beroepen" geven wij onder de rubriek ,,Muzikanten" een lijst van de prenten waarop dergelijke dwerg-muzikanten zijn afgebeeld.
476
C. KARIKATUREN OP DE MODE
Buitensporigheden in klederdracht, hoofddekscls en -L' haartooi, vooral van de vrouwen, wekten al vro€| de spotlust op van dichters en tekenaars. Jacob van M.km -lant, Jan Boendale en andere middeleeuwse dichten ' hekelden de ijdele opschik van de vrouwen. Wij citcrcn enkele verzen uit Jans Teestije2:
Dat wijf boven alle scoenheyt begheert : Dat moghedi merken, want si smeert Haer aenschijn ende hare ghedane anders dan God maecte daer ane, Ende maken hoerne twee Ghelijc enen stommen vee, Ende enen sleyp na haren ganc Oft waer een steert, II ellen