DE VOLKS- EN KINDERPRENT IN DE NEDERLANDEN VAN DE 15e TOT DE 20e EEUW
DOOR MAURITS DE MEYER

 

DEEL 1  - INLEIDING, HISTORISCH OVERZICHT EN PROEVE VAN CATALOGUS

Vanuit het document komt u met ctrl-home weer terug bij de onderstaande lijst.  

 

VERANTWOORDING EN INLEIDING


Verantwoording  
Algemene inleiding
Volksprenten, volkskunde, cultuurgeschiedenis   
Uitvoering, prijs, bestemming  
Benamingen volks- en kinderprenten 
Lijst van verkort aangehaalde werken 

HISTORISCH OVERZICHT


15e eeuw 
16e eeuw 
17e eeuw   
18e eeuw  
19e eeuw en 20e eeuw 

PROEVE VAN CATALOGUS


Inleiding.
A. Wat gecatalogiseerd werd
B.  Hoe de catalogus werd opgesteld  
C. Het identificeren van de prenten.

     Alfabetische lijst van wederverkopers
D. Lijst van de gesigneerde prenten gerangschikt op naam van de graveurs

________________________________________________________________________________________

p. 5

VERANTWOORDING

MEN kan zich afvragen of er naast het monumentale werk van E. van Heurck en G. J. Boekenoogen, Histoire de l'imagerie populaire flamande et de ses rapports avec les imagenes étrangeres, 1 en naast het rijk geïllustreerde L'imagerie populaire des Pays-Bas, 2 van dezelfde auteurs, nog plaats is voor een nieuw werk over de volks-en kinderprenten van Nederland en België.
Om deze vraag te beantwoorden moeten we even nagaan wat er in deze twee werken wel en wat er niet behandeld is.
De verzamelingen volksboeken, bedevaartvaantjes, heiligen-prentjes en „mannekensblaren" van Emile van Heurck vormden de grondslag voor zijn publicaties over deze onderwerpen. Zoals hij in het woord vooraf, tot zijn Histoire de ïimagerie populaire flamande meedeelt, had Van Heurck van de Tumhoutse firma Brepols de houtblokken gekocht, welke gebruikt waren voor het drukken van kinderprenten. Bij de firma Beersmans had hij het volledig restant kinderprenten opgekocht. Daarnaast had hij gedurende vele jaren „mannekensblaren" verzameld en zich voorgenomen een boek te schrijven over de Tumhoutse prenten. Dit project was vermoedelijk reeds grotendeels uitgevoerd op het ogenblik dat Van Heurck in contact kwam met Dr. Boekenoogen. Zij besloten het boek samen uit te geven, maar het in een ruimer kader te plaatsen. Hoofdschotel bleef de geschiedenis en de beschrijving van de Tumhoutse prenten, hieraan werden vijfhonderd éénentwintig bladzijden gewijd. Daarop volgde een „Apercu de l'imagerie populaire des divers pays de 1'Europe", waarin aan „La Hollande" zevenentwintig bladzijden (blz. 543-568) werden toebedeeld, illustraties inbegrepen. Naast de uitvoerige beschrijving van de Vlaamse prentenxvormden de enkele pagina's gewijd aan de Noordnederlandse prenten slechts een zeer beknopte schets. In verband hiermede mogen wij niet vergeten dat de Nederlandse prenten, veel belangrijker en tenslotte vier a vijf maal zo talrijk zijn geweest dan de Vlaamse prenten.
Vimagerie populaire des Pays-Bas verscheen ongeveer twintig jaar na het eerste boek. Het gedeelte van Dr. Boekenoogen, over de Nederlandse prenten, is een herziene en licht vermeerderde herdruk van zijn uitstekend maar beknopt essay uit het eerste boek, aangevuld met een beknopte lijst van drie Nederlandse fondsen van kinderprenten. Daarnaast gaf Van Heurck een even uitvoerige schets van de geschiedenis van de volks- en kinderprent in België, met een lijst van de prenten uit de Tumhoutse fondsen.

________________________________
1 Brussel, 1910. - 2 Parijs, (1930).

p. 6

De Turnhoutse prenten dateren alle uit de 19e eeuw. Uit de 17e en 18e eeuw zijn slechts een paar Vlaamse volksprenten bewaard gebleven. In Nederland waren er in de 19e eeuw nog een vijftigtal drukkers werkzaam als uitgevers van kinderprenten, uit de 18e eeuw zijn honderdtallen Nederlandse volks- en kinderprenten bewaard en uit de 17e eeuw nog een twintigtal. Een uitvoerig overzicht van deze belangrijke produktie bleef dus nog te schrijven.
Daarbij komt dat in Nederland, sedert het verschijnen van de twee genoemde boeken, veel nieuwe prenten, zowel uit openbare als uit particuliere verzamelingen, aan de dag gekomen zijn. Ook met betrekking tot de aangroei van de documentatie kunnen wij een treffend voorbeeld geven : van drie van de zestig min of meer belangrijke Nederlandse fondsen van kinderprenten heeft Boeken-oogen een catalogus samengesteld. Zijn catalogus van de firma Kannewet bijvoorbeeld vermeldt 121 prenten. Uit dit zelfde fonds hebben wij thans 201 prenten kunnen catalogiseren.
Ook wat de vroegste geschiedenis van de Nederlandse volks- en kinderprent betreft, konden we heel wat nieuwe getuigenissen samenbrengen, zowel uit de 15e als uit de 16e en 17e eeuw. Maar dan rijst een tweede vraag : aangezien de Vlaamse prenten reeds eerder uitvoerig behandeld werden, waarom zijn deze zelfde prenten dan opnieuw bij het onderzoek betrokken? Oorspronkelijk was het inderdaad onze bedoeling om in dit bock niet uit te weiden over de Vlaamse prenten, en voor details hieromtrent te verwijzen naar het werk van Van Heurck. Maar zowel wat de geschiedenis van de Turnhoutse fondsen als wat de identificatie van de prenten zelf betreft, zijn er intussen zoveel nieuwe elementen komen opdagen, dat thans een herziening van wat vijftig jaar geleden hierover is
geschreven, zich opdrong.
Er is echter een meer dringende reden om de volks- en kinderprenten uit Noord- en Zuid-Nederland samen te behandelen, namelijk het feit dat zij samen nauw verbonden zijn. Tal van 18e-ecuwse prenten van Amsterdamse uitgevers zijn gedrukt met houtblokken van Vlaamse graveurs uit de 16e en de 17e eeuw. De ,,Thyl-Uilenspiegel"-prent van de wed. Jacobus van Egmont te Amsterdam is gedrukt met de houtblokken van de Antwerpse Uilenspiegel-uitgave van Jan van Ghelen uit 1575. Verschillende prenten uit de Amsterdamse fondsen Van Egmont, Kannewet, Rynders, Van Ryschoten en uit de fondsen van O Brouwer te Hoorn, J. Thompson te Rotterdam, J. Noman te Zaltbommel zijn gesigneerd I.C.I., de initialen van de 17e-eeuwse Antwerpse houtgraveur Jan Christoffel Jegher. Maar vaker nog waren Belgische prenten gegraveerd door Hollandse houtgraveurs uit de 16e, 17e en 18c eeuw. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat het materiaal van verschillende Hollandse uitgevers van kinderprenten omstreeks het midden van de vorige eeuw in het bezit gekomen was van Belgische uitgevers van kinderprenten. Zo is het fonds kinderprenten van de firma Brepols te Turnhout voor een belangrijk deel (prenten nrs. 149 tot 191, 193, 195 tot 201) gedrukt met houtblokken afkomstig van de firma J. Noman te Zaltbommel. Veel houtblokken uit het bezit van deze firma waren op hun beurt afkomstig uit oudere Amsterdamse fondsen zoals die van Stichter, Kannewet en I )e Groot. In het fonds Glenisson en Van Genechten te Turnhout zijn zevenendertig prenten opgenomen uit het Rotterdamse fonds van J. Thompson, en tweeëndertig andere uit het fonds Noman. ()ugeveer de helft van de prenten uitgegeven door M. Hemeleers te Schaarbeek zijn gedrukt met houtblokken afkomstig van de firma Van Staden te Amsterdam.
In de Histoire de l'imagerie populaire flamande van Em. van Heurck vindt men bij elke prent een fragmentarische „histoire a rebours", een geschiedenis in omgekeerde richting. Uitgaande van een i'ji-ecuwse prent wordt de oorsprong hiervan opgezocht tot in de 18e en eventueel tot de 17e en tóe eeuw. Deze „weg terug" leidt meestal naar Nederland.
Niet alleen wat de produktie betreft, maar ook wat de distributie aangaat, was er een belangrijke lamenhang tossen Noord en Zuid. De Vlaamse kinderprenten werden door bemiddeling van een dertigtal Nederlandse grossiers, gevestigd in een twintigtal plaatsen, over geheel Nederland verspreid.

p. 7

Deze wederverkopers ontvingen prenten bedrukt met hun firmanaam, zodat vele prenten waarop namen prijken als J.A. Aldag te Amsterdam, J. Proost te Leeuwarden, J. van Houtum te Arnhem enz., geen Hollandse prenten zijn, maar uitgaven van de Belgische drukkers P.J. Brepols, J. Delhuven-ne of Glenisson en Van Genechten te Turnhout.
Dit alles bracht ons ertoe een nieuw systematisch onderzoek te wijden aan de Nederlandse volks-en kinderprenten in hun geheel. In de volgende paragraaf willen wij het cultuurhistorisch belang nagaan van een dergelijk onderzoek.

p. 8 blanco

p. 9

ALGEMENE INLEIDING

VOLKSPRENTEN, VOLKSKUNDE, CULTUURGESCHIEDENIS. — De beoefening van de volkskunde bracht ons tot de studie van de volksprenten.
Het belang van de volks- en kinderprenten voor de kennis van het volksleven behoeft weinig betoog. De honderdtallen afbeeldingen van kinderspelen, van spreekwoorden, van ambachten en beroepen, de afbeeldingen van volksgebruiken en volksfeesten, de voorstellingen van landbouw, jacht en visvangst, de prenten met sprookjes en verhalen, vormen een schier onuitputtelijke bron voor de studie van de meest verschillende aspecten van het volksleven.

 Maar de volksprent welke gedurende ruim drie eeuwen voor de kleine man dienst deed als krant, als illustratie, als beeldverhaal, is een cultuurverschijnsel op zich zelf. De man uit het volk die zich de weelde van een dagelijkse krant niet kon veroorloven en nog minder geld overhad om zich een boek aan te schaffen, kon voor zich zelf en zijn kinderen wel eens 'n prent kopen. Zulks was nog steeds de toestand omstreeks het midden van de vorige eeuw. In een circulaire uit 1851, van de uitgever van prenten J. Schuitemaker te Purmerend, gericht aan „de besturen en leden van alle maatschappijen, genootschappen en verenigingen, die ten doel hebben de uitbreiding van de beschaving, verlichting, kennis en deugd onder het Nederlandsche volk" \ ten einde dezen aan te zetten zijn prenten met opvoedkundige strekking speciaal te propageren, wordt betoogd : „dat men bezwaarlijk een meer eigenaardig en krachtig orgaan kan vinden voor het verspreiden van kennis en beschaving onder de volksklasse van eiken leeftijd : van alle produkten der pers toch komen alleen de kinderprenten in de huizen der mindervermogenden, zelfs daar, waar het goedkoopste der dagbladen, de ,Nieuwpost' te duur is, en juist daar worden ze door alle leden des gezins met graagte ontvangen en gelezen".
Over de aantallen prenten die verkocht werden, bezit men slechts schaarse gegevens, maar deze stellen ons toch in staat een gedachte te vormen van de fantastische aantallen prenten welke in de loop van deze eeuwen aan de man gebracht zijn. Uit een circulaire van de erven van de wed. J. Ratelband en J. Bouwer 2 vernemen wij dat de prenten door de uitgevers aan de detailhandelaars werden verkocht per riem (500 stuks), per zes riem of per zesentwintig riem (13.000 stuks).

__________________
1 Rijksprentenkabinet Amsterdam, coll. Waller, portefeuille U, Schuitemaker. — 2 Bibl. Vereeniging ter Bevordering v .ui de Belangen des Boekhandels te Amsterdam. Personalia, portef. Ratelband & Bouwer.

p. 10

De belangrijkste uitgevers hadden op zijn minst een honderdtal verschillende prenten in hun fonds, en in alle belangrijke centra hadden zij één of meer afnemers. Vele uitgevers werkten ook met regionale grossiers, die de prenten bedrukt kregen met hun firmanaam.
Nauwkeuriger getallen worden medegedeeld in de boven aangehaalde circulaire van J. Schuitemaker. Deze uitgever wijst op het succes dat zijn prenten reeds ondervonden : „ik heb alleen de omvang van het debiet mijner centsprenten te noemen, — sedert 3 maanden ruim 2.000 riem of 1 millioen stuks! — om te bewijzen, dat ik mijn doel aanvankelijk bereikt heb". Schuitemaker was niet de grootste uitgever van „centsprenten"; fondsen als deze van Noman te Zaltbommel en Brepols te Turnhout waren ongetwijfeld veel belangrijker. Indien de jaarlijkse omzet van Schuitemaker omstreeks vier miljoen prenten bedroeg, dan menen wij dat de totale jaarlijkse omzet van/ie Nederlandse en Belgische uitgevers van kinderprenten toen tussen de vijftig- en de honderdmiljoen prenten
zal bedragen hebben.
Maar de kwantiteit van de verspreide prenten is niet doorslaggevend voor de betekenis van dit verschijnsel.
De cultuurhistorische betekenis van deze prenten is afhankelijk van hun inhoud, van wat er op de prenten is uitgebeeld, van wat er op verklaard wordt.
De belangrijkste eigenschap van de volksprenten ligt in het feit dat zij voor een groot deel de voortzetting zijn van artistieke en literaire tradities uit de middeleeuwen en de renaissance. Zoals in liet iconografisch gedeelte zal worden aangetoond, zijn talrijke thema's uit de laat-middeleeuwse beeldhouwkunst, miniatuurkunst en schilderkunst, bhjven voortleven in de volksprenten.
De heiligenprenten, de bijbelprenten, de allegorische prenten, de dierenprenten, zijn een voortzetting van de middeleeuwse iconografie.
Andere volks- en kinderprenten sluiten onmiddellijk aan bij de kunst van de renaissance. We verwijzen enerzijds naar de schilderijen en artistieke gravures van vorsten en veldheren, anderzijds naar de volks- en kinderprenten gewijd aan het huis van Oranje en vele andere vorsten, oorlogshelden en beroemde mannen. Onderwerpen uit het werk van Bruegel en Teniers, spreekwoorden en kermissen, vinden we eveneens behandeld in de volksprenten.
Zoals we zullen zien in het hoofdstuk gewijd aan het beeldverhaal, hebben de letterkunde van de middeleeuwen, van de 16e, maar vooral deze van de 17e en 18e eeuw, ook hun sporen nagelaten bij
de volks- en kinderprenten.
Veel van wat vroeger burgerlijke kunst was werd kunst voor het volk. In de volkskunde kent men hiervoor de term „vervallen cultuurgoed". We zouden in vele gevallen beter spreken van „over-genomen cultuurgoed", want naast verval constateren we ook vernieuwing en verjonging. Met elementen ontleend aan de literatuur of de kunst wordt een nieuw geheel geschapen. Zo de verhalen v.m Jan de Wasser, Dokter Steven, Urbanus en Isabel e. a. Vooral de uitbeelding van deze verhalen
berust op eigen vinding.
De wisselwerking van „vervallen cultuurgoed" en „primitieve gemeenschapscultuur" wordt door de volksprenten goed geïllustreerd. Deze evolutie van het cultuurverschijnsel is ook van belang voor de cultuurwetenschap in ruimere zin.
Aan de verschillende cultuurhistorische aspecten welke de studie van de volksprenten oplevert willen we nog een element toevoegen dat van belang is voor de geschiedenis van de grafische kunsten. In dr beschrijvingen en catalogussen van de ióe-eeuwse grafiek werd, op een paar uitzonderingen na,
1 rekening gehouden met de ióe-eeuwse houtgravures waarvan geen afdrukken uit de tijd be-w.i.ml gebleven zijn maar waarvan de houtblokken in het bezit gekomen waren van uitgevers van kinderprenten, die met deze houtblokken, vooral in de 18e eeuw, talrijke prenten gedrukt hebben. I nl 1 li tientallen [6e-eeuwse Nederlandse houtsneden zijn op deze wijze bewaard gebleven. In al

p. 11

de belangrijkste 18e-eeuwse fondsen als die van De Groot, Lootsman-Van der Putte, Kannewet,
Koene, Van Egmont, Ratelband en Bouwer zijn prenten te vinden, gedrukt met ióe-eeuwse
blokken. . »
De studie van de volksprenten belicht niet alleen sommige verwaarloosde aspecten van de kunsten cultuurgeschiedenis, zij opent o»k perspectieven op vele andere problemen. Wij willen hier enkel wijzen op de documentaire waarde van vele prenten voor de sociale geschiedenis. We denken aan de prenten over de Amsterdamse dienstmeisjes, „Het Westfaalse Geesje", de ambachten, beroepen en neringen, de kreupelen en bedelaars, aan de prenten over de levensloop en het huiselijk leven.
Het doel van de prenten was lering en vermaak. Deze lering omvatte zowel het abc, als de „Leeringe der Philosophen", en vooral de wijsheid welke in woord en beeld uit vorige eeuwen was overgeleverd. Spot en satire zijn meestal nauw met deze „lering" vermengd, en vele thema's uit de schriftelijke of mondelinge traditie, omgewerkt tot beeldverhaal, zorgden voor de zuivere ontspanning.
In de volgende paragraaf trachten wij het object „volks- en kinderprent" nader te omschrijven.


VOLKSPRENT, KINDERPRENT. —
De terminologie van ons onderwerp staat nog niet zeer vast. De door ons bedoelde prenten worden in Duitsland en Frankrijk respectievelijk aangeduid met de namen „Bilderbogen" en „imagerie populaire". Maar alle Bilderbogen zijn nog geen „volkstümliche Bilderbogen" in de aard van de welbekende „Münchener- of Neuruppiner-Bilder-bogen", en de term „imagerie populaire" omvat meer dan de door ons bedoelde prenten in de aard van de „images d'Epinal". Wij bedoelen met volks- en kinderprenten de gravures uitgegeven op bladen van circa 30X40 cm, met één of meerdere afbeeldingen, voorzien van de nodige onderschriften, en in de vorige eeuwen „heyligen", „oortjesprenten", „centsprenten", „mannekensblaren" enz. genoemd l. In de vakliteratuur werden deze prenten tot nu toe aangeduid met de termen „volksprenten", „kinderprenten" of „volks- en kinderprenten".
F. Muller 2 klasseert deze prenten onder de rubriek „Volks- en kinderprenten". G. van Rijn 3 noemt ze „kinderprenten". L.P.
Burger 4, in zijn bespreking van het boek van Van Heurck en Boekenoogen, duidt deze „imagerie populaire" aan met de term
„volks- en kinderprenten". R.C. Hekker schreef over „de volksprent in Nederland" 5 en F.G. Waller noemt de rijke verzameling prenten welke hij had afgestaan aan het Rijksprentenkabinet, „Nederlandsche volksprenten" 6.
De term „volksprent" is niet alleen toepasselijk op de door ons en door Waller bedoelde prenten, maar ook op verschillende andere soorten prenten welke door ons niet behandeld zijn, maar welke

1 Zie hoofdstuk: Benamingen van de volks- en kinderprenten. — 2 F. Muller, De Nederlandsche geschiedenis in platen. 4 dln, Amsterdam, 1863-1880. — 3 G. van Rijn, Atlas van Stolk. 10 dln. en register, Amsterdam, 1895, 's Gravenhage, 1933. — 4 L.P. Burger in Tijdschrift voor Boek-en Bibliotheekwezen, 1910, blz. 239. — 5 R. C. Hekker in Apollo, 1946, (nr. 4 maart), blz. 2-24. — " „Nederlandse Volksprenten" is de titel van een door F.G. Waller eigenhandig geschreven register waarin hij de klassering van zijn prenten verklaart en allerlei inlichtingen geeft over de uitgevers en de graveurs van deze prenten.

p. 12

alle op hun beurt een uitvoerige studie verdienen. Wij noemen hier vooreerst de nieuwjaarswensen en nieuwjaarsbrieven. De nieuwjaarswensen van de nachtwacht, van de lantaarnaanstekers, bieruitdragers, turfdragers enz. waren van zeer verschillend formaat maar bevatten alle een wens op rijm en waren haast altijd versierd met een houtsnede. De nieuwjaarsbrieven uit de 18e en het begin van de 19e eeuw hadden meestal hetzelfde formaat als de kinderprenten, zij waren versierd met een fraaie omlijsting in koper- of houtgravure. Van gelijke aard als deze nieuwjaarsbrieven zijn de in Nederlandse verzamelingen nog veelvuldig voorkomende paas-, pinkster- en kermisbrieven.
Een tweede soort volksprenten welke in dit boek niet behandeld wordt tenzij bij uitzondering, is de speelprent, waarbij het ganzenbord de voornaamste plaats inneemt l. Maar voor zover speel-prenten als ganzenborden, driekoningenbriefjes, floskaartjes enz. deel uitmaken van bepaalde reeksen van kinderprenten, zal er in dit boek wel melding van worden gemaakt.
Een derde soort volksprenten zijn de geïllustreerde vliegende blaadjes van verschillend formaat, gewijd aan het verhaal van een moord, een misgeboorte, een ramp of een blijde gebeurtenis. Deze bladen versierd met een gravure zijn nauw verwant met de volks- en straatliedjes gedrukt op vliegende blaadjes. Deze actualiteitsprenten worden in het Frans „canards" genoemd. Dit genre is ook doorgedrongen tot de „centsprenten". De actualiteitsprenten die in de reeksen van de eigenlijke volks- en kinderprenten zijn verschenen, worden in dit boek behandeld bij de historische prenten.
Een vierde en vijfde soort volksprenten zijn de bedevaartvaantjes en de devotieprentjes. Aan beide soorten prenten heeft Van Heurck een afzonderlijk boek gewijd2, ook deze zijn hier buiten beschouwing gelaten.
Is de term volksprent te ruim, dan is de term kinderprent toch weer te eng, want de belangrijke godsdienstige prenten uit het Zuiden zijn zeker geen kinderprenten, en zeer vele 19e- en vooral 18e-eeuwse kinderprenten waren oorspronkelijk volksprenten. De meeste historische, mythologische, allegorische en satirische prenten, alsook vele verhalende prenten, zoals Urbanus en Isabel, Kloris en Roosje, Klaas en Griet waren oorspronkelijk bestemd voor volwassenen terwijl, zoals we reeds hebben aangetoond, in het begin van de 19e eeuw de meeste zogenaamde kinderprenten gelezen werden door oud en jong, net zoals nu vele stripverhalen genoten worden door groot en klein.
Van de profane prenten zouden wij kunnen zeggen dat wij die volksprenten zullen behandelen welke later kinderprenten geworden zijn.

____________________________________
1 Over de Franse ganzenborden kan men het prachtig geïllustreerd werk raadplegen van H.R. d'Allcmagne, Le noble jeu it l'oie en France de 1640 a 1950. Parijs, 1950. — 2 E. van Heurck, Les drapelets de pèlerinage en Belgique et dans les pays voisins. Antwerpen, 1922. ld., Les images de dévotion anversoises du XVIe au XlXe siècle „sanctjes, bidprentjes" et „suffragiën". Antwerpen, 1930. Voor de studie van de „sanctjes" raadplege men vooral A. Spamer, Das kleine Andachtsbild vom 14. bis xo Jahrhundert. München, 1930.

p. 13

VOLKSPRENT, KUNSTPRENT. — Het onderscheid dat men kan maken tussen volksprent en kunstprent hangt af van de maatstaf welke men aanwendt om beide grafische produkten onder de ene of de andere rubriek onder te brengen. Bij de behandeling van de volksprent in dit boek hebben we ons niet op een theoretisch, doch op een praktisch standpunt gesteld. We behandelen hier de prenten welke langs ambachtelijke weg vervaardigd werden en bestemd waren voor de grote massa van het volk, oud of jong.
Het woord volk, in de samenstelling „volksprent", duidt op de bestemming van de prent en niet op het al of niet populaire of artistieke gehalte van de uitvoering of de inhoud. Vele van de hier behandelde prenten zijn gesigneerd met initialen en monogrammen van bekende kunstenaars. Wij verwijzen bijvoorbeeld naar de talrijke prenten op deze wijze gesigneerd door graveurs als Jan Christoffel Jegher en Christoffel van Sichem, en naar de prenten gesigneerd door minder bekende kunstenaars als Hendrik Numan maar, die zich zelf daarom niet minder „houtc konstplaatsnyders" x noemden. Voor zulke prenten is het enkel de bestemming van de prent die toelaat te spreken van volksprenten.
Voor dit boek was de bestemming een maatstaf welke zich opdrong. De belangrijke 18e-eeuwse fondsen van Kannewet, Van der Putte, Van Egmont, Ratelband en anderen, bevatten, naast enkele prenten van hoog artistiek gehalte, soms gesigneerd door bekende kunstenaars, vooral prenten gegraveerd door anonieme ambachtslieden, prenten meestal onbeholpen van snede en uiterst naïef van uitdrukking. Deze artistieke gravures en deze authentieke produkten van echte volkskunst hebben met elkaar gemeen dat zij beide bestemd zijn voor hetzelfde publiek : het volk, de massa.
Een scherpe grens tussen beide genres kan moeilijk getrokken worden. Het is zeker niet de anonimiteit welke hier een beslissende rol speelt. Men vergelijke bijvoorbeeld de gesigneerde prent Het bedorven huishouden van dronke Jan en vuile Kaat (afb. 6) van P.J. Masier te Rotterdam met De Oude Hoïlandsche Gaare-Keuken (afb. 5) van S. en W. Koene te Amsterdam. De eerste prent, gesigneerd H.V. Lubeek, toont al de kenmerken van eenvoudige, vrij onbeholpen, maar toch expressieve ambachtskunst; het is echte volkskunst. De tweede prent, van een anonieme 17e-eeuwse graveur, heeft alle eigenschappen van een knappe kunstgravure : elk tafereel, in dynamische barokstijl, vertoont grote technische vaardigheid en verraadt de hand van een meester.
Zowel bij de gesigneerde als bij de anonieme prenten vinden we alle gradaties, gaande van een uiterste eenvoud van uitdrukking en een moeizaam beheerste techniek tot een geraffineerde vaardigheid, getuigende van een perfect meesterschap van het vak.
Zoals we in de meeste fondsen de meest verschillende kwaliteiten van uitvoering naast elkaar uitgestald zien, zo zijn ook onderwerpen van geheel verschillende aard en oorsprong, geheel willekeurig in verschillende fondsen verspreid. Naast onderwerpen geput uit het dagelijks leven — ambachten en beroepen, volksfeesten, sprookjes en humoristische verhalen — komen de meer didactische onderwerpen, geput uit bijbel en geschiedenis, en ook de geleerde onderwerpen, spreekwoorden, emble-

________________________
1 Waller, Biographisch Woordenboek, blz. 241.


p. 16

men, allegorieën, mythologie en satire. Kinderlijke, populaire en geleerde onderwerpen waren alle bestemd voor hetzelfde publiek.
Bij de behandeling van de onderwerpen zullen we er herhaaldelijk op wijzen, dat artistieke houtblokken uit de 16e en de 17e eeuw door 18e- en 19e-eeuwse drukkers opnieuw gebruikt werden voor het drukken van volksprenten.
Het verschil tussen de 16e-eeuwse gravures en de 18e-eeuwse volksprenten gedrukt van 16e-eeuwse houtblokken zit hierin dat de oude kunstprenten keurig gedrukt en met zorg en goede smaak gekleurd waren, en dat de 18e-eeuwse volksprenten meestal met minder zorg gedrukt waren en in de handel gebracht werden ofwel ongekleurd ofwel voorzien van enkele slordige kleurvlekken.
Naast de bestemming van de prent hebben we voor de hier behandelde prenten nog een ander criterium vastgesteld, namelijk dit van de vervaardiging langs ambachtelijke weg. Uitgesloten hebben we de industrieel gereproduceerde prenten. In de 19e eeuw werden de handpersen geleidelijk verdrongen door de snelpersen en de chromolithografie maakte het mogelijk de prenten machinaal te kleuren, maar een drietal Belgische firma's : Glenisson & Zoon, Beersmans te Turnhout en Hemeleers te Brussel, bleven tot het eind van de 19e eeuw hun prenten in houtgravure met de hand kleuren door middel van schabionen. In dit boek hebben wij ons in hoofdzaak beperkt tot de volksprenten gedrukt op de handpers en gekleurd met de hand.
Wat echter de bestemming van de prenten betreft zijn ook de industrieel geproduceerde prenten volksprenten. Zij waren net zo goed bestemd voor de massa, zelfs in nog grotere mate. Daartegenover staat dat deze industriële prenten zeer snel het traditioneel karakter van de oude, merkwaardige volksprent hebben verloren. En ook is de cultuurhistorische betekenis van de inhoud van deze prenten naar onze mening niet van voldoende belang om zulke fabrieksprodukten hierna stuk voor stuk te beschrijven in onze catalogussen en op te nemen in onze lijsten. Toch hebben wij in de noten van de algemeen historische inleiding aan elk van deze industriële fondsen een korte karakteristiek gewijd, opdat de lezer een min of meer volledig beeld zou krijgen van de gehele geschiedenis van de volks-en kinderprent.
Om dezelfde reden hebben wij bij de behandeling van de 16e eeuw ook de voornaamste fondsen vermeld van de burgerlijke, artistieke prenten welke wij als voorlopers beschouwen van de latere volksprenten.


p. 17

UITVOERING, PRIJS EN BESTEMMING VAN DE PRENTEN. — In de Nederlanden werden tot het midden van de 19e eeuw de volks- en kinderprenten in de regel gedrukt met houtblokken. Zoals duidelijk bhjkt uit de catalogus in dit boek opgenomen waren de volks- en kinderprenten uitgevoerd in kopergravure zeldzame uitzonderingen. Bij de oudste prenten werden de op- en onderschriften samen met de afbeeldingen gegraveerd in het blok (pi. I en II). In Nederland is men er zeer vroeg toe overgegaan de onderschriften onder de platen te drukken met losse druk-letters en de verschillende afbeeldingen van een prent te drukken met afzonderlijke houtblokken.
Zulks was niet het geval in het zuiden. Al de prenten uit het fonds Van der Haeghen, waarvan de jongste blokken afkomstig zijn uit het eerste kwart van de 18e eeuw, zijn gedrukt met één blok en de onderschriften zijn gegraveerd in het blok zelf (afb. 136). Dit is ook lange tijd het geval geweest met Duitse volks- en kinderprenten. Zoals we zullen zien bij de bespreking van het fonds Wansleven te Zutphen werden in Nederland in het begin van de 19e eeuw enkele Duitse prenten gekopieerd met afbeeldingen en teksten gegraveerd in het blok. In Nederland is men er vóór het midden van de 19e eeuw reeds toe overgegaan de kinderprenten te drukken en ook te kleuren in steendruk.
De industrialisatie van het bedrijf betekende het einde van de ambachtskunst.
In België was het pas omstreeks het einde van de 19e eeuw dat de firma Brepols haar produktie van kinderprenten geïndustrialiseerd heeft en nadat deze firma kort na de eerste wereldoorlog de produktie van kinderprenten had stopgezet heeft de firma Gordinne te Luik, nog enkele tientallen jaren, massa's kinderprenten, Franstalige en Nederlandstalige, op de markt gebracht.
De drie hoofdtechnieken van de drukkunst, de hoogdruk (houtsnede), diepdruk (kopergravure) en vlakdruk (steendruk) werden dus alle drie toegepast voor het drukken van volks- en kinderprenten.
De grafische technieken werden herhaaldelijk en uitvoerig beschreven door specialisten en we achten het overbodig er hier over uit te weiden. Wat de toepassing van deze technieken op de prenten betreft, deze werd in het recente werk van AJ.J. Delen, De Grafische kunsten door de eeuwen heen, duidelijk beschreven en deze beschrijvingen zijn geïllustreerd met mooie foto's die er toe bijdragen de lezer een klaar beeld te geven van de manier hoe de graveur in de verschillende gevallen te werk ging1.
In tegenstelling met België en Frankrijk werden in Nederland ongeveer evenveel prenten ongekleurd in de handel gebracht als gekleurde. Daarbij komt nog dat de meeste zogenaamde gekleurde prenten zeer spaarzaam en willekeurig gekleurd waren. In de meeste gevallen werden er op de prenten enkele kleurvlekken gelegd, soms twee kleuren : rood en blauw (plaat VIII), soms drie : rood, blauw en geel (plaat III). Deze kleuren werden op de prent aangebracht met een penseel, ook wel rechtstreeks met de duim. Een typisch voorbeeld van het kleuren met de duim bieden de platen gedrukt op naam van J.J. Bollemij te Amsterdam. Bollemij was een wederverkoper. Een gedeelte van de oplage van de prenten van de Rotterdamse uitgevers Hoffers, Thompson, Ulrich, van de Deventer uitgever De Lange, van de Dortse De Vos en van J. Noman uit Zaltbommel werden gedrukt op naam J.J. Bollemij.

__________________
1 Delen, De Grafische kunsten, blz. 7-19.

p. 18

Deze kocht de prenten zwart en liet ze zelf kleuren. Hij gebruikte niet het zachte rood, blauw en geel, maar vurig oranje, levendig groen en licht geel. Deze kleuren werden met de duim geheel willekeurig over de prent verdeeld (plaat X).
De Nederlandse populaire houtsneden en rijmprenten uit de 16e eeuw werden meestal met veel zorg gekleurd (plaat XII). Zoals we verder zullen zien vormen deze prenten een overgang tussen de kunstprenten en de eigenlijke volksprenten.
Het gebeurde vrij zelden dat de volksprenten in Nederland gekleurd werden met schabionen, met bladen waarin de te kleuren vlakken waren uitgesneden en die op de prent gelegd werden om deze op vlugge wijze te kleuren. Voor elke kleur was dus een afzonderlijk schabloon nodig. In Nederland werden deze schabionen ook „brillen om te kleuren" geheten *.
Het kleuren met de schabionen, dat in Nederland uitzondering bleef, was in België regel. Hier werden de prenten meestal met meer zorg gekleurd en gebruikte men doorgaans frisse levendige kleuren. De wijze van kleuren verschilde meestal van firma tot firma en van periode tot periode. Zoals we verder zullen zien biedt het koloriet van de prenten soms een waardevol hulpmiddel tot identificatie.
Prijs. — De prijs van de prenten hing natuurlijk af van de wijze van uitvoering, ongekleurde prenten waren vanzelfsprekend goedkoper dan gekleurde.
Uit een advertentie van de Erven Wijsmulier uit het jaar 1835 2 vernemen we dat de prenten aan de detailhandelaars verkocht werden tegen drie gulden per riem. (480 prenten) zwart, de prijs van de „ordinair gekleurde" bedroeg f. 3.25 van de „beste gekleurde" f. 3.50. Waren deze „beste gekleurde" gekleurd met „brillen"? De prenten gedrukt op „beste papier" kosten het dubbel, f. 6 per riem voor de zwarte, f. 7 voor de gekleurde.
Wat was de particuliere prijs van de prenten» We kennen maar één particuliere prijs, deze bedroeg in de 18e eeuw : één oortje en na toepassing van het tiendelig muntstelsel : één cent. Deze prijs was soms vermeld in de titel. In het opschrift van een prent van S. en W. Koene te Amsterdam (nr. 17), met twintig afbeeldingen lezen we „Twintig prentjes om een oortje en tien prentjes om een duit". Men verkocht dus ook halve prenten! In de verzameling Waller zijn enkele dergelijke halve prenten aanwezig. Op een ongenummerde prent van Jan Nieuwenhuyzen te Haarlem (1743-1758), met afbeeldingen van dieren kan men lezen „Deze beesten die niet loopen, kan men voor twee duiten koo-pen". Een duit was de helft van een oortje, één oortje was een kwart van een stuiver. Zoals we in de volgende paragraaf zullen zien werd de naam van het muntstuk, waarvoor men een prent kon kopen, opgenomen in de naam van de prent. Zo sprak men van oortjesprenten en later van centsprenten. In België werden de prenten in de detailhandel, tot vóór de eerste wereldoorlog, steeds verkocht tegen één cent (twee centiemen).
Gebruik. — Zoals in de opschriften soms de prijs van de prent vermeld werd, zo kwam het ook voor dat hierin iets verteld werd over het gebruik of de bestemming van de prent.
De prent diende in de eerste plaats om bekeken en gelezen te worden. Doch de kinderen werden ook aangezet om de plaatjes uit te knippen. Op een prent, met de geschiedenis van Tetjeroen, uitgegeven door Jacobus en Jan Bouman (1703-1708) lezen we in de ondertitel „Soo gy U meer wilt verblijden, maeckt hier van schildrijen. Snytse uyt dan na d'swier en plaetstse dan op root Papier". Kannewet (prent 24) zegt : „knipt ze uyt na uw behagen". Funke (prent 76) zegt „voor het plakboek". Ook op een Belgische prent uit de tweede helft van de 19e eeuw lezen we : „snyt ze uit fraei na de zwier, en plakt ze dan op stijf papier".

______________________________
1 Nieuwsblad voor de Boekhandel, 2 sept., 1858, blz. 152. — 2 Bibliotheek van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels te Amsterdam. Afd. „Personalia", voce Wijsmuller.


p. 19

De verschillende plaatjes afgebeeld op een prent werden niet alleen uitgeknipt om op „stijf papier" of in een plakboek geplakt te worden maar ook om op de vlieger te plakken. Twee Rotterdamse uitgevers J.B. Ulrich (nr. 31) en TJ. Wijnhoven-Hendriksen (nr. 39), hebben elk een prent uitgegeven met figuren speciaal uitgezocht voor versiering <van vliegers. Ulrich kondigt zelfs aan „als deze op uw vlieger staan zal hij goed in de hoogte gaan".
Als opschrift op prent 17 van J. Seydel te Leeuwarden leest men : „Wilt hier mêe uw Boek be-kleeden, en uw Tijd ook wel besteden...". Een ongeveer gelijkluidend opschrift vinden we op prent 62 van Van der Putte en op prent 68 van J. Kannewet, beiden te Amsterdam.
Bepaalde prenten waren ook bestemd om er een steekspel mee te spelen. Zo prent 170 van de erven Stichter met achttien ambachten. Elke medespeler moest een ambacht kiezen. De prent werd bedekt en men moest trachten met de vinger het gekozen ambacht aan te wijzen. Op de prent zelf werd het spel beschreven als volgt

Hoort, Jongens! hoe dees prent u kan ten spel verstrekken; Gy moet hem heel-en-al met wit papier bedekken, En laaten dan uw maat, die 't spel met u begint, U wyzen, op 't papier, wat werk hy meest bemint. Houd gy zyn vinger vast; staat die op 't rechte plaatjen Gy geeft twee mopjens of twee kriekjens aan dat Maatjen Wees hy verkeerd, dat hy u half zoo veel betaal! Heeft hy geen prent geraakt, dan wyst hy andermaal.

Deze prent werd later herdrukt door J. Noman te Zaltbommel (nr. 24) en P. J. Brepols te Turnhout (nr. 176). Het „steeken na printjes" wordt afgebeeld op prent nr. 23 van de erven H. Rynders.
In de 19e eeuw kwamen paedagogische tendensen meer en meer op de voorgrond. Kinderprenten werden o.m. gebruikt om de kinderen te leren tekenen. J. Oomkens uit Groningen kondigt zijn prenten aan als „plaatjes voor kleine teekenaars" \ en de titel van prent 64 van Glenisson & Van Genechten luidt Calkeerplaat voor lieve kindjes.
Dat reeds in de 18e eeuw de kinderprent ook fungeerde als beloning voor vlijtige leerlingen blijkt uit het versje dat prijkt boven de „Kermis-Print" van Hendrik van der Putte (Amsterdam 1761-1765) :

Dese is dan voor de gene Zo wel Groote als de Kleene Die met Lust en groote Vlyt Stadig aen sijn Les op zeyd
Leest dan vlytig lieve Kinders Dat gy werd haest overwinders Die zal dan 't zy Jan of Lys Trekken zekerlijk de Prijs.

Op de achterzijde van een exemplaar van prent nr. 47 van Sijthoff, uit de collectie Ottema, staat met de hand geschreven „Sybren Tukes Jellema, gekregen op 't schoolfeest te Werdüm, 1866".
In talrijke opschriften van 19e-eeuwse prenten spreken de uitgevers de wens uit dat de kinderen veel zullen leren uit bedoelde prenten of dat deze de jeugd zullen voorlichten „op 't smalle pad der deugd".

___________________________
1 De algemene titel van de kinderprenten uitgegeven door J. Oomkens te Groningen en gemerkt van A tot K luidde : „Kindervreugd door R.G. Rijkens, of plaatjes voor kleine teekenaars en prentenvriendjes".


p. 20

BENAMINGEN VAN DE VOLKS- EN KINDERPRENTEN. — In het woord vooraf, de verantwoording van dit boek, hebben wij uiteengezet tot welke soort volksprenten wij ons hebben beperkt. We zullen nu even uitweiden over de benamingen waarmee de hier behandelde prenten in de loop der tijden, in Noord en Zuid werden aangeduid.
Afb. 8. Willem Teil, uit prent nr. 21 van T.C. Hoffers te Rotterdam.
De oudste prenten stellen heiligen voor, vandaar dat deze prenten „heylig", „hilig" of „heiling" genoemd werden. Zoals wij in het historisch overzicht zullen zien, kwam de naam „heilig" in deze betekenis in de Nederlanden reeds voor omstreeks het midden van de 15e eeuw. Ook nadat de eigenlijke heiligenprenten in de 16e eeuw in het Noorden verdwenen waren, bleef de naam „heilig" bewaard voor alle volksprenten en latere kinderprenten, zowel profane prenten als bijbelprenten. In Noord-Holland, Friesland en Groningen heeft de naam „heylig" zich gehandhaafd tot het begin van de vorige eeuw. In 1672 vinden wij deze naam in de inventaris van de Amsterdamse uitgever van boeken en prenten, Bou-dewijn de Preys : „een parthye heyliges" l. Omstreeks 1750 vinden wij te Haarlem op een prent van Jan van
Nieuwenhuyzen met afbeeldingen van kinderspelen de titel : „lek Cupido speel in dees Heylig, ...".
Uit het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw hebben we vooral getuigenissen van de
particuliere gebruikers van de prenten. Op de achterzijde van prent C van David Ie Jolle, uit de
collectie Ottema te Leeuwarden, staat met de hand geschreven :
Dit is Abe Ruurds zijn heiling
he die die veint die geeft het weer
voor een ap(p)el of een peer
en die dat niet doet
die krijgt slegen op zijn hoed
die zal zytten op het rod
met hondert spekers in zijn dot.
Op de achterzijde van prent nr. 15 van de Erven H. Rynders uit dezelfde collectie staat een gelijkaardige eigendomsverklaring waarvan de eerste regel luidt : „Jan Harmens Meinsma zijn hai-ling". Een Rotterdamse „Tetjeroen"-prent, nr. 58 van Jacobus Thompson, uit de collectie Waller te Amsterdam, werd door zijn eigenaar gesigneerd en gedateerd : „Klaas de Geus zijn Hilhgie A° 1812".
Ook in Duitsland was de heiligenprent de stamvader van wat later algemeen „Bilderbogen" genoemd werd, en in de volkstaal is de naam „heilig" onder verschillende vormen bewaard gebleven tot het begin van deze eeuw, in Hamburg als „Hillig", in Zwaben als „Helgl" of „Holgi" 2.
De benamingen oortjesprent en centsprent duiden natuurlijk op de vroegere prijs van deze prenten (een oordje = een kwart stuiver of ij cent). De naam „schoolprent" is vrij jong en dankt zijn ontstaan vermoedelijk aan de intense propaganda welke gemaakt werd in de onderwijsinrichtingen

__________________________
1 Kleerkooper en Van Stockum, blz. 567-568. Zie catalogus op naam uitgever B. de Preys. 2 A. Spamer, Die DeutscheVolkskunde, II, Leipzig, 1935, blz. 477.

p.21

om de opvoedkundige kinderprenten, verschenen onder de auspiciën van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, te gebruiken als beloning voor de vhjtige leerlingen. De Noord-Brabantse benaming „beeldekens papier" x hangt samen met de Tumhoutse naam „mannekenspapier" welke wij verder zullen ontmoeten.
De namen kermisprent en paasprijs, waarmee de Amsterdamse uitgever Jacobus van Egmont enkele van zijn uitgaven betitelde, duiden op de mogelijke bestemming van deze prenten als kermis-geschenk en paasgeschenk 2.
In Frankrijk was de oorspronkelijke benaming van deze prenten „saints" of „feu' d'saints" (feuilles de saint) en deze benaming bleef in zwang in de volksmond, zeker tot omstreeks 1914. R. Perrout 3 vertelt hieromtrent een leuke anekdote. Twee kinderen komen binnen in een boekhandel te Epinal en verklaren : „nous voudrions des saints", de boekhandelaar heeft begrepen en vraagt : „lesquels e", de knapen antwoorden : „des bêtes", de boekhandelaar is hiermede voldoende ingelicht en kan zijn klanten onmiddellijk bedienen.
De namen van de kinderprenten in West- en Oost-Vlaanderen, de gebieden van het oude graafschap, leengoed van de Franse kroon, hebben in hunne samenstelling meestal het woord zant, sankt (saint) bewaard. In Oostende sprak men van „zantjesblaars", te Rumbeke werd de kinderprent „blaassanctje" genoemd, te Brugge „stekezantje" 4, te Gent „sanctje-wale" of „walezantje" 5. Het „sanctje-wale" duidt op de Waalse (Franse) afkomst van vele oude prenten welke in Vlaanderen verspreid werden. Verder noteerden wij te Hamme (tussen Durme en Schelde) de naam „mannekens-bladen", te Turnhout „mannekenspapier", wat overeenkomt met het hogergenoemde Noord-Brabants „beeldekenspapier". E. van Heurck noteerde nog te Wetteren „priotjes", te Diest „mannekenspleisters" en te Sint-Niklaas „mannekensvellen".

INHOUD. — Dit boek geeft 1° een algemene historische schets, 2°  een proeve van catalogus van de oude volks- en kinderprenten in de Nederlanden, aan de hand van de prenten aanwezig in de geraadpleegde openbare en particuliere verzamelingen, gerangschikt volgens de uitgevers, met korte historische aantekeningen betreifende elk fonds, 3° een lijst van de gecatalogiseerde prenten, geklasseerd volgens onderwerpen, niet iconografische aantekeningen bij elke groep van onderwerpen.
Deze lijsten zijn uiteraard niet volledig. Wij hopen dat deze proeve van catalogus aanleiding zal zijn tot het bekendmaken van talrijke tot nu toe onbekende volks- en kinderprenten.
Dit boek beschouwen we niet als een eindpunt maar als een begin. Het kan gezien worden als een basis voor de verdere studie van de prenten, vooral op cultuurhistorisch gebied.

MEDEWERKING. — We vermelden hier tenslotte het aandeel dat elke medewerker gehad heeft in het tot stand brengen van dit boek. Dr. G. Koch-de Meyer heeft medegewerkt aan het nazicht van de collectie Waller, de collectie Van Kuyk, de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem, de collecties van het Fries Genootschap en van de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden, van openbare en particuliere verzamelingen van Deventer. Ze heeft ook historische gegevens verzameld over uitgevers, wederverkopers en graveurs.

___________________________
1 E. van Heurck, L'imagcric populaire de Turnhout. Turnhout, z. d., blz. 5. — 2 Van Egmont gaf eveneens nieuwjaars-, paas-, pinkster- en kermisbrieven uit (collectie Waller). Ook de kermisprenten en paasprijzen waren bedoeld om te worden overhandigd bij het uitbrengen van kermis- of paaswensen. Zie ook hoofdstuk feesten, kermis. — 3 R. Perrout, Les images d'Epinal, nouvelle éd. préface par Maurice Barrès, Parijs z. d. (na 1914). — 4 Volkskunde, XXII (1911), blz. 28. — 5 Rond den Heerd, XVII (1882), blz. 62.


p. 22

W.C. van Kuyk heeft ons gedurende vele jaren met raad en daad bijgestaan. Hij heeft zijn grote praktische kennis van de prenten geheel ten dienste gesteld van dit boek en heeft zelf zijn rijke verzameling Belgische volks- en kinderprenten geïnventariseerd.
Voor de samenstelling en redactie van het boek is alleen de auteur verantwoordelijk.

DANKBETUIGING. — Er blijft me de aangename plicht oprechte dank te betuigen aan allen die me behulpzaam geweest zijn bij het tot stand komen van dit werk. Naast mijn direkte medewerkers noem ik de instellingen waar ik het grootste deel van mijn documentatie heb kunnen verzamelen. Veel dank ben ik verschuldigd aan de directie en het personeel van 's Rijksprentenkabinet te Amsterdam, van 's Rijksmuseum voor Volkskunde te Arnhem, van het prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel en van het prentenkabinet en het Folkloremuseum van de stad Antwerpen. In deze instellingen heb ik steeds de meest bereidwillige hulp gevonden bij mijne opzoekingen.

Gans in het bijzonder ben ik dank verschuldigd aan de beheerraad en de bevoegde commissies van het prins Bernard Fonds en van de Universitaire Stichting van België die, door het toekennen van een belangrijke financiële steun, de publicatie van dit boek hebben mogelijk gemaakt.

p. 23

LIJST VAN VERKORT AANGEHAALDE WERKEN

Ars Folklorica. — Ars Folklorica Belgica. Onder leiding van prof. Dr. P. de Keyser, 2 dln. Antwerpen,
1949, 1956.
Atlas van Stolk. — G. van Rijn, Atlas van Stolk, katalogus der historie-, spot- en zinneprenten betrekkelijk de geschiedenis van Nederland. Verzameld door A. van Stolk Cz, 10 dln. en supplement. Amsterdam, 1895, 's Gravenhage, 1933.
Biographie nationale. — Biographie nationale publiée par Xacadémie royale de Belgique. Brussel, vanaf
1866.
Het Boek. — Het Boek. Tweede reeks van het Tijdschrift voor boek- en bibliotheekwezen, 's Gravenhage,
1912 en vlg. ^
BOLTE en POLIVKA, Anmerkungen. — J. Bolte und G. Polivka, Anmerkungen zu den Kinder- und Hausmärchen der Brüder Grimm. 3 dln., Leipzig, 1913-1932.
DEBIDOUR, Bestiaire. — V.H. Debidour, Le bestiaire sculpté en France, Parijs, 1961.
DELEN. — A.J.J. Delen, Histoire de la gravure dans les anciens Pays-Bas et dans les provinces belges, des
origines a la fin du XVIII siècle. 3 dln., Parijs en Brussel, 1924-193 5.
DELEN, De grafische kunsten. — A.J.J. Delen, De grafische kunsten door de eeuwen heen. Antwerpen en
Amsterdam, 1956.
DRONCKERS, Verz. Waller. — E. Dronckers, Verzameling F.G. Waller, catalogus van Nederlandsche en
Vlaamsche populaire boeken, 's Gravenhage, 1936.
DUCHARTRE ET SAULNIER, lm. pop. — L. Duchartre et R. Saulnier, L'imagerie populaire. Parijs, 1925.
DUCHARTRE ET SAULNIER, lm. parisienne. — P.L. Duchartre et R. Saulnier, L'imagerie parisienne. Parijs 1944.
DUCHARTRE, lm. pop. russe. — P.L. Duchartre, L'imagerie populaire russe. Parijs, 1961.
EEKHOFF, Bibl. Leeuwarden. — W. Eekhoff, De stedelijke bibliotheek van Leeuwarden bevattende voornamelijk de iverken van schrijvers uit en over de hoofdstad van Friesland en hare geschiedenis. Leeuwarden, 1870.
ENSCFIEDE, Fonderies. — Charles Enschedé, Fonderies de caractères et leur matériel dans les Pays-Bas du 15e au 19e siècle. Haarlem, 1908.
EVANS, Animal Symbolism. — E.P. Evans, Animal Symbolism in Ecclesiastical Architecture. Londen, 1896 Handwörterbuch des deutschen Mdrchens. — Handwörterbuch des deutschen Mdrchens herausgegeben von Lutz Mackensen. Berlijn en Leipzig, 1930-1938.
VAN HEURCK EN BOEKENOOGEN, I.P.F. — E. van Heurck en G.J. Boekenoogen, Histoire de l'imagerie populaire fiamande et de ses rapports avec les imageries étrangères. Brussel, 1910.
VAN HEURCK EN BOEKENOOGEN, I.P.P.B. — E. van Heurck en G.J. Boekenoogen, L'imagerie populaire des Pays-Bas, Belgique, Hollande. Parijs, 1910.
HOLLSTEIN, Dutch and Flemish Etchings. — F.W.H. Hollstein, Dutch and Flemish Etchings, Engravings and woodcuts, ca 1450-1700. Tot heden 14 dln., Amsterdam, z. d. I (1949), XIV (tot Ossenbroeck 1961).
KLEERKOOPER EN VAN STOCKUM. — M.M. Kleerkooper en W.P. van Stockum jr., De boekhandel te Amsterdam voornamelijk in de 17e eeuw. 2 dln., 's Gravenhage, 1914-1916.
KRUSEMAN, Bouwstoffen. — A.C. Kruseman, Bouwstoffen voor een geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel gedurende de halve eeuw 1830-1880. 2 dln., Amsterdam, 1886-1887. LEDEBOER, Alfab. Lijst. — A.M. Ledeboer, Alfabetische lijst der boekdrukkers, boekverkoopers en uitgevers in Noord-Nederland. Utrecht, 1876.
LEDEBOER, De boekdrukkers. — A.M. Ledeboer, De boekdrukkers, boekverkoopers en uitgevers in Noord-Nederland. Deventer, 1872.

p. 24

VAN LENNEP EN TER GOUW, Uithangteekens. — J. van Lennep en J. ter Gouw, De Uithangteekens in
verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. Leiden, 3 dln., A.W. Sijthoff, z. d.
VAN LENNEP EN TER GOUW, Opschriften. —J. van Lennep en J. ter Gouw, Het boek der opschriften, een
bijdrage tot de geschiedenis van het Nederlandsche volksleven. Leiden, A.W. Sijthoff, z. d.
LEMOISNE, Xylographies. — P.A. Lemoisne, Les xylographies du XIV et du XVe siècle, au cabinet des
estampes de la Bibliothèque Nationale. 2 dln., Parijs en Brussel, 1930.
MAETERLINCK, Le genre satirique, peinture. — L. Maeterlinck, Le genre satirique dans la peinture flamande.
Brussel, 1907.
MAETERLINCK, Le genre satirique, sculpture. — L. Maeterlinck, Le genre satirique, fantastique et licencieux
dans la sculpture flamande et wallonne. Les miséricordes des stalles, art et folklore. Parijs, 1910. Liggeren. — P. Rombouts en Th. van Lerius, De „liggeren" en andere historische archieven der Antiverpsche
Sint-Lucasgilde. 2 dln., Antwerpen, 1874-1876.
MISTLER, Epinal. —J. Mistler, F. Blaudez, A. Jacquemin, Epinal et Fimagerie populaire. Bibliothèque
des Guides Bleus, Parijs, 1961.
VAN MOERKERKEN, De Satire. — P.H. van Moerkerken, De satire in de Nederlandsche kunst der middeleeuwen. Amsterdam, 1904.
MOES EN BURGER. — E.W. Moes en C.P. Burger jr., De Amsterdamsche boekdrukkers en uitgevers in
de zestiende eeuw. 4 dln., Amsterdam-'s Gravenhage, 1900-1915.
MULLER, Historieplaten. — F. Muller, De Nederlandsche geschiedenis in historieplaten, zinneprenten en
historische kaarten. 4 dln., Amsterdam, 1863-1880. Nieuwsblad van den (voor de) boekhandel. — Nieuwsblad voor de boekhandel, uitgegeven door de Vereeniging
ter bevordering van de belangen des Boekhandels. Amsterdam, 1834 vlg.
NIJHOFF, Houtsneden. — W. Nijhoff, Nederlandsche houtsneden, 1500-1550. Reproducties van oude
Noord- en Zuid-Nederlandsche houtsneden. 2 dln., 's Gravenhage, 1931-1935.
OLTHOFF, De boekdrukkers. — F. Olthoff, De boekdrukkers, boekverkoopers en uitgevers in Antwerpen sedert
de uitvinding der boekdrukkunst tot op onze dagen. Antwerpen, 1891.
SCHOTEL, Volksboeken. — G.D.J. Schotel, Vaderlandsche volksboeken en volkssprookjes van de vroegste
tijden tot het einde der 18e eeuw. Haarlem, 1873-1874.
SCHREIBER, Handbuch. — W.L. Schreiber, Handbuch der Holz- und Metallschnitte des XV. fahrhunderts.
8 dln., Leipzig, 1926-1930.
SCHREIBER, Manuel. — W.L. Schreiber, Manuel de l'amateur de la gravure sur bois et sur métal du XVe
siècle. 6 dln., 8° en 3 atlassen 4°, Berlijn en Leipzig, 1891-1911.
THIEME-BECKER. — Algemeines Lexikon der bildende Künstler von der Antike bis zur Gegenwart. 37 dln.,
Leipzig, 1907-1950, door U. Thieme, F. Becker, F.X. Willis en H. Vollmer. Tijdschr. Boekw. — Tijdschrift voor boek- en bibliotheekwezen. Antwerpen, Gent, 's Gravenhage, 1903-1911.
WALLER, Biogr. Woordenb. — F.G. Waller, Biographisch woordenboek van Noord-Nederlandsche graveurs.
's Gravenhage, 1930.
WURZBACH. — A. von Wurzbach, Niederlandisches Künstler-Lexicon. 3 dln. Wenen en Leipzig, I
A-K 1906, II L-Z 1910, III Nachtrage und Monogramme 1911.


p. 25

DEEL I

HISTORISCH OVERZICHT

15e EEUW

HET ontstaan van de prenten houdt verband met het ontstaan van de drukkunst. Printen of prenten was de oorspronkelijke
Nederlandse naam voor het drukken. Een printer was een drukker, een print of prent een drukwerk.
De kunst vandiet drukken is enkele decennia ouder dan de boekdrukkunst. Reeds in 1417 is er in Antwerpen spraak van een Jan de Printere, die een som van twee pond en twaalf schellingen schuldig was aan Willem Tserneels „parkementmakere"1. De oudste gedateerde houtsnede berust in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel en draagt het jaartal 1418. Evenals de overgrote meerderheid van de 15e-eeuwse prenten is ook deze een religieuze prent. Zij stelt een Madonna voor met vier heiligen 2. Deze religieuze prenten danken hun ontstaan overigens niet aan de drukkunst. Ook voordien waren op papier en op perkament met de hand getekende en gekleurde afbeeldingen gemaakt van madonna's en heiligen, alsook van allerhande taferelen uit het leven van Christus. Dit ambacht werd in het begin van de 15e eeuw nog druk beoefend. Deze getekende of geschilderde afbeeldingen heetten „beelden" of „beildekens", een naam die in bepaalde Vlaamse dialecten nu nog voortleeft als „beeldeken", het woord voor prentje.
Zich beroepende op een vonnis van 1402, legden deken en gezworenen van het ambacht der „beildenmaeckers" een klacht neer tegen de boekenschrijvers en boekverkopers, waarvan velen „zittende in den ommeganck van Zinte Donaes" „beildekens" invoerden uit Utrecht en van elders. Slechts op 1 april 1426 werd hierover uitspraak gedaan en beslist dat het de Brugse scriptores en boekverkopers niet meer toegestaan was andere „beilden" te verkopen dan deze gemaakt in Brugge 3.
__________________________________
1 L. de Burbure, Sur 1'ancienneté de 1'art typographique en Belgique, in Bulletin de VAcadémie royale des sciertces, des lettres et des beaux-arts de Belgique, XXVIII (1859), 2e serie, tome VIII, blz. 295.— 2 Volkskunde, XXII (1911), blz. 27. — Zie repro-duktie Delen, De grafische kunsten, blz. 40, en Flandria Nostra, II (1957), blz. 266. — 3 Zie hierover L. Gilliodts-Van Severen, L'oeuvre de Jean Brito, in Annales de la Société d''Emuïation de Bruges, XLVII (1897), blz. 490. — Het kloosterpand van de kerk van Sint-Donatiaan was gelegen in het noordelijk gedeelte van de Burg te Brugge. — In de 16e en 17e eeuw kreeg het woord „beeld" de betekenis van „gedrukte prent", zie hierover : hoofdstuk „17e eeuw", blz. 37, noot 5.

p. 26

Maar in 1457 waren zowel voor de Brugse , ,beildemakers" als voor de Brugse „prentere" (de drukkers van prenten) de omstandigheden zeer gunstig geworden, want wij vernemen dat nu ,,da-ghelijx groote menichte beildekins..., te Brugghe ghemaect", uitgevoerd en verkocht worden „in andere steden als te Ghent, 't Ypre, 't Antworpen ende eire" *.
Uit het midden van de 15e eeuw zijn er nog andere getuigenissen over de aanmaak en de verkoop van prenten en „beelderien". In 1452 werd te Leuven Jan van den Berghe „printsnyder" (die „printen van letteren en beelden" sneed) verplicht tot het gilde der schrijnwerkers toe te treden 2. In 1457 maken de rekeningen van het Brugse Sint-Jansgilde melding van een Dieric de Printer, alsook van „prenters" en „printvercoopers" 3. Uit een inventaris van 1465 vernemen wij dat ook in het klooster van Bethanië, bij Mechelen, prenten gedrukt werden 4. De „Liggeren" van het Antwerpse Sint-Lucasgilde maken van 1453 afmelding van ,,beelden verwers", van mannelijke „verlichters" en vrouwelijke „verlichterssen". „Beelden" hebben hier de betekenis van prenten, en verlichters kunnen zowel miniaturisten zijn als tekenaars of kleurders van prenten 5.
Welke was de bestemming van deze „beelden" en prenten? Deze godsdienstige platen hadden niet enkel tot doel het volk te stichten, doch ze dienden ook om hun bezitters in dit leven en in het hiernamaals te behoeden voor alle kwaad, alsook om hun have en goed te beschermen. De reeds genoemde prent van 1418 werd in 1844 te Mechelen gevonden op de binnenzijde van het deksel van een kist 6. In de Bibliothèque Nationale te Parijs zijn verschillende koffertjes bewaard met een 15e-eeuwse prent op het deksel7. Op een schilderij met het portret van een jonge heer door Petrus Christus, in de National Gallery te Londen, zien we tegen de wand van de afgebeelde kamer een papieren of perkamenten prent met Christusfiguur omkranst door loofwerk, en daaronder twee kolommen tekst 8. Op het schilderij „de Blijde Boodschap" door de meester van Flemalle 9 zien we boven de schoorsteen een houtsneeprent met Sint-Christoffel. Net als de wanden van de huiskamers werden, in het begin van de 15e eeuw, ook de binnenwanden van stenen graftomben versierd met gekleurde houtsneden 10. Ook nu nog vindt men in Vlaanderen, in menige huiskamer op het platteland, een prent van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel, Onze-Lieve-Vrouw van Halle of Onze-Lieve-Vrouw van Kevelaar met de „Godzaligen Huiszegen". (Prenten Jacobs-Brosens, of Brepols' religieuze reeks nrs. 1, 3 of 4) waarover wij in deel III van dit boek, bij de behandeling van de godsdienstige prenten, nadere bijzonderheden zullen mededelen. Een ander soort volksprenten, de bedevaartvaantjes, vindt men nog in vele hoeven gehecht op de deur of op de wanden van de stal, ter bescherming van het vee.
Dat de Utrechtse „beildekens" te Brugge verkocht werden in de onmiddellijke nabijheid van een kerk, in het kloosterpand van de Sint-Donaas, hoeft ons-niet te verwonderen. Ook nu nog worden de heiligenprenten het meest verkocht bij de kerken van Scherpenheuvel, Oostakker, Halle en op andere bedevaartplaatsen.

____________________________
1 (W.H. James Weale), Documents inédits sur les enlumineurs de Bruges, in Le Beffroi, IV (1872-73), blz. 249. — 2 Delen, a. w., blz. 40. —3 Le Beffroi, IV (1873), blz. 259. — 4 J.H. Hessels, Eene drukkerij buiten Mechelen vóór 1466, in Het Boek, XII (1923), blz. 17-18. Uit de inventaris van de bezittingen van de zuster van Jan van Heinsbcrg, bisschop van Luik (1419-'45S)> non in het klooster van Bethanië bij Mechelen, opgemaakt na haar overlijden op 5 maart 1465 : „imum instrumen-tum ad imprimendas sciipturas et ymagines" en verder „novem printc lignce ad imprimendas ymagines". — • Liggeren, I, blz. 3, 15, 20, 21, 53, 54. — 6 P.L. Duchartre en R. Saulnier, L'imagerie populaire, Parijs, (1925), blz. 19. — ' Een reproduktie van een dezer koffertjes met prent op het deksel vindt men bij Delen, De grafische kunsten, blz. 32. Ook andere 16e-eeuwse prenten, gereproduceerd in Lcmoisne, Xylographies, II, platen CVIII en CXVII, zijn teruggevonden op de binnenzijde van dekseh van koffers. Zie ook : Mistler, Epinal, blz. 16. — 8 L. van Puyvelde, De Vlaamse primitieven, Brussel, 1959, blz. 118. Misdor, Epinal, blz. 17, vermeldt nog een ander schilderij van Petrus Christus, een Madonna met het Kind, uit het museum v.m Turijn, waarop een prent afgebeeld is aan de wand van de alkoof. — 9 L. van Puyvelde, La peintnre flamande au siècle de van liyck, Brussel, 1953, blz. 130. — ld., L'annonciation du maitre de Flemalle, in Revue beige A'archéologie et d'histoire de l'art, XXVII (1958). Het schilderij behoorde tot de verzameling de Mérode en is nu in Amerikaans bezit,een kopie bevindt zich in het Kon. Museum van Schone Kunsten te Brussel. — 10 G. van der Gheyn, Les caveaux polychrome* en Flandre, Gent, 1889.

p. 27

De drukkers en verkopers van de „heiligen" of „hilgen", zoals in de noordelijke provincies de volksprenten — ook de profane prenten — genoemd werden, verkochten hun prenten niet alleen in kraampjes aan de kerk maar trokken er ook mee de baan op, de marskorf op de rug. Dit blijkt uit de winkelinventaris van een Deventer boekverkoper uit het jaar 1459, waarin Dr. A.C.F. Koch de oudste vermelding vond van het woord ,,hilg" 1. In deze inventaris is onder meer spraak van „XXX pappiren hilgen", van „acht bueke pappiren hilgen" (een „buek", een boek papier, is een pak papier van vierentwintig bladen), „ene marssekorff mit prentten en formen...". Prenten zaten dus nog in de marskorf, gereed om ermee naar de markt te gaan of om te worden gevent langs de straat.
De ije-eeuwse religieuze prenten waren bestemd voor een zeer groot publiek. Wat hun bestemming betreft, waren het voorzeker volksprenten in de ruime zin van dit woord. Hun eigenlijke artistieke betekenis is van zeer uiteenlopende aard. De waardering van het artistiek gehalte hangt af van de criteria welke men toepast. Indien men, zoals in de vorige eeuw, de technische verfijning als maatstaf neemt, dan staat de grote meerderheid van de 15e-eeuwse houtgravures op een betrekkelijk laag peil. Neemt men als maatstaf de expressieve kracht bereikt door eenvoudige zuivere lijnen en kleuren, dan staan de meeste 15e-eeuwse prenten op een hoog artistiek niveau.
Deze anonieme ambachtskunst was de bron van de graveerkunst der volgende eeuwen, doch de latere volksprenten, in de betekenis welke in dit boek aan dit woord wordt toegekend, zijn de meest directe afstammelingen van de 15e-eeuwsc prenten.
De incunabelen van de graveerkunst in het algemeen en van de houtsnijkunst in het bijzonder zijn door Bouchot, Schreiber, Lemoisne en anderen 2 uitvoerig beschreven.
Voor de studie van de incunabelprenten uit de Nederlanden verwijzen we naar het eerste deel van het werk van A.J.J. Delen, Histoire de la grauwe dans les anciens Pays-Bas 3. Hier willen we enkel de aandacht vestigen op een 15e-eeuwse houtgravure, die van grote betekenis is voor de latere ontwikkeling van de volksprent en de kinderprent : De marteldood van Sint-Erasmus. Deze prent stelt in twaalf taferelen de gevangenschap, de veroordeling en de martelingen voor van de H. Erasmus. Deze prent is het prototype van het beeldverhaal, dat van de 18e eeuw af de standaardformule vormt voor de volks- en kinderprent, formule welke overgenomen werd door de moderne stripverhalen. Deze Sint-Erasmusprent (372X258 cm) berust in het prentenkabinet van de Bibliothèque Nationale te Parijs. Ze dateert uit de jaren 1460-1470 4. Zoals dit het geval is voor zeer vele incunabelprenten, zo is het ook voor deze prent niet mogelijk met volstrekte zekerheid de plaats of zelfs het land van herkomst te bepalen. Doch verschillende eigenschappen, ook overeenkomsten met andere prenten wijzen op de mogelijkheid dat deze prent afkomstig zou zijn uit de Lage Landen of uit Noord-FrankrijkB. Het onderwerp van deze prent was reeds bekend in onze gewesten. Denken we slechts aan het schilderij „de marteldood van Sint-Eramus" door Dirk Bouts (Haarlem °± 1410 — t Leuven 1475) in de Sint-Pieterskerk te Leuven. De meeste van de vele martelingen welke Sint-Erasmus volgens de legende ondergaan heeft, zijn beschreven in de Acta Sanctorum van de Bollandisten 6. Wij hopen later de gelegenheid te hebben een onderzoek te wijden aan de hagiografische bronnen van deze voorstellingen.
We kunnen besluiten dat de 15e-eeuwse volksprenten uitsluitend van religieuze aard zijn. De renaissance en de hervorming zullen in de 16e eeuw op dit gebied een volledige ommekeer teweeg brengen.

________________________________
1 Archief der gemeente Deventer, rechterlijk archief, nr. 57, blz. 46-47. Dr. A. Koch bereidt de uitgave voor van deze belangrijke inventaris uit het jaar 1459. — 2 H. Bouchot, Bibliothèque Nationale, Les deux cents incunables xylographi-ques du département des estampes. Deel tekst en deel platen, Parijs, 1903. — W. L. Schreiber, Handbuch der Holz- und Metallschnitte des XV. Jahrhunderts. 8 dln., Leipzig 1926-1930. — P.A. Lemoisne, Les xylographies du XlVe et XVe siècle au cabinet des estampes de la Bibliothèque Nationale, 2 dln., Parijs en Brussel, 1930. — 3 A.J.J. Delen, Histoire de la gravure dans les anciens Pays-Bas et dans les Provinces Belges, des origines jusqu'a la fin du XVIIIe siècle, 3 dln., Parijs en Brussel, 1924-1935. — 4 Lemoisne, Les xylographies, a. w. II, blz. 20. — 5 Ibid., blz. 20. — 6 Acta Sanctorum Junii, Deel I, Antwerpen, 1695, blz. 211. Voor de iconografie van Sint-Erasmus zie L. Réau, Iconographie de l'art chrétien, III, Parijs, 1958, blz. 439-440.

p. 28
UIT het begin van de 16e eeuw zijn de getuigenissen zeer schaars 1. Ons is uit deze periode slechts één enkele religieuze volksprent bekend : „de bespotting van Christus" (plaat I). Deze prent, in het standaardformaat van de latere volksprenten, berust in het prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. De juiste herkomst ervan is niet bekend. De klederdracht van Pilatus en van de overige personages, vooral hun hoofddeksels vertonen nauwe verwantschap met de klederdracht en de hoofddeksels van personages op verschillende passietaferelen van Vlaamse kunstenaars uit het eind van de 156 en het begin van de 16e eeuw 2, voornamelijk van de personages op de triptiek van de kruisiging van Quinten Matsys uit het Antwerps museum. In de omlijsting van deze prent zien we een merkwaardige voorstelling van de attributen van de passie. Op de bovenzijde van deze omlijsting, rechts van het Christusmonogram, zijn de dertig zilverlingen afgebeeld. Op deze muntstukken kunnen wij het kruis onderscheiden dat kenmerkend was zowel voor de munten van de graven van Vlaanderen als voor die van de Bourgondische hertogen en de Franse koningen 3.
„Beildenmaeckers" en drukkers van „hilgen" zullen ongetwijfeld gedurende de eerste decenniën van de ióe eeuw hun activiteit hebben voortgezet. Doch de renaissance en de reformatie hebben vrij spoedig, vooral in het Noorden, in deze activiteit een grote ommekeer teweeggebracht. De reformatie bracht mede, dat alle afbeeldingen van heiligen uit den boze geacht werden. Naar alle waarschijnlijkheid zullen de meeste heiligenprenten en de houtblokken waarmee ze gedrukt werden, zijn vernield. De zaak verdween, maar de naam „hilgen" bleef bewaard en ging over, eerst op de volksprenten, zowel profane als bijbelprenten, en later op de kinderprenten. Vele 16e-eeuwse houtsneden met profane onderwerpen verschenen op het traditioneel formaat van de latere volksprenten. Doch deze prenten, meestal gegraveerd door kunstenaars van naam, waren bestemd voor de welgestelde burgerij, het waren geen volksprenten, het waren geen goedkope produkten voor de massa. Omstreeks het midden van de 16e eeuw zijn enkele tekenen te verkennen welke wijzen op een overgang van de kunstprent naar de volksprent. Deze overgang liet zich het eerst merken in de keuze van het onderwerp en slechts later in een meer naïeve tekening en minder goed verzorgde uitvoering.

_____________________________________
1 Boekenoogen oordeelde : „l'imagerie hollandaise, comme les imageries étrangères, doit avoir eu a son origine un carac-tère religieux; on connait quelques images rarissimes de ce genre du commencement du XVIe siècle" (Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., blz. 544). De Noord-Nederlandse 16e-eeuwse godsdientige prenten welke hij bedoelt, maar niet aanduidt, zijn ons niet bekend. — 2 Vergelijk ook de bespotting van Christus door Jeroen Bosch, uit het Staedelmuseum te Frankfurt, en de gevangenneming van Christus door Dirk Bouts in de Alte Pinakothek te München. — 3 Zie de sterling van Gwijde van Dampierre, „de grote blank" van Lodewijk van Crécy, de „dubbele groot" van Filips de Goede en Karel de Stoute, afgebeeld in R. van Roosbroeck e. a., Geschiedenis van Vlaanderen, tegenover blz. 224. Zie verder H. Enno van Gelder en M. Hoc, Les momiaies des Pays-Bas boiirguignons et espagnols 1434-1713, Amsterdam 1960, pl. 1 vlg.


p. 30

16e EEUW

Een scherpe grens tussen kunstprent en volksprent is niet te trekken. Herhaaldelijk zien we dan ook dat 16e-eeuwse kunstgravures in later eeuwen herdrukt worden als volksprenten.
Een anonieme prent als de strijd om de broek (plaat XII), gedateerd 1555, behandelt een van de meest populaire thema's van de volksprentkunst. Deze plaat is met meer zorg gedrukt en gekleurd dan de meeste volksprenten uit de volgende eeuwen maar de voorstelling was bestemd voor een groot publiek en dit werk kan even goed tot de volksprenten gerekend worden als tot de kunstprenten. Dit geldt ook voor een andere anonieme houtgravure, gedateerd 1566, bewaard in het prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Deze prent vertoont een boertig dorpstafereel met drinkende en vechtende boeren.
Naast deze anonieme prenten werden door de Antwerpse „figuersnyder" Hans Liefrinck ook enkele populaire onderwerpen behandeld als de „de hennetaster" (plaat IX), het kalf met mensenhoofd, de vier zonnen gezien te Antwerpen op 19 februari 1552, platen welke we hebben opgenomen in onze catalogus van volksprenten.
Hans Liefrinck en zijn collega Silvester van Parijs 1, eveneens gevestigd te Antwerpen, hebben talrijke portretten van vorsten uitgegeven, gegraveerd door Cornelis Anthonisz te Amsterdam of door leerlingen of opvolgers van Anthonisz 2. Dit waren geen volksprenten, doch sommige houtblokken van deze prenten of van andere gelijkaardige gravures werden in latere eeuwen gebruikt voor het drukken van volksprenten. Drie mooie ruiterportretten toegeschreven aan Cornelis Anthonisz, een van Karel de Vijfde en een van hertog Karel van Orleans verschenen in de 18e eeuw bij Barent Koene te Amsterdam als Sint-Nicolaasprenten, een derde met portret van Hendrik de Tweede van Frankrijk (afb. 11), verscheen bij J. van Egmont te Rotterdam als kermisprent. Bij deze laatste uitgever verscheen, eveneens als „kermisprent" (nr. 59), een dubbel portret van Karel de Vijfde en Filips de Tweede, geheel in de stijl van de houtsneden van Cornelis Anthonisz. Een ander ióe-eeuwse houtsnede, uit dezelfde school, met drie Franse (?) vorsten te paard, werd einde van de 18e eeuw herdrukt door Jan de Lange (senior) te Deventer (afb. 63) als driekoningenprent. Naast deze kunstwerken, vervreemd van hunne originele bestemming, verschenen van af de 17e eeuw ook echte volksprenten met portretten van de prinsen van Oranje en van andere vorsten. Het genre ging over van het atelier van de kunstenaar naar de werkplaats van de anonieme ambachtsman.
De 17e- en 18e-eeuwse uitgevers van volksprenten beperkten zich niet tot het gebruik van de 16e-eeuwse portretten van vorsten. In de meeste fondsen van volk- en kinderprenten, uit deze eeuwen, vinden we een of meer prenten gedrukt met ióe-eeuwse houtblokken. Alleen in het fonds van J. Kannewet te Amsterdam zijn minstens een tiental prenten aan te wijzen over zeer verschillende onderwerpen, gedrukt met houtblokken afkomstig van ióe-eeuwse graveurs 3. Niet enkel blokken van Nederlandse graveurs maar ook van Duitse ióe-eeuwse houtsnijders zijn in het bezit gekomen van Nederlandse uitgevers en gebruikt voor het drukken van kinderprenten.
We vermelden hier Jorg Brew (Suzanna in het bad, Van Egmont nr. 7), Nicolaas Meldemann (de houtblok van Der Nasentanz zu Hümpelbrunn, bij Van Egmont De vermaaklyke Vasten-Avondvreugd) Hans Burgkmair (bijbelse taferelen, onbekende uitgever).
Meer dan de ióe-eeuwse portretten van prinsen en koningen waren de allegorische prenten uit

________________________________
1 Voor Hans Liefrinck, zie catalogus verder in dit boek, voce Liefrinck. In 1487 was meester Jan van Parijs, „prince" van het Antwerps Sint-Lucasgilde (Liggeren, I, blz. 40). Was Sylvester een kleinzoon of achterneef van Jan van Parijs; In 1528 werd Sylvester ingeschreven in het gilde met naast zijn naam de melding „printen geleert bij Willem Liefrinck" (Liggeren, I, blz. 111). In 1567 wordt een Sylvester van Parijs „meesterssoone" ingeschreven in het gilde (Liggeren, I, blz. 234). Dit is dus Sylvester II. — 2 Nijhoff, Houtsneden, tekstgedeelte door M.D. Henkei, blz. n 1. —3 C.P. Burger, Zestiende-eeuwsche volksprenten, later als kinderprenten herdrukt. Catalogus der tentoonstelling van de ontwikkeling der boekdrukkunst in Nederland te Haarlem 1923, blz. 165-169.

p. 31

dezelfde periode nauw verwant met de volksprenten. Het waren meestal rijmprenten zoals er reeds op het eind van de 15e en het begin van de 16e eeuw, in Duitsland in omloop waren. De merkwaardige „Flugblatter" of „Bilderbogen" met teksten van Sebastiaan Brant en Hans Sachs zijn hiervan de meest typische voorbeelden 1. Gelijkaardige prenten verschenen te Amsterdam bij Jan Ewoutsz en te Kampen bij Peter Warnersoen (ook Wamersen)2 . De teksten en de platen van deze prenten zijn nauw verwant met het werk van de rederijkers. Het zijn allegorische voorstellingen hetzij van latijnse spreuken, hetzij van deugden of ondeugden of van levensregels. Enkele voorbeelden : een plaat van Warnersoen illustreert de spreuk „concordia res parve (sic) crescunt, discordia maxima dilabuntur" 3, een andere getiteld „Die tydt van Nu" verzinnelijkt de zeven hoofdzonden door een figuur samengesteld met lichaamsdelen van verschillende dieren 4, een prent van Ewoutsz 5 geeft een allegorische voorstelling van „Arithmetica", prenten van onbekende uitgevers brachten „Diligentia" en „Patien-tia" in beeld 6. Dit waren ongetwijfeld prenten voor een ontwikkeld publiek. We hebben deze gravures niet opgenomen in onze catalogus van de Nederlandse volksprenten maar ze komen hier ter sprake omdat het rechtstreebe voorlopers zijn van de talrijke allegorische volksprenten. Verschillende onderwerpen behandeld op deze goedverzorgde en rijk gekleurde ióe-eeuwse rijmprenten komen later voor bij de volksprenten en sommige houtblokken van dergelijke allegorische prenten werden in latere eeuwen, soms met een geheel andere verklaring, gebruikt voor het drukken van volksprenten. Ewoutz en Warnersoen hadden beiden in hun fonds prenten waarop de dood voorgesteld is op bezoek bij een man in volle levenskracht, op bezoek bij een verliefd paar, bij een rijke gierigaard 7. In het iconografisch overzicht vermelden we gelijkaardige onderwerpen en zullen we zien welke voorname plaats de dood inneemt in de volksprenten. Een houtsnede van Cornelis Anthonisz 8 stelt een trap des ouderdoms voor. Het is de oudste Nederlandse gravure waarop dit later zeer populaire onderwerp werd afgebeeld. Het houtblok van een andere houtsnede van Comelis Anthonisz 9, een gevleugeld varken staande op een wereldbol, zinnebeeld van de verdorven wereld, werd later gebruikt voor een spotprent op de speculatiewoede (afb. 113). De Nederlandse houtsneden uit de eerste helft van de 16e eeuw zijn uitvoerig beschreven door Wouter Nijhoff. De meeste rijmprenten uitgegeven door Ewoutsz en Warnersoen werden behandeld door Johannes Bolte 10.
Zoals de prozaromans op het eind van de 15e eeuw en in de 16e eeuw bestemd waren voor de betere standen en daarna geleidelijk afdaalden tot goedkope volbboekjes11 zo ook zijn de ióe-eeuwse rijmprenten geleidelijk vervangen door meer populaire prenten bestemd voor een steeds ruimer publiek om ten slotte in de 18e eeuw vervormd te worden tot kinderprenten.
Geheel op het eind van de 16e eeuw verscheen bij Ewout Cornelisz. Muller, vermoedelijk een kleinzoon van Jan Ewoutsz, een Verkeerde Wereld in tweeëndertig taferelen (afb. 12). Deze prent heeft alle eigenschappen van de traditionele volksprent. Dit blijkt ook het geval te zijn met een 16e-eeuwse Nederlandse spreekwoordenprent uit het Schlossmuseum te Gotha. Deze prent is op dit ogenblik niet bereikbaar 12.

__________________________________
1 P. Heitz, Flugblatter des Sebastian Brant, mit einem Nachwort von Professor Dr. F. Schultz, mit 25 Abbildungen, Strassburg, 1915. — H. Röttingcr, DU Bilderbogen des Hans Sachs, 1925. Zie ook J. Bolte, Bilderbogen des 16. und 17. Jahrhunderts, in Zeitschrift für Volkskunde, XIX (1909), blz. 51, XX (1910), blz. 182. — 2 Voor Jan Ewoutz zie catalogus. Peter Warnersoen was werkzaam „in den witten Valcke" van 1550 tot omstreeks 1566 (Ledeboer, De Boekdrukkers, blz. 221). — 3J. Bolte, Bilderbogen des 16. Jahrhunderts, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal en Letterkunde, XLV (1895), blz. 119-152, nr. 13. — 4 Ibid., ar. 11. — 5 Moes en Burger, I, blz. 177. — 6 Nijhoff, Houtsneden, pin. 354 en 354 bis. — 7 Bolte, a. w., nrs. 1,7018.-» Prentenk. Amsterdam, Ned. Hsnn., Cornelis Anthonisz. — " Nijhoff, Houtsneden, pi. 352. —'10 Zie de hierboven aangehaalde werken van Nijhoff en Bolte. — u L. Debaene, De Nederlandse volksboeken, Antwerpen 1951, blz. 353. — 12 De directie van de „Kunstsammlungen" van het „Schlossmuseum" te Gotha schreef me op 28-1-61 : „In unserem grafischen Kabinet macht sich eine völlige Neuinventarisation notwendig, sodass das von Ihnen genannte Blatt für uns noch nicht greifbar ist".

p. 33

17e EEUW

ZOALS we reeds gezien hebben in het vorig hoofdstuk gaf de Amsterdamse uitgever Mar-ten Jansz. Brandt in het begin van de iye eeuw een herdruk van de 16e-eeuwse prent Die waeraclitige ende valsche aanbidder Godts. Evenzo heeft een ander Amsterdamse uitgever, Cornelis Dircksz. Cool, omstreeks dezelfde tijd een herdruk gebracht van een Ecce-Homo-prent, (afb. 48) toegeschreven aan Cornelis Anthonisz, werkzaam te Amsterdam van 1527 tot 1553.
Voor Amsterdam zijn verschillende lye-eeuwse uitgevers van volks- en kinderprenten te vermelden. Van enkele van deze uitgevers is slechts een enkele prent bewaard uit hun fonds. Dit is o. m. het geval voor Joost Broerz, werkzaam van 1634 tot 1647 waarvan enkel een Trap des Ouderdoms (afb. 115) bekend is.
Uit het fonds van Boudewijn de Preys, „Boeckverkooper op de Seedyck" en later ,,op de Mid-deldam in de Faem", is ook maar één prent bewaard. De Preys, werkzaam van omstreeks 1639 tot 1672, liet bij zijn dood meer dan twintigduizend „heyligen" na, wat reeds wijst op een vrij belangrijke produktie van volksprenten 1. „Esopus Fabulen" de enige bekende volksprent uit het fonds van Paulus Mathysz, werkzaam van 1640 tot 1684 ,,in 't Musijckboek in de Stoofsteeg", werd gegraveerd door Jan ChristofFel Jegher. De houtblokken van deze prent zijn in de 18e eeuw in het bezit gekomen van C. Brouwer te Hoorn.
Lijntje Robijns, afkomstig uit Antwerpen, was gehuwd met Theunis Jacobsz. Lootsman drukker te Amsterdam. Deze overleed in 1650 en van af die datum tot omstreeks 1690 werd de zaak gevoerd door de weduwe Jacobsz. Zij stond aan de wieg van de twee voornaamste Amsterdamse fondsen van kinderprenten uit de 176 en de 18e eeuw : enerzijds het fonds Lootsman-Van der Putte anderzijds het fonds De Groot. Haar zoon, Casparus Lootsman, werd opgevolgd door diens neef Jacobus Conynen-berg en deze werd op zijn beurt opgevolgd door Isaac van der Putte, de grondlegger van de firma Van der Putte. Haar dochter Cathelijne huwde met Michiel de Groot stichter van het belangrijke fonds De Groot.
Er zijn slechts vijf prenten bewaard „gedrukt by de Weduwe van Teunis Jacobsz op 't Water in de Lootsman", maar vele van de door haar zoon Casparus Lootsman en zijn opvolgers uitgegeven prenten zijn gedrukt met tamelijk afgesleten houtblokken, wat laat vermoeden dat deze afkomstig waren uit het fonds van de Weduwe Teunis Jacobsz. Lootsman.
De drie prenten die uit het fonds Michiel de Groot (werkz. 1657-1680) zijn bewaard, kunnen wat hun uitvoering betreft als volksprenten aangezien worden, maar de onderwerpen zijn niet bijzonder populair : een allegorische prent (de hoornkruiper), een bijbelprent (Maria en Marta, — Lucas 4, 38-42), en een prent, gedateerd 1659, met afbeeldingen van de statiewagens uit de stoet ter ere van

___________________________________________
1 Voor de bewijsplaatsen over deze en de verder genoemde uitgevers verwijzen wij naar de historische inleiding tot de fondsen van deze uitgevers.


p. 34

de keurvorsten van Brandenburg en de prinses douarière van Oranje. Ook uit het fonds van Gysbert de Groot (1683-1692), neef en opvolger van Michiel de Groot, zijn slechts drie prenten bewaard. Deze gravures behandelen traditionele onderwerpen welke regelmatig terugkeren in de volks- en kinderprenten van de 18e en de 19e eeuw : de Verkeerde Wereld, een plaat met vogels en een derde met acht afbeeldingen betreffende landbouw en zeevaart. Deze laatste prent is gegraveerd door L.B.M., initialen welke wij terugvinden op prenten van Kannewet, Stichter, Noman en Brepols, prenten waarvan de oorspronkelijke drukken naar alle waarschijnlijkheid behoord hebben tot het fonds De Groot. Gysbert de Groot overleed in 1692 en de zaak werd voortgezet door zijn weduwe. Uit dit fonds zijn een zestal prenten bewaard waaronder een Luilekkerland in acht taferelen.
Naast de prenten van bekende uitgevers zijn uit de 17e eeuw ook een tiental volksprenten bewaard van onbekende uitgevers1. Op enkele van deze prenten zijn thema's behandeld welke, gedurende meer dan twee eeuwen nog, de belangstelling zullen genieten van groot en klein : de historie van „De Franse Tiranny", van Jan de Wasser, de boerenkermis, het landleven enz.
Een nader onderzoek van de testamenten, contracten en inventarissen van de drukkers, boekverkopers of „printenmakers" uit de 17e eeuw zou zeker aantonen dat verschillende van deze lieden „heiligen" hebben uitgegeven. Wij vermelden slechts een paar voorbeelden uit het werk De boekhandel te Amsterdam door Kleerkooper en Van Stockum. In een inventaris, anno 1699, van de nagelaten goederen van de Amsterdamse boekdrukker Jan Giïlisz. Saeghman, werden opgetekend; „11 formen tot heylkhjens met de patronen tot deselve, een plano tot het gansebort, een plano tot het uijlebort" 2. In een contract afgesloten op 12 maart 1695 tussen Joachim de Mon, meester printenmaker, en Jacobus van Hout, meester glazenmaker, beiden te Amsterdam, werd overeengekomen dat de eerste aan de tweede zou leveren „ieder jaar 2600 stuks printen genaemt Sancten of Heijligen" 3.
Uit een vrij belangrijk fonds als dat van Barent en Otto Smient, de voorganger van Jacobus van Egmont, is geen enkele prent bewaard; nochtans bleken er bij de publieke verkoop van een gedeelte van de winkelinventaris, in 1674, verscheidene riemen (één riem bevat 480 bladen) „Heijligen", „Ganse spullen" (ganzenborden) en „Uilenborden" aanwezig te zijn. Bij de veiling van de inboedel van de erven Otto Barents Smient op 24 april 1710 zijn „eenige honderden riemen liedjes, schrijf- en drukpapieren, heijligjes, strooigoed enz." publiek verkocht geweest 4.
De 17e-eeuwse prenten uit het fonds van het Amsterdams boekdrukkersgeslacht Bouman verdienen bijzondere aandacht omdat uit de titels van enkele prenten voor het eerst uitdrukkelijk blijkt dat zij bestemd waren voor de jeugd. Van Jan Jacobsz. Bouman (werkzaam 1643-1671) is slechts één prent bewaard, namelijk met vierentwintig spreekwoorden. Uit het fonds van zijn opvolger Jacobus Bouman (1671-1703) zijn vijf prenten bewaard. De drie eerste dragen een opdracht aan de jeugd. De oudste hiervan, met vijftien afbeeldingen van vogels, gedateerd 1673, werd uitgegeven „tot groot vermaeck en vreugd voor alle Jonge Spruyten" en de jongste, gedateerd 1690 is getiteld Siet hier \ O schrandere Jeught j ah in een Schildery / na waerheydt afgebeelt / der Franse Tyranny.
Buiten Amsterdam kunnen wij voor de Noordelijke Nederlanden enkel nog Haarlem vermelden alwaar de „Stads-Druckster" Margareta van Bancken van 1681 tot 1694 tevens bedrijvig was als uit-geefster van kinderprenten. Twee hiervan zijn bewaard, beide gedateerd 1690.
In de verzameling Enschedé te Haarlem zijn talrijke 17e-eeuwse houtblokken bewaard, waarvan de meeste ongetwijfeld bestemd waren voor het drukken van volksprenten of het illustreren van volksboeken. Deze houtblokken zijn beschreven en voor het grootste gedeelte afgebeeld in het boek Fon-deries de caractères et leur matériel dans les Pays-Bas du XVe au XlXe siècle van Charles Enschedé 5. Wij

________________________________
1 Zie catalogus : prenten van onbekende uitgevers uit de 17e eeuw. — 2 Kleerkooper en Van Stockum, blz. 1045. — 3 Ibid., blz. 429. — 4 Zie inleiding fonds Van Egmont. — 5 Haarlem, 1908, blz. 140-164.

p. 35

vermelden enkele reeksen, welke, zowel wat de formaten als wat de onderwerpen betreft, bijzonder geschikt moeten zijn geweest voor het drukken van prenten : de twaalf maanden getekend door Esaïas van de Velde (werkz. te Haarlem 1610-1618) en gegraveerd door Christoffel van Sichem; negen blokken met afbeeldingen van vogels gegraveerd door Dirk de Bray (werkz. Haarlem 1651-1678); achttien blokken van een onbekende graveur met karikaturen van kreupelen en gebochelden, geheel in dezelfde aard als de figuren afgebeeld op de prenten van Isaac van der Putte (nr. 55), J. Kannewet (nr. °44), J. Ratelband en J. Bouwer (nr. 15); dertig blokken met allerlei boertige personages of koddige taferelen zoals er in de fondsen van de hierboven genoemde uitgevers eveneens verschillende voorkomen; tenslotte nog achtentwintig 17e-eeuwse blokken van een onbekende graveur met afbeeldingen #an allerlei mannelijke en vrouwelijke personages. De overige reeksen houtblokken van hetzelfde genre, uit de verzameling Enschedé, dateren vermoedelijk uit de 18e eeuw.
Te Antwerpen waren in de 17e eeuw verschillende „figuersnyders" en „plaetdruckers" werkzaam, doch slechts van een paar onder hen zijn één of meer volksprenten bewaard. Uit het begin van de 17e eeuw kennen wij Antoon Spierincx vader en zoon. De vader was in 1584 ingeschreven in het Sint-Lucasgilde als „quaertspelmaecker". ha 1599 had hij vijftienhonderd Sint-Jacobs-„belekens", en in 1600 achttienhonderd dergelijke prenten geleverd aan de Sint-Jacobskerk te Antwerpen 1. Dit zijn vermoedelijk devotieprentjes geweest. Abraham Verhoeven, schoonzoon van Anton Spierincx, leverde in 1612 aan Jacques Hacqué te Douai zeven riem gekleurde prenten gegraveerd door Mel-chior Ykens 2. Dit kunnen volksprenten, „mannekensbladen", geweest zijn maar het is mogelijk dat ook dit devotieprentjes waren. Anton Spierincx junior liet in 1630 een gedateerde houtgravure verschijnen met de populaire Trap des Ouderdoms 3. Deze mgoie volksprent is niet gesigneerd, zij berust in het Antwerps prentenkabinet bij de houtgravures van Christoffel Jegher. In dezelfde portefeuille bevindt zich een andere, niet gesigneerde volksprent, zonder de naam van de uitgever, een Ecce Homo in buste, met rondom de attributen van de passie. Een derde volksprent uit deze verzameling is gesigneerd CL, en verscheen ,,T' hantwerpen by de weduwe Pauwels Huybrechts op den hoeck van de panstraat in de Wapen van Portugael". Deze merkwaardige houtgravure geeft een ruiterportret van de kardinaal-infant Ferdinand in een passe-partout-omlijsting, met boven het wapen van Spanje en links en rechts een tamboer. De signatuur bevindt zich in de omlijsting, die vermoedelijk ook gebruikt of bedoeld was als omlijsting voor portretten van andere Spaanse vorsten. Het onderschrift, een gedicht van vierentwintig versregels, vangt aan met een hulde aan de landvoogt :
Nederlant danckt Godt die u heeft gegeven Ferdinandus den prins van Conincklijck saet
en eindigt met een nieuwjaarswens van de nachtwakers :
Maer als leeuwen cloeck int waken en ronden Wij Tamboeryns doen we ons beste allegaer Die u veel geluckxwensen hoort ons vermonden En den vrede des Heeren, t'eenen nieuwen Jaer.
Zoals hier een vorstenprent tevens dienst doet als nieuwjaarsprent zo zullen in de volgende eeuw verschillende nieuwjaarsprenten van stadstamboers dienst doen als militaire kinderprenten.

_______________________________
1 Liggeren, I, blz. 285. — 2 E. van Heurck, Les images de dévotion anversoises du XVIe au XlXe siècle, Antwerpen, 1930, blz. 86. — 3 Reprod. op blz. 455 in K.C. Peeters, Eigen aard, Antwerpen, (1946).

p. 37

De Liggeren van het Antwerpse Sint-Lucasgilde verschaffen enkele inlichtingen over de activiteit van het geslacht Huybrechts. In 1636 wordt Pauwels Huybrechts vermeld als „belekensafzetter". Hij moet ditzelfde jaar overleden zijn, want hetzelfde jaar 1636 wordt vermeld dat twee leerjongens Candelers en Aertsen, werkzaam zijn als „verlichters" bij de weduwe van Pauwels Huybrechts. „Afzetter" en „verlichter" beduiden vermoedelijk dezelfde personen, namelijk degenen die de prenten kleuren. De „figuersnyders" leverden de zwartdrukken van de prenten en de afzetters of verluchters kleurden ze en brachten ze in de handel. Wij spraken over „het geslacht" Huybrechts. In 1641 immers wordt een Pauwei of Paulus Huybrechts II vermeld en in 1645 een Peter-Pauwel en een Martinus Huybrechts, schildersl. Wij vermoeden bovendien dat de kopergraveurs Adriaan, Francis-cus, Gaspard en Joannes Huberti (gelatiniseerde naam van Huybrechts) tot dit geslacht behoren.
Niet altijd drukten de graveurs zelf hun prenten. In 1630 en in 1633 leverde de Antwerpse drukker Geeraert van Wolschaten aan de Sint-Andrieskerk telkens vijf duizend „beldekens van St. Andries die men in de kerke te offer gheeft", gegraveerd in lood door Christoffel Jegher 2.
Jan Christoffel Jegher, zoon van Christoffel, heeft ondanks zijn korte leeftijd (°1618, + 1666), vele honderden houtblokken nagelaten. De overgrote meerderheid hiervan was bestemd voor de illustratie van boekwerken. Zeer velen werden nog in de 18e en 19e eeuw gebruikt voor het drukken van kinder-prenten. Voor de lijst van volks- en kinderprenten waarop een signatuur van Jan Christoffel voorkomt, verwijzen wij naar de lijst van gesigneerde prenten op naam van J.C. Jegher. Jan Christoffel was niet enkel een knap houtgraveur, hij was ook uitgever van prenten. Uit een Gents processtuk van 25 november 1660 blijkt dat Johan Jeghers van Antwerpen „conijnckbriefven" had geleverd aan een zekere Willem Hellebaut te Gent 3. Van Heurck vermeldt als uitgaven van Jegher ook een ganzenspel, een uilcnspel, een uilenspiegelprent later heruitgegeven in het fonds Van der Haeghen te Gent, bede-vaartvaantjes en andere prenten 4.
Ook te Gent werd in de 17e eeuw druk handel gedreven in volksprenten. Uit een ander Gents processtuk blijkt dat deze prenten niet alleen ten huize der boekverkopers werden verkocht maar ook op kermissen en markten 5.

____________________________________
1 Liggeren, II, blz. 156 en 168. — 2 P. Visscher, Geschiedenis van de Sint-Andrieskerk te Antwerpen, Antwerpen, 3 dln., I, 1853, blz. 134. Geciteerd Liggeren, I, blz. 390. — 3 F. van der Haeghen, Analyse et copie des 771 pièces formant la collection de documents ms. relatifs a la Corporation des imprimeurs et libraires de Gand, 1652-1795. Handschrift (1852-1855), Universiteitsbibliotheek, Gent. — 4 Van Heurck en Boekenoogen, I.P.P.B., blz. 126. Bij deze prenten wordt ook gerekend een reeks houtgravurcs met de wagens van de Antwerpse ommegang, waarvan een ex. tentoongesteld is in het Folkloremuseum te Antwerpen. Thieme-Becker, voce Jegher, vermeldt een ganzenspel gegraveerd door J.C. Jegher.— 5 F. van der Haeghen, a. w., 9 aug. 1658 : Geschil tussen het gilde van de „vrije boeckvercoopers" en Herman Tipper „borgher van Ghendt". Deze laatste wordt ervan beschuldigd, dat hij „hem haddc vervordert te vente met beelden zeyntkens, liedekens ende andere diergelijcke voorts te staene in de kermisse van Byloque, sondcr daertoe bij de boeckvercoopers deser stede gheadmitteert te zijne...". Van der Haeghen resumeert het vonnis als volgt : „que Ie 2° comparant (H. Tipper) pourra vendre toutes sortes d'images et de gravures approuvces sans pouvoir vendre des almanachs, livres, chansons et toutes choses imprimées, dans sa maison, ter potkens marct byloque, au marché de la mi-carcme, op de presentkens marct, et non en d'autres endroits".Deze uitspraak zal later betwist worden. Bij de documenten van Van der Haeghen is er een stuk van 28 febr., dat hij samenvat als volgt : „Avis de trois avocats a la demande des visiteurs des imprimeurs, concernant Ie mot beelden du placcard de 1546 et se trouvant dans Ie premier livre des placcards folio 138 et 140. lis disent qu'il faut entendre par ce mot toute espèce de gravures et d'images pourvu que celle-ci soient imprimées et qu'il n'y a que les imprimeurs et les libraires jurés qui peuvent les vendre".
De „beelden zeyntkens", welke Tipper verkocht op de markten en kermissen, zullen wel volksprenten zijn geweest en geen dure gravures bestemd voor de betere burgerij. Trouwens het woord „zeyntke" geeft de Gentse uitspraak weer van „sanctje". In de huidige Gentse benaming van de kinderprent „zantjes-wale" is het woord „zeyntke" bewaard gebleven. Verschillende Gentse boekhandelaars hebben zich vermoedelijk ingelaten met de handel in „beelden zeyntkens" en hebben zich geschaad geacht door de bedrijvigheid van de door het gilde niet erkende handelaar Tipper. Dit kan het optreden verklaren van het bestuur van de „vrije boeckvercoopers" tegen Herman Tipper.


p. 38

Om zich een gedachte te vormen van de Nederlandse volksprent in de 17e eeuw, moeten wij ook rekening houden met de zeer talrijke 18e-eeuwse prenten die gedrukt zijn met iye-eeuwse houtblokken. De originele uitgaven van deze prenten zijn verloren gegaan, maar uit wat bewaard is gebleven uit de 18e eeuw, blijkt een grote bedrijvigheid in de voorafgaande eeuw. Hier is het fonds Kannewet het meest sprekend voorbeeld; ongeveer de helft van de prenten door deze firma uitgegeven zijn gedrukt met 17e-eeuwse houtblokken. Ook in talrijke andere 18e-eeuwse fondsen, zoals die van Van Egmont, Ratelband & Bouwer en Koene, zijn prenten te vinden, gedrukt met 17e-eeuwse houtblokken.
Een volledig beeld van de Nederlandse volksprent in de 17e eeuw kunnen we niet schetsen. Alleen weten we dat de produktie van volksprenten, vooral in de tweede helft van de 17e eeuw, zeer belangrijk was in de Nederlanden, vooral te Amsterdam.
Tenslotte moeten we voor de 17e eeuw ook nog de volksprenten vermelden in kopergravure. We bedoelen hier uitgaven van Cl. Visscher, van I. en R. en J. Ottens en van E. de Wit, allen te Amsterdam. De prenten van deze uitgevers, vermeld in onze catalogus, zijn gedrukt in hetzelfde formaat als de latere kinderprenten en behandelen ook bijbelse en allegorische onderwerpen, spreekwoorden enz. Ze zijn gedrukt op goed papier en met zorg gekleurd. Ook deze kunnen dus worden beschouwd als een schakel tussen de kunstprent en de eigenlijke volksprent.

p. 39

18e EEUW

DE bedrijvigheid van de kopergraveurs Ottens en De Wit duurde tot het begin van de 18e eeuw. Dit genre werd dan in de 18e eeuw voortgezet door I. en B. Greve, G. Lucas en B. Velthuyzen, allen te Amsterdam. Verder vermelden we nog enkele tientallen 18e-eeuwse kopergravures van onbekende uitgevers, kinderprenten met Nederlandse teksten, maar voor een groot gedeelte van Duitse herkomst 1.

De kopergravure bleef een uitzondering. De echte volksprent welke in de 18e eeuw haast uitsluitend kinderprent geworden was, werd gegraveerd in houtblokken. Amsterdam bleef het voornaamste centrum. In de eerste helft van deze eeuw waren aldaar de rechtstreekse opvolgers van Bouman en van De Groot nog werkzaam, alsook de opvolgers van Lootsman : Isaac, Abraham en Hendrik van der Putte.
Nieuwe uitgevers van volks- en kinderprenten verschijnen op het toneel. Als de belangrijkste onder hen vermelden wij Van Egmont, Kannewet, Koene, Ratelband en Bouwer.
De fondsen van al deze firma's waren hoofdzakelijk opgebouwd uit oud materiaal, uit houtblokken welke afkomstig waren van vroegere uitgevers van volks- en kinderprenten. Zo is een gedeelte van de houtblokken uit het fonds van De Groot terechtgekomen bij J. Kannewet. De herkomst van de meeste 16e- en 17e-eeuwse houtblokken uit de fondsen van Van Egmont, Ratelband en Bouwer, S. en W. Koene is ons niet bekend. Wel hebben deze uitgevers hun fondsen aangevuld met nieuwe prenten. Zo heeft de firma Van Egmont het 18e-eeuwse fonds overgenomen van de graveur-uitgever Hendrik Numan en o. m. door A. Bouwens enkele nieuwe prenten laten graveren. Deze laatste graveur heeft ook nieuwe prenten gegraveerd voor de firma Ratelband en Bouwer en voor de Erven van der Putte, welke laatsten bovendien een beroep deden op de houtgraveur G.N. Garama. Maar zelfs voor hun actualiteitsprenten maakten deze uitgevers gaarne gebruik van de blokken van oude prenten, die zij dan van nieuwe onderschriften voorzagen. Hierop hebben we reeds gewezen in het historisch overzicht van de 16e eeuw en in de iconografische aantekeningen bij de historische onderwerpen geven we hiervan verschillende voorbeelden, o. m. hoe de firma Van Egmont gebruik maakte van een oud ruiterportret van prins Willem IV om Willem V (nr. 50) voor te stellen, hoe Kannewet een portret van Willem III herdrukte met opschrift Prins Willem de Vde, en hoe S. en W. Koene gebruik maakten van een ióe-eeuws ruiterportret van keizer Karel V om er een Sint-Nicolaasprent van te maken. De vindingrijkheid van de meeste 18e-eeuwse uitgevers van volks- en kinderprenten was zeer beperkt. De ene uitgever kopieerde de andere. Elke nieuwe uitgever kopieerde de meest succesvolle nummers van zijn voorgangers. Veelal is hier geen spraak van een vrije navolging maar van slaafse kopieën. In de lijsten geclasseerd volgens de onderwerpen is er herhaaldelijk spraak van kopieën in

_____________________________
1 Biografische aantekeningen over de in dit hoofdstuk vermelde uitgevers, en de lijsten van hun prenten, ook de lijsten van de prenten van onbekende uitgevers, vindt de lezer in het tweede deel van dit boek : de catalogus van de Nederlandse volks- en kinderprenten met historische inleiding op elk fonds.


p. 40

spiegelbeeld. De kopiïst tekende zijn voorbeeld na direct op de houtblok, zodat de afdruk van deze houtblok een spiegelbeeld van het origineel weergaf.
Weinig uitgevers maakten een uitzondering op deze regel. Het uitgevershuis dat een geheel nieuwe weg insloeg, was de firma Stichter te Amsterdam. De eerste prenten van het fonds Stichter zijn gewijd aan beroepen en ambachten. Hiervoor had de firma, omstreeks 1770, beroep gedaan op de knappe graveur Hendrik Numan die meer dan driehonderd houtsneden zou maken met keurige afbeeldingen van allerlei ambachten en beroepen.
Tien of vijftien jaar later gaf de firma Stichter een gelijkaardige opdracht aan J. Oortman, die op zijn beurt ook een honderdtal houtsneden met ambachten graveerde. Zo kwam de firma Stichter in het bezit van een reeks prenten, welke geheel nieuw waren ten opzichte van de steeds opnieuw gekopieerde prenten van de meeste van haar voorgangers en tijdgenoten. Doch de houtgraveurs Numan en Oortman hadden zelf geen nieuwe onderwerpen gecreëerd en niets gedaan dan de kopergravures gekopieerd van Jan en Casper Luyken, uit hun Spiegel van het menselijk bedrijf (Amsterdam 1696).
Een andere, minder knappe graveur, J. Robyn, sneed voor de firma Stichter een belangrijke reeks werkelijk originele prenten over de volksgebruiken van die tijdl. Ook talrijke prenten met ambachten, kinderspelen en spreekwoorden uitgegeven door Stichter zijn van de hand van J. Robyn.
De Amsterdamse uitgever J. Wendel heeft op het eind van de 18e eeuw, door een onbekend graveur, eveneens nieuwe leuke prenten laten graveren over de oude, traditionele onderwerpen; uitstekende ambachtskunst.
De Amsterdamse firma's Van Bergen, Moolenyzer, Rynders, Schierbeek en Wendel hebben reeds kinderprenten uitgegeven op het eind van de 18e eeuw, maar waren vooral werkzaam op dit gebied in de eerste helft van de 19e eeuw.
Buiten Amsterdam was de produktie van volks- en kinderprenten, in de 18e eeuw slechts van geringe omvang. Toch waren er op dit terrein ook in Haarlem, Leeuwarden en Rotterdam uitgevers werkzaam.
In Haarlem werden in de 18e eeuw volks- en kinderprenten uitgegeven door Izaak Enschedé, Willem van Kessel, Jan van Nieuwenhuyzen en Jan van Lee.
In het vorig hoofdstuk hebben we reeds gesproken over verschillende reeksen van 17e-eeuwse houtblokken uit het museum Enschedé. Naast deze 17e-eeuwse houtblokken bevinden zich aldaar ook talrijke 18e-eeuwse houtblokken die voor het drukken van volksprenten bestemd waren. Hieronder zijn te vermelden achtenveertig houtblokken gegraveerd door Izaak van der Vinne (°1665, +1740), de graveur van de enige volksprent welke uit het fonds van Izaak Enschedé bewaard bleef 2.
Uit het fonds van Jan van Nieuwenhuyzen, dat omstreeks het midden van de 18e eeuw werd overgenomen en voortgezet door Jan van Lee, zijn een twintigtal genummerde prenten bekend waarvan de jongste het nummer 64 draagt.
Ook in Leeuwarden waren in de eerste helft van de 18e eeuw een paar uitgevers van volks- en kinderprenten gevestigd. Van Pieter Koumans, werkzaam van 1735 tot 1780, zijn een vijftal prenten bewaard, waaronder een Uilenspiegel in vijfentwintig taferelen. Het is niet onwaarschijnlijk dat ook Lambert en Gerrit Koumans, de voorgangers van Pieter, reeds volksprenten hadden uitgegeven. Van de prenten die uit het fonds van Abraham Ferwerda zijn bewaard gebleven, zijn de meeste gedrukt met 17e-eeuwse houtblokken gegraveerd door ChristofFel van Sichem. Het prentenfonds van Ferwerda ging over naar Johannes Seydel te Leeuwarden, en van deze naar de firma Rynders te Amsterdam.
In het begin van de 18e eeuw was te Leiden werkzaam Abraham Kaniewiele (ook Canjewiele). Er zijn slechts drie prenten bewaard uit zijn fonds, maar dan ook zeer merkwaardige prenten. Zoals

______________________________
1 Zie inleiding tot het fonds Stichter. — 2 Enschedé, Fonderies, blz. 146-147.


p. 41

in de inleiding tot diens fonds zal worden uiteengezet, verhuisde Kaniewiele in 1718 naar Amsterdam. We zien in deze Kaniewiele een voorganger van J. Kannewet, de belangrijkste Nederlandse uitgever van kinderprenten uit de tweede helft van de 18e eeuw. Van af 1744 was te Leiden ook werkzaam David du Mortier. Uit het fonds van deze uitgever zijn evenmin veel prenten bewaard gebleven. Bij deze weinige houtsneden bevindt zich een mooie ióe-eeuwse kopie van een prent van Hans Sebald Beham voorstellende Adam en Eva in het Aards Paradijs (afb. 50).
Voor zover bekend, is men in Rotterdam slechts in het laatste kwart van de 18e eeuw begonnen met het uitgeven van kinderprenten. De activiteit van de Rotterdamse uitgevers Cornel, Hendriksen, Scheffers en Thompson duurt derhalve voort tot de jaren dertig van de volgende eeuw.
In sommige andere steden van Nederland was in de 18e eeuw hier en daar nog een uitgever van volks- en kinderprenten gevestigd : J. Hand te Alkmaar, A. Walpot te Dordrecht, W. van der Wal te Gorinchem, H. van Irhoven te 's Hertogcnbosch, C. Brouwer te Hoorn, N. Muys te Schiedam, D. Kemink te Utrecht en Jukkers-De Roode te Zaandam. Uit de fondsen van deze uitgevers zijn over het algemeen zeer weinig prenten bewaard gebleven. Vermoedelijk was hun activiteit ook betrekkelijk beperkt. Dit was niet het geval met de firma De Lange te Deventer. Jan de Lange, wiens zelfstandig optreden als boekdrukker dateert van omstreeks 1758, heeft de basis gelegd voor een belangrijk fonds kinderprenten dat omstreeks 1787 voortgezet en uitgebreid werd door zijn zoon J.H. de Lange en kort na 1822 door zijn kleinzoon Jan de Lange (junior).
Alhoewel hier vele namen van 18e-eeuwse uitgevers van kinderprenten werden vermeld is deze opsomming zeker niet volledig. Evenals voor de 17e eeuw zijn er uit de boedelbeschrijvingen van drukkers, boekverkopers en uitgevers hoogstwaarschijnlijk nog talrijke getuigenissen te vinden betreffende het drukken en uitgeven van „heiligen" in de 18e eeuw. Wij geven hier slechts één voorbeeld. In de inventaris van de goederen nagelaten door Pieter Rotterdam, in leven boekverkoper te Amsterdam, worden onder meer vermeld : „58 houte gesnede plaaties & merkies. — 36 houte merkies tot hijligjes" 1. Deze „hijligjes" waren ongetwijfeld volks- of kinderprenten. Zoals er van Pieter Rotterdam geen enkel „hijligje" bewaard gebleven is, zo zullen er, vooral in de eerste helft van de 18e eeuw, nog verschillende andere kleinere drukkers en boekverkopers geweest zijn die eveneens „hijligjes" gedrukt hebben, maar van wier produktie niets bewaard gebleven is.
De toestand in de zuidelijke Nederlanden was geheel anders dan in de Verenigde Provinciën. De zeldzame getuigenissen en het weinige dat bewaard gebleven is, doen vermoeden dat de activiteit op het gebied van volksprenten tijdens de 18e eeuw op verre na niet de betekenis had van wat we vastgesteld hebben voor het Noorden. E. van Heurck noemt enkele drukkers uit Antwerpen, Brussel, Leuven en Gent die ganzenborden, uilenborden, driekoningenbriefjes, nieuwjaarswensen of ouder-domstrappen hebben uitgegeven 2, maar niets wijst erop dat deze drukkers ook „mannekensbladen" uitgaven.
Misschien kan een uitzondering gemaakt worden voor twee Antwerpse uitgevers Ludovicus Fruytiers en Suzanna Verbruggen. De eerste was vermoedelijk een neef van Joannes Fruytiers, van wie we enkel weten dat hij in 1697 en 1698 leerde „verlighten" bij Engelbert Illens te Antwerpen 3. Ludovicus Fruytiers was in 1750 ingeschreven in het Sint-Lucasgilde als „plaetsnyder" en werd in 1753 opperdeken van het gilde. Hieruit blijkt dat hij een voorname plaats bekleedde in zijn beroep. Volgens Van Heurck is Fruytiers in 1782 gestorven als vrijgezel 4. Juffrouw Fruytiers, die in 1783 ingeschreven was in het gilde als handelaarster in beeldekens 5, was vermoedelijk een zuster of een

________________________________
1 Akte opgemaakt door notaris Michiel Servaes en gedateerd 9 september 1715. Zie folio 9, Not. Arch. 5015, akte nr. 142, gemeentearchief Amsterdam. — 2 Van Heurck en Bockenoogen, I.P.P.B., 126-168. — 3 Liggeren, II, blz. 607. — 4 Van Heurck, Les images de Dévotion artversoises du XVIe au XlXe siècle, Antwerpen, 1930, blz. 57. — 5 Liggeren, II, blz. 851.

p. 42

nichtje van Ludovicus Fruytiers. Ludovicus was hoofdzakelijk kopergraveur. De talrijke devotieprentjes en de bedevaartvaantjes welke hij uitgegeven heeft houden nauw verband met het volksleven. Zijn leuke versie van de „Blauw Huyck", de laatste koperplaat over dit onderwerp, was ook geen volksprent in de zin zoals in dit boek bedoeld, maar het is niet uitgesloten dat in zijn bedrijf „in de Camme-straet tot Antwerpen", „mannekens bladen" verhandeld werden.
Suzanne Verbruggen heeft een Trap des Ouderdoms uitgegeven maar dreef ook handel, in de Keizerstraat „in de Herpe", in allerhande prenten. Zij stond ingeschreven in het Antwerps Sint-Lucasgilde als „beldekens vercoopster" 1.
Een onbekende Gentse drukker uit het begin van de 18e eeuw heeft een belangrijke reeks volks-en kinderprenten uitgegeven waarvan een dertigtal houtblokken bewaard gebleven zijn, welke nu berusten in het Folkloremuseum te Gent. Deze verzameling houtblokken is bekend als het fonds Van der Haeghen daar deze blokken in het begin van de vorige eeuw in het bezit waren van de Gentse drukkersfamilie Van der Haeghen, die ze in 1865 verkocht heeft aan de stad Gent. In dit fonds zitten blokken van heiligenprenten en van profane prenten. Naast blokken uit de 18e eeuw, waarvan een gedateerd is 1723, bevat deze verzameling ook enkele blokken uit de 17e en een paar uit de 16e eeuw. Het fonds Van der Haeghen vertegenwoordigt dus een traditie van ongeveer anderhalve eeuw.
Van omstreeks 1770 tot 1809 gaf J.H. Ie Tellier, drukker te Lier, ook een reeks kinderprenten uit. Eén hiervan, nr. 17 Klyn Duymken, is bewaard in het Folkloremuseum te Antwerpen2. De houtblokken van deze prent zijn later in het bezit gekomen van P.J. Brepols, welke hiermede zijn nr. 5 gedrukt heeft. In de inleiding tot de catalogus van het fonds Brepols zullen we aantonen dat talrijke houtgravures uit dit fonds dezelfde hand verraden als de blokken van Klyn Duymken. Eén van deze gravures, herdrukt als nr. 6 van de reeks Brepols, is gewijd aan Het Huis van Oostenrijk, met deszelfs bijzonderste Krijgshelden, en bewijst dat het fonds Le Tellier tot stand kwam tijdens het Oostenrijks bewind.
Het fonds van Le Tellier was betrekkelijk omvangrijk en de blokken van de prenten uit dit fonds werden in de 19e eeuw aangekocht door P.J. Brepols, om als basis te dienen voor zijn reeks profane prenten.
E. van Heurck rekent ook nog de uitgaven van J.N. Vinck tot de produktie van de 18e eeuw 3. Franciscus Ignatius Vinck, de vader van J.N. Vinck, was werkzaam tot 1798, de oudst gedateerde uitgave van Joannes Norbertus Vinck vermeldt echter het jaartal 1800 4. Het is natuurlijk niet uitgesloten dat de prenten van J.N. Vinck, herdrukken zouden zijn van verloren gegane uitgaven van Franciscus Ignatius. De uitgaven van J.N. Vinck behoren tot de 19e eeuw.
De 18e eeuw is de gouden eeuw van de volks- en kinderprent in Nederland. Het is ook de eeuw van de definitieve overgang van de volksprent naar de kinderprent.
Dierenprenten, waarvan sommige als abc-prenten fungeerden, taferelen met kinderspelen, waarvan de oudste teruggaan tot de tweede helft van de 17e eeuw, waren ongetwijfeld geschikte onderwerpen voor de jeugd. Maar ook boertige taferelen en grove kluchten waarin het erotische element niet ontbrak, werden opgedragen aan de „jonge jeugd", aan „de kinders reyn". De erven van de wed. G. de Groot bieden aan de jeugd een geschiedenis aan van Klaas en Griet onder de volgende titel : Kind're hiergy voor uw siet 't Leven van ons Klaas en Griet. Het onderschrift van het eerste tafereel luidt : „Klaas heeft liefde tot zijn Grietje / Voelt haer by haer Borstjes bloot". De geschiedenis van Jan van Spanje wordt aangeboden onder de titel Hier is al weer wat nieus voor u kinders in dese Prent | Van Jan van Spanje en Trijn Salie is 't heel pertinent. En heel pertinent wordt verteld hoe Jan verkleed

____________________________________
1 Ibid-, II, blz. 673. —2 Van Heurck vermeldt ook nog een dierenprent van Le Tellier (nr. 1), I.P.P.B., blz. 157. Het is ons met bekend waar deze prent thans te vinden is. — 3 Van Heurck en Boekenoogen, I.P.P.B., blz. 126. — 4 Zie Inleiding tot J.N. Vinck.

p. 43

als monnik het baggijntje gaat „vertroosten" in het klooster terwijl Trijn zich vermaakt met een „oude grijs", maar het „happy end" luidt : „Hier gaat Jan nu met sijn Trijntje / In het Bed agter 't Gordijntje". Er zijn tientallen dergelijke voorbeelden aan te halen. In de inleidingen tot de verschillende fondsen en in de iconografische aantekeningen zullen gelijkaardige taferelen nog ter sprake komen.
Opvattingen over kinderlectuur zoals hier tot uiting komen, kunnen we in onze tijd moeilijk nog begrijpen. We moeten er echter rekening mee houden, dat een paar eeuwen terug geheel andere inzichten bestonden over wat behoorlijk of onbehoorlijk was. Alles wat het seksuele leven betrof, werd veel opener en vrijer besproken, ook tegenover de jeugd. Volks- en kinderprenten maken op dit gebied geen uitzondering. Wat geldt voor de prenten, geldt ook voor de volks- en kinderboeken, voor de liederen, en zelfs voor de schoolboekjes uit die tijd.
Het is pas op het eind van de 18e eeuw, dat de opvattingen over geschikte kinderlectuur geleidelijk veranderen. Veel invloed op dit gebied is uitgegaan van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Deze maatschappij, gesticht in 1784, propageerde de nieuwe denkbeelden betreffende de esthetische en maatschappelijke opvoeding van het volk. Haar belangstelling ging van meet af aan naar de opvoeding van de jeugd. Haar optreden in het begin van de volgende eeuw was van grote betekenis voor de verdere evolutie van de kinderprenten.


p. 44

19e EN 20e EEUW

A. NEDERLAND
DE Maatschappij tot Nut van het Algemeen, rekening houdend met de grote invloed welke uitging van de kinderprenten op de vorming van de jeugd, trachtte haar opvoedkundige denkbeelden ook op dit terrein rechtstreeks te doen doordringen. Zij wist in de eerste jaren van de vorige eeuw een paar van de meest belangrijke uitgevers van kinderprenten te overhalen om een reeks prenten uit te geven onder haar toezicht en volgens haar opvoedkundige opvattingen.
De erven van de wed. C. Stichter waren de eersten die een reeks prenten inzetten voorzien van het zegel van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Deze reeks begon met de letter A, en kwam na het verschijnen van de letter F in het bezit van de firma Noman te Zaltbommel, welke er nog een zestal prenten aan toevoegde.
J. Bouwer en de wed. J. Ratelband te Amsterdam hebben een gelijkaardige reeks uitgegeven van vijfentwintig prenten gemerkt van A tot Z (zonder de letter J). Hun opvolgers hebben deze reeks herhaaldelijk herdrukt, en David Ie Jolle heeft er nog drie prenten aan toegevoegd, gemerkt AA, BB, CC. De blokken van deze prenten zijn omstreeks 1818 in het bezit gekomen van de firma H. van Munster en Zoon, welke deze reeks nog aangevuld heeft met twee prenten gemerkt DD en EE, en verder een paar prenten uit de oude reeks (A en B) vervangen heeft door nieuwe x. Omstreeks het midden van de vorige eeuw zal de activiteit van H. van Munster en Zoon op het gebied van de kinderprenten vermoedelijk zeer verzwakt of geheel stilgevallen zijn, want in 1853 looft de Maatschappij tot Nut van het Algemeen een premie van 300 gulden uit voor de beste verzameling van op eigen drukkerij vervaardigde „kinder- of schoolprenten". Het was A.W. Sijthoffdie de premie ontving. Zijn „Nuts-prenten" kenden een groot succes. Dit belette niet dat de Maatschappij tot Nut van het Algemeen weigerde haar steun te verlenen aan een nieuwe reeks kinderprenten door dezelfde A.W. SijthorTontworpen 2. Dit was de laatste bemoeienis van het „Nut" op het gebied van kinderprenten. Maar de indirecte invloed van deze instelling is verstrekkend geweest. Bij het uitloven van haar premie in 1853 spreekt de Maatschappij van „kinder- of schoolprenten". Door haar tussenkomst had zij de kinderprent aangepast aan de opvoedkundige opvattingen van die tijd en had zij haar de deur geopend van het schoolgebouw. Deze vormende en stichtelijke prenten waren een ideaal en goedkoop geschenk om de voorbeeldige en ijverige leerlingen te belonen. Dit betekende nieuwe afzetmogelijkheden voor drukkers en uitgevers. Zonder rechtstreekse steun van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen begon de firma D. Broedelet en C° te Purmerend in 1839 met de uitgave van een „Prcnten-Magazijn voor de Jeugd". De firma Broedelet en haar opvolgers J. Schuitemaker, eveneens te Purmerend, en D. Noothoven van Goor te Leiden, hebben de schoolprent tot een fabrieks-artikel gemaakt 3. Dit was later ook het geval met de bijbelprentcn van H. de Hoogh & C° en J.

_________________________________
1 Zie inleiding catalogus Van Munster. — 2 Een veertigjarige tiitgeversloopbaan. — A.W. Sijthoff te Leiden, 1851-1891, door Een Vriendenhand (R. van der Meulen), Leiden, 1891, blz. 33-34. — 3 Zie inleiding Broedelet.

p. 46

Vlieger te Amsterdam 1 en met de „Zalsmansprenten" uit Kampen 2 en nu in deze eeuw nog, met „Callenbach's Zondagsschoolplaten" 3. Al deze schoolprenten waren niets anders dan geïllustreerde schoollesjes. Van het traditioneel karakter van de oude volks- en kinderprenten zijn hier haast geen sporen meer overgebleven. Het zijn industriële produkten welke geen verwantschap vertonen met de naïeve maar expressieve volkskunst.
Deze jongste prenten interesseren ons niet op zich zelf maar ze illustreren de indirecte invloed van het „Nut", een invloed die zich ook deed gelden, samen met de gewijzigde levensopvattingen, op de produktie van de gewone traditionele volks- en kinderprenten. Prenten met onwelvoegelijke voorstellingen werden niet herdrukt, onderschriften met triviale uitdrukkingen werden vervangen door nette versjes, die beter geschikt waren voor kinderoren. De oude volksprenten werden tot geschikte kinderprenten gemaakt. Vooral in de keuze van de nieuwe onderwerpen kwam deze strekking tot uiting.
Echte kinderverhalen werden verwerkt tot prenten : de sprookjes van Moeder de Gans, de geschiedenis van Robinson, van Willem Teil, van Gulliver, van Whittington en zijn kat, van Paul en Virginie. De volks- en kinderprent is in hoofdzaak beeldverhaal geworden.
Amsterdam verliest geleidelijk zijn betekenis als belangrijkste centrum van de produktie van kinderprenten. C.C.L. van Staden vestigde zich in het huis waar de erven van de weduwe Stichter gedurende vele tientallen jaren werkzaam waren geweest, maar het fonds van Stichter, waarin zoveel oude blokken van De Groot en van Kannewet bewaard waren, was overgegaan op J. Noman te Zalt-bommel, die het grootste Nederlandse fonds van kinderprenten tot stand bracht.
De rechtstreekse voorganger van J. Noman, W.G. van de Sande, is slechts enkele jaren (1806-14) werkzaam geweest te Amsterdam.

____________________________________________________
1 De firma H. de Hoogh & C° op de Nieuwendijk L 76 te Amsterdam is werkzaam geweest van 1853 tot omstreeks 1869.
Deze firma heeft drie reeksen bijbelprentcn tutgegeven : i° Bijbelsche Geschiedenissen uit het Oude Testament; 20 Bijbelsche
Geschiedenissen uit het Nieuwe Testament; 30 Bijbelsche Aardrijkskunde. De prenten van de eerste twee reeksen bevatten
steeds vier afbeeldingen, keurig omlijst. De prenten van de reeks Bijbelse Aardrijkskunde bevatten 9 platen. Elk van deze
prenten vormt een stichtende les in de Bijbelse Geschiedenis. Naast deze bijbclprenten zijn er in de collectie Waller nog
vier andere kinderprenten aanwezig, met elk zes platen met allerlei taferelen meestal uit het kinderleven. Een tiental van
deze uitgaven van H. de Hoogh & C° bevinden zich ook in het stedelijk museum „Het Catharina Gasthuis" te Gouda.
Het prentenfonds van H. de Hoogh & C° is in 1869 overgegaan naar J. Vlieger te Amsterdam, die bij zijn firmanaam
vermeldt „specialiteit in prenten en prentenboeken". —J. Vlieger heeft het fonds merkelijk uitgebreid. De meest vol
ledige verzameling op naam van J. Vlieger berust in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem. In het fonds Vlieger
komen onder de titel : Bijbelsche Geschiedenissen uit het Oude Testament, twee reeksen voor, de eerste genummerd van
1 tot 12, de tweede genummerd van 1 tot 16; verder een reeks : Bijbelsche Geschiedenissen uit het Nieuwe Testament,
genummerd van 1 tot 27 en acht prenten : Bijbelsche Aardrijkskunde. Naast deze religieuze prenten beeft Vlieger ook
enkele profane prenten uitgegeven onder de titel : Taferelen uit de Heidenwereld; deels genummerd van 1 tot 22, deels ongenummerd. In deze reeks zijn ook de profane prenten van De Hoogh opgenomen. Deze profane prenten zijn eveneens bedoeld als onderricht van de jeugd.
— 2 Op 1 december 1857 was G.Pli. Zalsmans een boekhandel begonnen te Kampen, welke zaak later werd uitgebreid met een drukkerij en uitgeverij (Bibl. Vereemging, Personalia). Ongeveer gelijktijdig met de firma H. de Hoogh & C° te Amsterdam is Zalsmans begonnen met het uitgeven van stichtende en leerzame prenten. Deze werden achtereenvolgens geredigeerd door J.P. Schaberg (nrs. 1-42), door E.J. Vcenendaal (nrs. 43-70) en door I. Koolsberuen (nrs. 71-75). Deze schoolprenten vertonen veel overeenkomst met deze van Broedelet en Schuitemaker. Achtenveertig van deze prenten zijn bijbelprcnten, de overige behandelen leerzame onderwerpen of geven zedelijke verhalen. Wij kunnen ons goed voorstellen dat deze prenten in de ogen van de schoolmeesters ideale prijzen waren voor de leerzame jeugd. De „Zalsmansprenten" zijn, op een paar uitzonderingen na, aanwezig in de collectie Waller Y. — 3 De firma Callenbach is de laatste in de rij van de uitgevers van kinderprenten. Zij was werkzaam op dit gebied in het eerste kwart van deze eeuw. „Callenbach's Zondagsschoolplaten" sluiten rechtstreeks aan bij de bijbelprenten van De Hoogh en Vlieger. Twee reeksen, van elk zes bijbelprenten zijn uitgevoerd in steendruk. De volgende uitgave werd uitgevoerd in au-totypie, de meeste van deze prenten zijn gesigneerd: V.W.E. Later verscheen een derde uitgave waarvan sommige prenten gemerkt waren: eerste en tweede serie, en waarvan de meeste gesigneerd waren : A. Rünckel. Naast deze bijbelprenten had Callenbach ook „Zondagsschoolprenten" met profane onderwerpen, historische of moraliserende. Tenslotte heeft de firma Callenbach een twaalftal prenten uitgegeven in vierkleurendruk, deels met religieuze, deels met profane onderwerpen. De gekleurde bijbelprenten zijn gesigneerd Wilm Steelink of A. Rünckel en de profane prenten J. Geerling (collectie M. d. M.).


p. 47

Zoals wij hoger zagen, werd het 18e-eeuws bedrijf van Ratelband en Bouwer te Amsterdam, in het begin van de 19e eeuw, voortgezet door D. le Jolle en later gedeeltelijk door H. van Munster en Zoon, maar de belangstelling van deze laatste firma voor de uitgave van kinderprenten was zeer beperkt.
Het belangrijkste Amsterdamse fonds uit de eerste helft van de 19e eeuw was dat van de erven H. Rynders. Hun activiteit op het gebied van de kinderprent was zeer verscheiden. Naast enkele nieuwe prenten, als de sprookjes van Moeder de Gans, vinden we hier 19e-eeuwse herdrukken van houtsneden uit de 16e, 17e en de 18e eeuw. Ook als wederverkopers van prenten van andere uitgevers, gedrukt op haar firmanaam, was de firma Rynders zeer actief. Zo vinden we in verschillende Nederlandse verzamelingen Belgische prenten, uitgaven van de firma Brepols te Turnhout, gedrukt op naam van de erven H. Rynders.
In Amsterdam was ook werkzaam de firma Wendel, waarvan de houtblokken later werden overgenomen door de weduwe Kok-Van Kolm.
Terwijl de activiteit op het gebied van de kinderprent in Amsterdam haar hoogtepunt gekend had in de 18e eeuw, kwam het uitgeven van kinderprenten in Rotterdam in de eerste helft van de 19e eeuw tot volle bloei.
De bedrijven van Hendriksen Jr. en Ulrich, van T.J. Wijnhoven-Hendriksen en van J.B. Ulrich zijn alle rechtstreeks of onrechtstreeks verwant met dat van Jan Hendriksen, gesticht in 1781. Het bedrijf Thompson was gesticht in Rotterdam in het jaar 1791 en telde achtereenvolgens vijf verschillende firmanten *. De kinderprenten van het huis Thompson vormden een van de belangrijkste fondsen van het begin van de 19e eeuw. T.C. Hoffers te Rotterdam liet tussen de jaren 1820-1837 een reeks kinderprenten verschijnen, die nieuw voor hen waren gegraveerd, in hoofdzaak door de houtsnijder Jacob Christiaan Schuyling. Niet zonder belang was ook de bedrijvigheid van de Rotterdamse firma's Scheffers, Ryke, Masier en van de lithografen Mensing & Van Westrenen en Roosing.
In de 19e eeuw werden in verschillende Nederlandse steden kinderprenten uitgegeven. Maar behalve te Zaltbommel, waar J. Noman en te Deventer waar J.H. de Lange en zijn zoon J. de Lange (junior) werkten, was in de steden buiten Amsterdam en Rotterdam de activiteit op het gebied van de kinderprenten van minder belang. Dit vooral wat de kwantiteit betreft, want uit kleine fondsen als die van Du Mortier te Leiden, De Vos te Dordrecht, Clement en de Vri te Zwolle, Wansleven te Zutphen, zijn zeer merkwaardige prenten bewaard. Een bijzondere vermelding verdient Breda met vier uitgevers van kinderprenten : W. van Bergen, W.G. van de Sande, F.B. Hollingerus Pypers en P.R. Broese. Met Noorduyn en Van der Wal te Gorinchem, Lutkie en Cranenburg te 's Hertogenbosch, Smallen-burg te Sneek en Bontamps te Venlo kan de lijst van Nederlandse uitgevers van traditionele kinderprenten besloten worden.
Omstreeks het midden van de vorige eeuw beginnen dan reeksen te verschijnen, welke wij als „industrieel" betiteld hebben. Hiervan hebben wij reeds vermeld de produkten van de „prentenfa-fabrieken" Schuitemaker te Purmerend en Noothoven van Goor te Leiden. Tot deze produkten rekenen we ook de kinderprenten van J.M. Bredée te Rotterdam 2, de prenten in steendruk van Van Hoogstraten te 's Gravenhage 3 en van D.K. Muller te Arnhem 4, de „sneldruk'-produkten van WJ

____________________________
1 Zie inleiding catalogus Thompson. — 2 De reeks „Bredée's Kinderprenten", gedrukt bij H.A.M. Roelants te Schiedam, omvatte twaalf nummers (collectie Waller, portef. 1). Elke prent geeft een samenraapsel van onsamenhangende reproduk-de'l van lijncliché's en autotypieën. — 3 Omstreeks 1860 verscheen ter steendrukkerij H.L. van Hoogstraten een reeks van vijf prenten getiteld : „Vaderlandsche Historieplaten". Elke prent bestaat uit een middenstuk, omringd door acht kleinere .it beeldingen. Bij dezelfde uitgever verschenen ook een twintigtal delen van een Kinder-Courant, waarin als bijlage een punt ingelegd was. Deze prenten kunnen nog als late uitlopers worden aanzien van de traditionele kinderprenten (collectie (iiicma). — 4 D.K. Muller te Arnhem heeft enkele tientallen lithografische prenten uitgegeven met landelijke taferelen, militairen en allerlei personages, acht hiervan, waarvan een het nummer 59 draagt, zijn bewaard in de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.

p. 49

Kat te Haarlem1, „Louwerse's Kinderprenten" en „Abramsz' gekleurde Prenten", achtereenvolgens uitgegeven door J. Ykema te 's Gravenhage, Scliillemans en van Belkum te Zutphen en P. van Belkum te Velp 2, de prenten van Bremer 3 en de eigen uitgaven van de erven Wijsmuller te Amsterdam 4, de prenten van A.W. Sijthoff te Leiden en vooral de chromolitho's van G.L. Funke te Amsterdam 5, I. de Haan te Haarlem, A.W. Segboer te Delft en te 's Gravenhage 6, M.H. van Dorp te Haarlem, H. van der Moolen te Gelderen en „Meijers's Prenten" te Amsterdam 7.
________________________________
1 Op naam : Sneldruk van W.J. Kat te Haarlem, verschenen 10 prenten. Op elke prent zijn negen tot tien houtblokken afgedrukt van verschillend formaat, zonder samenhang en zonder onderschriften (collectie N.O.M., Waller 5).

 

2 Joh. Ykema had als leerling gewerkt bij G.Ph. Zalsmans te Kampen (Bibl. Vereen. Personalia), hij vestigde zich in 1872 als boekhandelaar te 's Gravenhage. Onder de titel „Louwerse's Kinderprenten" heeft hij drie reeksen van elk vierentwintig prenten uitgegeven, gedrukt bij GJ. Thieme te Arnhem. Op elke prent vindt men een tiental, soms ook meer, afbeeldingen van allerlei aard met min of meer aangepaste versjes. Deze prenten zijn gedrukt met illustratiemateriaal dat reeds gediend had voor een of ander periodiek of voor verschillende boekjes. Vierenvijftig van deze prenten bevinden zich in de collectie Waller K., een tiental in de Prov. Bibl. te Leeuwarden. — De uitgave van „Louwerse's Kinderprenten" werd voortgezet door de firma Scliillemans en Van Belkum te Zutphen, welke een vierde reeks van vierentwintig prenten het verschijnen.
Ook een exemplaar van deze reeks berust in de collectie Waller. — Van de vijfde reeks van Louwerse’s Kinderprenten hebben we geen exemplaren gevonden. Een zesde reeks is kort na 1900 verschenen bij P. van Belkum Az., te Velp., onder de titel „A. Louwerse, Prenten 6e serie door S. Abramsz". De nummers 1 tot 10 van deze reeks bevinden zich in de Prov. Bibl. te Leeuwarden. Deze prenten zijn geheel van dezelfde aard als deze van de eerste reeksen; ze zijn gedrukt in één kleur, maar afwisselend bruin, blauw of zwart. De gedichtjes zullen vermoedelijk geschreven zijn door de heer S. Abramsz. — Na verschijnen van de zesde reeks „Louwerse's Kinderprenten" zal de uitgever van oordeel geweest zijn dat het niet meer
nodig was de naam Louwerse nog langer aan te houden, en hij laat een nieuwe reeks van vierentwintig prenten verschijnen onder de titel „Van Belkum'S gekleurde prenten door S. Abramsz". Acht van deze prenten, alsmede elf van een volgende reeks getiteld „Abramsz Gekleurde Prenten, z' serie", bevinden zich in de Prov. Bibl. te Leeuwarden. Evenals op Louwerse's prenten, hebben we hier reproduktics van allerlei taferelen, met naast of onder de plaatjes gedichtjes van de heer Abramsz. Het enig nieuwe aan deze laatste twee reeksen is dat de prenten wat opgefleurd zijn door een paar kleurtjes, rood en blauw of rood en groen.

3 Onder de titel „Bremer's Prentenboek met bijschriften van J. Witmond", verschenen
omstreeks 1870 enkele prenten waarvan de platen zo geschikt waren, dat de prent vier maal gevouwen een soort boekje
vormde, waarvan de bladen aan een zijde bedrukt waren. Deze prenten hadden ook een uitgesproken didactische strekking.
De ons bekende titels luiden : 3. Een oude leesles. 4. Kindervermaken. 5. Allerlei. 6. De landman. 7. De koe. 8. Oranje
boven! 9. Merkwaardige gebouwen. 10. Afrika (coll. Waller).

— 4 De firma Erve Wijsmuller te Amsterdam welke ge
durende de vorige eeuw werkzaam geweest is als een van de belangrijkste wederverkopers van kinderprenten, heeft om
streeks het midden van de 19e eeuw, op het adres Huidestraat 16, een reeks van achtentwintig prenten uitgegeven. Elk
van deze prenten is een samenraapsel van zes tot vierenveertig afdrukken van verschillende houtblokken en lijnclichcs,
zonder onderling verband. De reprodukties zijn voorzien van een onderschrift, soms maar één enkel woord, soms een
rijmpje (Collectie Waller, 10, behalve nr. 8, dit nummer in coll. v. Kuyk.). —

5 Alhoewel geheel verindustrialiseerd,
waren de prenten welke de uitgever G.L. Funke, in het begin der zestiger jaren, onder de titel „Nieuwe Nederlandsche
Kinderprenten" in de handel bracht, heel wat frisser en kinderlijker dan de prenten van de meeste van zijn tijdgenoten
en onmiddellijke voorgangers. De prenten waren uitgevoerd door de steendrukkerij Emrik en Binger te Haarlem; eerst
in zwart, later in kleur. Geïnspireerd door de Duitse chromolithografieën, hadden de meeste van deze prenten toch een
eigen Hollands karakter. In de honderd en veertien prenten verschenen op naam van G.L. Funke, vindt men een zeer
grote verscheidenheid van onderwerpen, bewerkt volgens de smaak en de beschaafde stijl van de tijd : dieren, ambach
ten, soldaten, Sint-Nicolaas, Jan Klaassen, Jan de Wasser, kinderspelen, bijbelverhalen, en de bekende verhalen van Klein
Duimpje, Assepoester enz. Daarnaast treffen wij nieuwe onderwerpen aan : kinderlijke verhaaltjes als „De muis en de
poes", oude baker- en kinderrijmpjes leuk geïllustreerd, natuurlijk ook zedenlessen als „Liefde tot de naaste". Al deze
prenten zijn knap getekend en met veel zorg gedrukt. — • I. de Haan te Haarlem, heeft omstreeks 1880 de reeks „Nieuwe
Nederlandsche Kinderprenten" overgenomen van Funke. Hij heeft deze reeks herdrukt en geheel in dezelfde geest en
dezelfde stijl uitgebreid tot het nr. 147. — Het prentenfonds van I. de Haan werd in 1901 overgenomen door A.W.
Segboer te 's Gravenhage die, voor zover wij konden nagaan, de reeks „Nieuwe Nederlandsche Kinderprenten" nog uit
gebreid heeft tot nr. 188. De nieuwe prenten van Segboer liggen geheel in dezelfde lijn als deze van Funke en De Haan. —
Een quasi volledige verzameling van de „Nieuwe Nederlandsche Kinderprenten", hetzij in originele uitgave van Funke,
hetzij in de herdrukken van De Haan of Segboer, bevindt zich in de collectie Waller, portefeuille F. De ontbrekende
plaat nr. 49 kan men vinden in de verzameling van de Afdeling Volkskunde van de Koninkl. Acad. van Wetenschappen
te Amsterdam. De verzameling „Nieuwe Nederlandsche Kinderprenten" van de collectie Waller gaat van nr. 1 tot 179.
In de collectie Kossmann te Rotterdam bevinden zich de nrs. 182 tot 188. — ' H.M. van Dorp te Haarlem is omstreeks
1875 begonnen met de uitgave van een reeks „Nieuwe Kinderprenten", welke aansluit bij de „Nieuwe Nederlandsche Kinderprenten" van Funke. Deze „Nieuwe Kinderprenten" werden gedrukt door de steendrukkerij L. van Leer & C° te Haarlem. Nadat H.M. van Dorp achtenveertig prenten had laten verschijnen is deze reeks overgegaan naar het fonds van H. van der Moolen, gevestigd te Geldern in Duitsland. H. van der Moolen was wederverkoper van de Duitse prenten met Nederlandse tekst, uitgegeven door C. Wolf-Zoon en door K. Braun en F. Schneider te München. Hij heeft slechts twaalf prenten toegevoegd aan de reeks van Van Dorp, de nrs. 49 tot 60. Hij heeft zijn prenten uitgegeven in kleurendruk maar ook in zwartdruk. Wij weten niet welk jaar de „Nieuwe Kinderprenten" opgenomen werden in de reeks „Meyers's Prenten", maar naar alle waarschijnlijkheid was met de uitgave van „Meyers's Prenten" reeds begonnen vóór deze overname had plaats gevonden, want de eerste druk van de eerste vier nummers van „Meyers's Prenten" is uitgevoerd in een meer korrelig, een ouder steendrukproccdé dan dit van de „Nieuwe Kinderprenten". De herdrukken van deze eerste nummers alsmede al de overige series en nummers van „Meyers's Kinderprenten" hebben dezelfde uitvoering als de „Nieuwe Kinderprenten". Op de prenten van deze reeks wordt de firmanaam van de drukkerij niet meer vermeld. Meyer heeft de prenten van Van Dorp en van Van der Moolen niet herdrukt met hun origineel nummer. Er zijn vooreerst vier series van elk vierentwintig prenten, doorlopend genummerd van 1 tot 96; maar bij de herdrukken werden niet altijd dezelfde nummers bewaard, zodat wij voor de meeste nummers van de eerste series, telkens twee verschillende prenten hebben met hetzelfde nummer. Daarbij komt nog dat er uitgaven bestaan van „Meijers's Prenten" zonder de indeling in serie en met weer andere volgnummers, zodat men soms drie en zelfs vier verschillende prenten vindt met hetzelfde volgnummer. De reeksen „Meijers's Prenten" omvatten in totaal ongeveer honderd vijftig verschillende prenten, vele daarvan zijn ook verschenen zonder firmanaam. Niet enkel door de uitvoering maar vooral door de keus van de onderwerpen wijken deze prenten meer en meer af van de oude traditionele kinderprenten. (Collectie Waller.)


p. 49

Deze lithografische produktie stond sterk onder de invloed van Duitse prenten. Zij was grotendeels ontstaan uit concurrentie met de Duitse uitgevers, die, ter verovering van de Nederlandse markt begonnen waren ook Nederlandse uitgaven te drukken van hun prenten. Onder de titel „Münchener platen" brachten K. Braun en F. Schneider een Nederlandse uitgave van tweeënzeventig van hun „Münchener Bilderbogen" op de markt. Deze reeks werd later voortgezet door H. van der Moolen te Gelderl. Ook Oehmigke en Riemscheider 2 te Neu-Ruppin, en Aloïs Dessauer te Aschaffenburg en
0 Burckhard te Weissenburg 3 hadden elk een reeks Nederlandse prenten op de markt gebracht.
Weer anderen, zoals Aleiter und Zeitunger, J. Scholz te Mainz 4 F.G. Schulz te Stuttgart5, brachten
prenten met onderschriften in twee of meer talen waaronder het Nederlands.
Kort na de Duitsers kwamen ook Franse uitgevers met Nederlandse uitgaven van hun prenten voor de dag. Op naam van de wederverkoper A. Jacobs te Amsterdam verscheen een reeks van meerdere honderdtallen „Nederlandsche Kinderprenten" uitgegeven door Gangel en Didion te Metz 6. Bij dezelfde uitgever waren ook prenten verschenen met tweetalige teksten, Frans en Nederlands, zonder naam of adres. Op naam van J.H. van Wees jr. te Utrecht verscheen een reeks „Nieuwe Hollandsche Kinderprenten", uitgegeven door Charles en Olivier Pinot te Epinal, die meer dan

____________________________________________________
1 K. Braun en F. Schneider, Münchener Platen, snelpersdruk van CR. Schurich te München. Een reeks van tweeën
zeventig kinderprenten (coll. Waller B) in steendruk, zwart en gekleurd, met eentalige Nederlandse teksten. Een herdruk
van deze reeks, uitgegeven door H. van der Moolen te Geldern (zie aldaar), werd verzorgd door de Koninkl. Hof- en
Universiteits-Boekdrukkerij van Dr. G. Wolf en Zoon te München. —
2 Vijftig platen in de collectie Waller 12 genummerd van 30 tot 126. —
3 C. Burckhardt en C. Burckhardt's Nachfolger te Weissenburg, een reeks genummerd van 1 tot 100 en een andere genummerd van 1000 tot ± 1028, steendruk, zwart en kleuren. Van de eerste reeks zijn de prenten 29, 49. 55. 56, 61, en van 69 tot 100 voorradig in de collectie Waller, portefeuille B; in dezelfde collectie bevinden zich de nummers 1000 tot 1028 van de tweede reeks. — Aloys Dessauer (Steindruckerey) te Aschaffenburg, litho's, ± vijftien
prenten. Een ex. nr. 15 getiteld „Allerleij" bevindt zich in de collectie van de Afdeling Volkskunde van de Kon. Nederl.
Academie van Wetenschappen te Amsterdam. —
4 Aleiter und Zeitunger te Mainz, chromolitho's, tweetalig : Duits-Nederlands. Nr. 84, dieren (collectie Waller ii). —Joz. Scholz te Mainz, heeft omstreeks 1840 verschillende reeksen zeer knap getekende en met veel zorg gedrukte kinderprenten uitgegeven in steendruk, zwart en gekleurd. Een prachtige reeks
nprenten, genummerd van 25 tot 54, 177 en 181, en een reeks ongenummerde prenten met voorstellingen van ambachten en bedrijven, hebben onderschriften in vijftalen : Duits, Frans, Engels, Nederlands en Italiaans. Scholz heeft ook vier verschillende reeksen van tweetalige alfabetprenten uitgegeven, onder de titel „Bilder ABC Buch-Prenten AB Boek", elke prent geeft vier letters. De hier besproken prenten van Scholz zijn te vinden in de collectie Waller. —
5 Fried G. Schulz in Stuttgart heeft een reeks litho's met onderschriften in vier talen : Engels, Duits, Nederlands en Frans. In de collectie Waller bevinden zich exemplaren genummerd van 9 tot 104. Het nummer 104 geeft afbeeldingen van de personages van ,,Die Räuber van Schiller. —
6 „Nederlandsche Kinderprenten" op naam van de wederverkoper A.Jacobs te Amster-il uu, j sy> prenten. Ook met tweetalige teksten, Nederlands en Frans, zonder naam van uitgever. (Collectie Waller 11.)

p. 50

vijfhonderd nummers omvat 1. Ook de firma's Vagné et Fils te Pont a Mousson en Marcel Vagné te Jarville-Nancy hebben prenten met Nederlandse teksten uitgegeven 2. De voornaamste Franse uitgeverij van kinderprenten, het huis Pellerin te Epinal, is na 1890 3 eveneens begonnen met een reeks prenten met Nederlandstalige teksten, onder de titel „Prentjesdruk van Epinal". Tenslotte heeft ook de „Imagerie Artistique" Quantin te Parijs 4, een driehonderd prenten met Nederlandse teksten in de handel gebracht. Deze prenten van Pellerin en Quantin waren in Nederland niet onbekend, doch ze waren vooral populair in Vlaams-België.
Wat hun uitvoering betreft, staan deze prenten ver verwijderd van de oude ambachtskunst. Sommige behandelen oude traditionele thema's, de verkeerde wereld, de geschiedenis van Genoveva, van Tijl Uilenspiegel enz. Maar de overgrote meerderheid van deze nieuwe prenten geven vrij banale verhaaltjes, en hebben naar onze mening niet voldoende belang om stuk voor stuk te worden gecatalogiseerd.


B. BELGIË

DE 18e eeuw was de glorietijd van de volks- en kinderprent in Nederland. In de 19e eeuw, en vooral in de eerste helft van deze eeuw kenden de Vlaamse volks- en kinderprenten hun hoogste bloei.
In België kunnen we een duidelijk onderscheid maken tussen volksprenten en kinderprenten. De prenten die in de godsdienstige reeksen van de Belgische uitgevers verschenen, zijn in de regel te beschouwen als volksprenten, de niet-godsdienstige prenten zijn op een paar uitzonderingen na kinderprenten.
De huizen Vinck te Antwerpen en J.H. Le Tellier te Lier hebben de overgang meegemaakt van de 18e naar de 19e eeuw. De drie prenten bewaard uit het fonds Vinck zijn op naam van J.N. Vinck of van diens weduwe en dateren uit de 19e eeuw. Zoals wij in de inleiding tot de catalogus Brepois zullen aantonen, is net begin van de activiteit van PJ. Brepois op het gebied van de volks- en kinder-

________________________________
1 Charles Pinot was de voornaamste en ook meest beroemde tekenaar van het huis Pellerin. In 1860 vestigde hij zich als zelfstandig uitgever van kinderprenten. (Zie R. Perrout, Les images d'Epinal, Parijs, z. d., blz. 118). Met J.H. van Wees jr. te Utrecht heeft Charles Pinot een overeenkomst getroffen voor de exploitatie van zijn prenten in Nederland. Een reeks Franse chromolitho's met Nederlandse teksten werd in de handel gebracht onder de titel „Nieuwe Hollandsche Kinderprenten". De eerste nummers waren gedrukt op naam van Pinot en Van Wees, de latere nummers en de herdrukken, welke zeer talrijk geweest zijn, verschenen uitsluitend op naam van Van Wees. De prenten op naam van Van Wees zijn niet genummerd. Wij schatten de verschillende titels op een veertigtal; tweeëndertig titels zijn voorhanden in de Atlas van Stolk. Vermoedelijk is er kort na de dood van Charles Pinot een eind gekomen aan de samenwerking tussen hem en Van Wees. — Olivier Pinot heeft onder de naam „Nouvelle Imagerie d'Epinal — Imprimerie Lithographie Olivier Pinot, éditeur a Epinal" deze Nederlandse reeks voortgezet. Het hoogste nummer dat wij kennen in deze reeks is 596, en dit nummer geeft het verhaal van Tijl Uilenspiegel. Aan deze activiteit kwam een eind in 1888. In dit jaar werd de onderneming van Pinot overgenomen door Pellerin. — ¦ Een reeks met Nederlandse teksten verscheen onder de titel : „Prentjes van Vagné en Zonen". Een tweetalige reeks „Devinettes-Raadsels" verscheen zonder vermelding van firmanaam, (nrs. 1-20, collectie M.d.M., nr. 43 coll. Waller). Bij Marcel Vagné te Jarville-Nancy verscheen een reeks „Tooversprookjes" (nrs. 19-22, coll. Folkl. Mus. Gent). — s Over het huis Pellerin raadplege men J.M. Dumont, La vie et l'oeuvre de Jean-Charles Pellerin, Epinal, 1957. Een Nederlandstalige prijscourant van de „Prentjesdruk van Epinal, Pellerin & C°, druk-uitg." van het jaar 1902 vermeldt 132 titels van hun Nederlandse reeks. — 4 Het huis Quantin te Parijs heeft omstreeks het einde van de vorige eeuw een vrij grote activiteit aan de dag gelegd. Onder haar firmanaam zijn een twintigtal reeksen Franse kinderprenten verschenen van ieder twintig prenten. — Minstens zestien van deze reeksen, dus driehonderd twintig prenten, zijn ook verschenen met Nederlandse teksten (coll. M.d.M.). Deze chromolitho's zijn over het algemeen losser van tekening en zachter van kleur dan de Epinal-produktie van de firma's Pinot en Pellerin; ook werd voor deze prenten meer aandacht besteed aan de leerzame en opvoedkundige strekking van de verhaaltjes.

p. 51

prenten te situeren omstreeks het jaar 1815. De eerste vijftien jaren van deze activiteit vallen samen met de periode van het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden (1815-183o). Deze periode heeft haar stempel gezet op het oudste fonds van Brepois. Getuigenissen hiervan zijn prenten ter verheerlijking van de dapperheid van Willem Frederik, kroonprins der Nederlanden (nr. 14), ter ere van Koning Willem I en zijn militaire staf (nr. 33), prenten gewijd aan het Nederlandse leger : de koninklijke grenadiers (nr. 30), de Schutterij der Nederlanden (nr. 64), de troepen der Nederlanden (nr. 73).
Met de oprichting van twee andere Turnhoutse fondsen, dat van Glenisson en Van Genechten, en dat van Wellens en Delhuvenne, werd pas na de stichting van het koninkrijk België een aanvang gemaakt, respectievelijk in 1833 en 1834. Alhoewel de machinale papierfabricage dateert van het begin van de 19e eeuw, zou pas in de veertiger jaren machinaal papier voor de volks- en kinderprenten gebruikt worden.
Van 1843 af kwam er bij de fabricage van goedkoop papier ook houtslijp te pas. Maar pas in de tweede helft van de 19e eeuw werd het houthoudend papier algemeen gebruikt voor het drukken van de prenten.
De meeste prenten uit de eerste helft van de 19e eeuw zijn dan ook gedrukt op mooi gevergeerd, handgeschept papier. De Belgische prenten waren bovendien meestal fraai gekleurd. In tegenstelling met de Nederlandse, welke ofwel ongekleurd in de handel gebracht werden ofwel het moesten stellen met enkele willekeurige vegen blauwe, gele of rode verf, werden de meeste Belgische prenten gekleurd met schabionen, soms met twee, maar meestal met drie kleuren.
Het aantrekkelijke koloriet van deze Belgische prenten is wel te danken aan Franse invloed. De Franse volksprenten waren in België zo zeer verspreid en zo goed bekend dat in Gent en omgeving „sanktje-wale" of Franse prent, de specifieke naam werd van de volksprent. Deze Franse prenten waren zeer smaakvol gekleurd, meestal met schabionen.
De Franse invloed beperkte zich niet tot de uitvoering maar liet zich, alhoewel meer sporadisch, ook gelden op de inhoud. Zoals wij in de inleiding tot de verschillende fondsen zullen aantonen, zijn tal van onderwerpen van Belgische prenten overgenomen uit de Franse prentkunst, maar bovendien ook uit de Duitse. Deze vreemde invloeden beletten de Belgische kinderprenten niet nauw aan te leunen bij de Hollandse prenten. Dit is niet te verwonderen als wij weten dat Brepois niet alleen vóór 1830 maar ook nadien, in Nederland een zeer groot, misschien wel zijn grootste, afzetgebied vond l. Wat wel verwondert, is het feit dat de geschiedenis, de politiek, de letterkunde, natuur en kunst van eigen land geen noemenswaardige rol spelen in de prenten van Brepois, Delhuvenne, Glenisson en Van Genechten of van hun opvolgers. We kennen tientallen Nederlandse prenten over vorsten van het huis van Oranje, over Nederlandse historische personages, over gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis, ook prenten in verband met Nederlandse letterkunde en Nederlands toneel, prenten over Nederlandse steden en landschappen, maar kennen geen Belgische tegenhangers van deze onderwerpen. Wel vinden we bij de Belgische kinderprenten talrijke nationale onderwerpen uit de Nederlandse prenten. Omstreeks het midden van de vorige eeuw kocht Brepois een belangrijke partij houtblokken op, afkomstig van het fonds Noman te Zaltbommel. Een andere gedeelte van dit fonds
; naar de firma Glenisson en Van Genechten, welke ook in het bezit kwam van enkele tientallen houtblokken uit het fonds Thompson te Rotterdam. Later nog kwam de firma Hemeleers te Schaar-111 het bezit van een grote partij houtblokken van de prenten van de firma Van Staden te Amsterdam. Zo komt het dat wij Belgische kinderprenten kennen met het portret van prins Willem V (Glen. ft v (ren. nr. 207), het standbeeld van Laurens Koster (Brepois nr. 195), van het Luthers weeshuis

_________________
1 Ze het slot van de inleiding tot het fonds Brepois.

p. 52

(Brepols nr. 178), en van de Lutherse kerk te Amsterdam (Glen. & v. Gen. nr. 183). Daartegenover staan geen portretten van Leopold I of Leopold II, geen afbeeldingen van de kathedraal van Antwerpen of het stadhuis van Brussel!
Het in gebruik nemen van deze Hollandse houtblokken viel reeds samen met het gebruik van het machinaal papier, en luidde het begin in van de periode van verval van de traditionele kinderprenten. Niet alleen het papier werd van mindere kwaliteit, maar er werd ook minder zorg besteed aan de kwaliteit van de druk en van het koloriet. Het diepste verval vertonen de prenten van de firma Heme-leers te Schaarbeek, welke in 1894 ophield te bestaan. Een uitzondering dient gemaakt te worden voor de firma Beersmans te Turnhout, welke via Antoine van Genechten in het bezit gekomen was van een gedeelte van het fonds Glenisson & Van Genechten. F.A. Beersmans, een oud-boekbinder uit de fabriek van Brepols, vestigde zich zelfstandig als drukker en boekbinder in 1866. De prenten van Beersmans zijn over het algemeen met zorg gedrukt en smaakvol gekleurd. De zaak hield op te bestaan in 1902. Dit waren de laatste getuigenissen van een traditionele ambachtskunst waarvan de geschiedenis teruggaat tot de 15e eeuw.
Inmiddels had de fabriek van Brepols haar produktie op industriële leest geschoeid en was overgegaan naar de chromolithografie. Tot de eerste wereldoorlog heeft' zij deze produktie voortgezet en de kinderprenten uit deze periode konden wat hun technische verzorging betreft, de vergelijking doorstaan met de gelijkaardige produkten van buitenlandse fondsen.
In het begin van deze eeuw gebeurde het soms, dat de kinderprent ten dienste gesteld werd van de publiciteit. Brepols verkocht grote hoeveelheden prenten, aan de achterzijde bedrukt met reclameteksten voor bepaalde produkten, zo b. v. voor de „gallenthee Van Dale". Elke koper van een pakje gezondheidsthee kreeg een kinderprent als premie l. Ook de bekende Antwerpse koekjesfabriek De Beukelaer gebruikte de prent als publiciteitsmiddel; zij liet o.m. de graveur Edward Pellens een prent ontwerpen gewijd aan de geschiedenis van Reinaert de Vos 2. De Nationale Commissie voor Economische Uitbreiding te Brussel liet door de steendrukken] Benard te Luik, prenten drukken met reclameteksten voor nationale produkten. We bezitten zeven prenten, uitgegeven door deze instelling, gewijd aan verschillende onderwerpen uit de Vlaamse en de Waalse folklore : de Kortrijkse reuzen Manten en Kalle, de strijd van de draak „doudou" te Bergen, de krakelingenworp te Geeraardsbergen, de „copères" van Dinant, het Ros Beiaard van Dendermonde, de dwergen van Frêne en een episode uit het leven van Tijl Uilenspiegel. Elke prent bevat twaalf tafereeltjes, en elk verhaal is er op gericht te bewijzen dat brood het gezondste voedsel is.
Ook Nederlandstalige kinderprenten van de firma Quantin te Parijs werden gebruikt voor publiciteit door de koekjesfabriek „Victoria" met opdruk : „Victoria's Biscuits zijn de beste — Victoria Biscuits, Brussel-Dordrecht".
Na de eerste wereldoorlog werd te Brugge een „Imagerie Nationale" opgericht, welke twee reeksen chromohthografische prenten heeft uitgegeven. Een reeks van zestien prenten, met tweetalige onderschriften, gewijd aan het Belgisch leger 3. Een reeks van honderd zesendertig beeldverhalen waar van zowel een Nederlandse als Franse uitgave verschenen is. Deze produktie sloot rechtstreeks aan bij de prenten van Brepols, Glenisson en Van Genechten en Beersmans 4. Van mindere betekenis was de activiteit van de drukkerij G. Stapleaux te Brussel, waarvan enkele prenten bewaard zijn gebleven, gewijd aan verschillende beroepen 5. Belangrijk was de activiteit van twee Luikse firma's : het van ouds bekende uitgeversbedrijf Dessain, welke in het begin van deze eeuw enkele tientallen voorname-

__________________________________________
1 Exemplaren in mijn bezit. — 2 Coll. Waller. — 3 Coll. Jubelparkmuseum en coll. L. Crick te Brussel. — 4 Coll. „Het Sterckshof", provinciaal museum voor kunstambachten, Deurne, Antwerpen. — 5 Coll. N.O.M.

p. 53

lijk godsdienstige prenten heeft uitgegeven 1 en de firma Gordinne, welke op industriële schaal en met groot succes, tot na de tweede wereldoorlog, de traditie van de oude kinderprenten heeft staande gehouden. De fabriek Gordinne heeft gedurende tientallen jaren de activiteit voortgezet welke de fabriek van Brepols had gestaakt.
Evenals de industriële produktie van Brepols stonden de prenten van Gordinne sterk onder Franse invloed. Naast haar Franstalige prenten had de firma Gordinne ook een Nederlandstalige reeks, welke ongeveer zeshonderd nummers omvatte 2.
Na de tweede wereldoorlog werden deze prenten hoofdzakelijk verkocht in albums van zestien, tweeëndertig of meer prenten. Voor de verkoop van losse prenten was geen belangstelling meer, en de onhandige albums in groot formaat konden moeilijk nog concurreren tegen de albums met de verhalen van Mickey Mouse en andere succesfiguren uit de films en de „strips".
Zo zagen wij de ise-eeuwse „hilgen" evolueren tot de beeldromans van deze tijd.

______________________________________________________
1 De firma Dessain heeft in het begin van deze eeuw een reeks godsdienstige kinderprenten uitgegeven, in het Nederlands en in het Frans, samengesteld door pater Vincent, Saleziaan te Luik, voor het „Werk van de Catechismus". De nummers 1 tot 23 van deze reeks zijn bewaard in de collectie Crick te Brussel, en gedeeltelijk in de collectie van het museum „Sterckshof" te Deurne, Antwerpen. In het Folkloremuseum te Gent heeft men prenten van Pater Vincent genummerd van 28 tot 43, alsook een exemplaar van een profane reeks „De nationale roem van België" met het volgnummer 6. In de collectie Waller 2, is een prent bewaard met het verhaal van „De Wraak van de Turksche Trom" Serie A, nr. 25. — 2 Coll. Waller H, nrs. 101-415; — coll. N.O.M., nrs. 101-315; — museum „Het Sterckshof" te Deurne, een partij waarvan nr. 2 het laagste en nr. 412 het hoogste merknummer is; — coll. Folkloremuseum Gent, nrs. 309-574.


p. 55

DEEL II

PROEVE VAN CATALOGUS

INLEIDING

A. WAT GECATALOGISEERD WERD

DEZE catalogus omvat de prenten aanwezig in de geraadpleegde openbare en particuliere verzamelingen en is alfabetisch geranschikt op de namen van de uitgevers.
We hebben de catalogus van elk uitgeversfonds laten voorafgaan door korte aantekeningen over de geschiedenis van het fonds. Voor de samenstelling van deze historische schetsen hebben we dankbaar gebruik gemaakt van de bestaande literatuur over de geschiedenis van de boekhandel in Nederland, en vooral van de rijke archivalia van de Bibliotheek van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels te Amsterdam.
Ook verschillende archivarissen van Nederlandse steden, waar uitgevers van volksprenten gevestigd waren, hebben ons bereidwillig de gevraagde inlichtingen bezorgd. Een bijzonder woord van dank richten we tot de archivaris van de stad Turnhout, de heer R. Peeters, voor de waardevolle hulp welke hij ons bij onze onderzoekingen heeft verleend. In Nederland werd ons zeer bereidwillig toegang verleend tot alle openbare en particuliere verzamelingen van volks- en kinderprenten die ons bekend waren. Wij danken vooreerst de eigenaars van de particuliere verzamelingen maar houden er aan hier eveneens de directie- en personeelsleden van de kleinere musea, archieven en bibliotheken te danken voor de bereidwillige hulp welke zij ons hebben verleend.
We zijn er ons van bewust dat het niet mogelijk is in een dergelijk werk volledigheid te bereiken. We m< teten niet enkel rekening houden met onbekende of niet toegangbare verzamelingen, maar ook mei de mogelijkheid van het bestaan van talrijke „vergeten" prenten, die verscholen zitten op zolders

p. 56

bij oude families of die opgeborgen zitten in de reserves van regionale musea, archieven of bibliotheken. Maar we menen dat eventuele nieuwe vondsten geen belangrijke wijzigingen kunnen brengen in het algemeen beeld dat we ons nu van de volksprent in de Nederlanden kunnen vormen.
De belangrijkste verzameling Nederlandse volksprenten is de collectie Waller in het Rijks-prentenkabinet te Amsterdam. Deze collectie omvat zesenveertig portefeuilles gemerkt van i tot 14 en van A tot Z. De letters G en Z omvatten elk twee, en de letters C en O elk drie portefeuilles. Bij deze collectie behoort een register door de heer Waller eigenhandig samengesteld. Dit register, gedateerd januari 1923, vermeldt de inhoud van de portefeuilles en bevat een alfabetische hjst van de uitgevers en wederverkopers, met de vermelding waar en wanneer ze werkzaam waren, en ook een lijst van de Nederlandse houtgraveurs die in deze verzameling voorkomen.
In het Rijksprentenkabinet te Amsterdam berust bovendien de collectie Muller, beschreven in de vierdelige catalogus van Frederik Muller l, waarin talrijke en merkwaardige oude volksprenten worden vermeld.
In het Rijksmuseum te Amsterdam berust tenslotte nog de verzameling prenten van het Oudheidkundig Genootschap, waartussen talrijke volksprenten te vinden zijn.
Onmiddellijk na de collectie Waller volgt als tweede belangrijkste verzameling Nederlandse volksprenten, die van het Rijksmuseum voor Volkskunde, „Het Nederlands Openluchtmuseum" te Arnhem.
Als derde in graad van belangrijkheid vermelden we de collectie Ottema, in het museum „Het Princessehof" te Leeuwarden. In dezelfde stad bevinden zich eveneens de belangrijke verzamelingen van het Fries Genootschap, van de Provinciale Bibliotheek en van de Gemeentelijke Bibliotheek.
Naast deze belangrijke verzamelingen vermelden wij de twee belangrijke stichtingen „Atlas van Stolk" te Rotterdam en „Museum Enschedé" te Haarlem. De verzameling Nederlandse historieplaten bekend onder de naam Atlas van Stolk werd beschreven door G. van Rijn 2 en bevat, evenals de collectie Muller, talrijke volksprenten. Het „Museum Enschedé" bezit niet alleen een vrij uitgebreide collectie volksprenten maar ook talrijke 17e- en 18e-eeuwse houtblokken van volksprenten, beschreven door Charles Enschedé 3.
De belangrijkste particuliere verzameling van Noord- en Zuidnederlandse volksprenten is die van onze medewerker W.C. van Kuyk te Doorn. De andere particuliere verzamelingen welke we in Nederland konden raadplegen zijn niet bijzonder talrijk, we noemen de verzamelingen : Borms en Kossmann te 's Gravenhage, Hanewald, Stoffel en Tulner te Deventer en vooral de zeer belangrijke collectie Van Veen te Amsterdam.
In België is de collectie van E. van Heurck nog steeds de belangrijkste. De Vlaamse prenten uit deze verzameling zijn overgegaan naar het prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. De vreemde prenten uit deze collectie, en hieronder waren ook de Nederlandse gerekend, werden aangekocht voor de „Frank and Alice Osborn Collection", en in 1959 door Mrs. Alice Newton Osborn geschonken aan het „Print Departement" van het Philadelphia-museum 4.
Het Folkloremuseum te Antwerpen is in het bezit van een uitgebreide verzameling 19e-eeuwse kinderprenten en heeft ook de houtblokken geërfd uit de collectie Van Heurck. Een gedeelte van deze blokken was afkomstig van de 18e-eeuwse Amsterdamse firma's De Groot, Kannewet en Stichter.

________________________________
1 F. Muller, De Nederlandsche geschiedenis in platen, beredeneerde beschrijving van de Nederlandsche historieplaten, zinneprenten en historische kaarten. Amsterdam, 4 dln., 1863-1880. — 2 G. van Rijn, Atlas van Stolk, katalogns der historie-, spot- en zinneprenten betrekkelijk de geschiedenis van Nederland, verzameld door A. van Stolk Cz., gerangschikt en beschreven door G. van Rijn, 10 delen + register, Amsterdam, 1895, 's Gravenhage, 1933. — 3 Ch. Enschedé, Fonderies de caractères et leur matéricl dans les Pays-Bas du XVe au XlXe siècle, Haarlem, 1908 . — 4 Philadelphia Museum Bulletin, LIV (1959), blz. 86.

p. 57

Het Folkloremuseum van de stad Gent bezit, naast een groot aantal 19e-eeuwse prenten, een dertigtal zeer merkwaardige houtblokken van volksprenten uit de 17e en 18e eeuw, afkomstig uit het fonds Van der Haeghen, vooral waardevol door het feit dat slechts één enkele oorspronkelijke prent uit dit fonds bewaard gebleven is.
Ook de afdeling Volkskunde van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis van het Jubelpark te Brussel bezit een vrij groot aantal prenten van Belgische uitgevers en tal van houtblokken, waaronder vele afkomstig van de firma Hemeleers te Schaarbeek.
Van de geraadpleegde particuliere verzamelingen vermelden we in het bijzonder de fraaie collecties van R. Van Trappen te Gent, L. Crick te Brussel en G. Mogin (schrijversnaam Norge), thans te Saint-Paul de Vence (Fr.).
We laten hier de lijst volgen van de geraadpleegde verzamelingen, aangeduid met de afkortingen, waarmede in de catalogus naar deze verzamelingen verwezen wordt.
Arch. Turnhout. — Archief van de stad Turnhout.
Asselberghs. — Privé-collectie van Mejuffrouw Asselberghs te Utrecht.
Atlas van Stolk. — Stichting „Atlas van Stolk", Groene Wetering 11, Rotterdam.
Bibl. Deventer. — Atheneumbibliotheek te Deventer.
Bibl. Vereeniging. — Bibliotheek van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels te Amsterdam.
Borms. — Privé-collectie van wijlen Jan Borms te 's Gravenhage.
Crick. — Privé-collectie Lucien Crick te Brussel.
Ducaju. — Privé-collectie van Mejuffrouw Ducaju te Antwerpen.
Enschedé. — Stichting Museum Enschedé te Haarlem.
Folkl. Mus. Antw. — Folkloremuseum te Antwerpen.
Folkl. Mus. Gent. — Folkloremuseum te Gent.
Fries Gen. — Verzameling van het Fries Genootschap in het Provinciaalmuseum te Leeuwarden.
Gem. Bibl. Leeuw. — Gemeentebibliotheek te Leeuwarden.
Gemeentearchief Rotterdam.
Gem. Arch. Haarlem. — Gemeentearchief te Haarlem.
v. Gijn. — Museum Mr. S. van Gijn, gemeentemuseum te Dordrecht.
Hanewald. — Privé-collectie van de familie Hanewald te Deventer.
v. Heurck. — Collectie Van Heurck in het prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.
Holl. Houtsn. — Rijksprentenkabinet te Amsterdam.
Jubelpark. — Collectie prenten van de afdeling Folklore van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark te Brussel.
Kath. Gasth. — Gemeentemuseum het Katharinagasthuis te Gouda.
Kossmann. — Privé-collectie van de familie Kossmann te 's Gravenhage.
v. Kuyk. — Privé-collectie van W.C. van Kuyk te Doorn.
M. d. M. — Privé-collectie van Maurits de Meyer te Wilrijk.
Muller. — Collectie Muller in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam.
Mus. Schiedam. — Gemeentemuseum te Schiedam.
Mus. Zwolle. — Gemeentemuseum te Zwolle.
N.O.M. — Nederlands Openluchtmuseum, Rijksmuseum voor Volkskunde te Arnhem.
Norge. — Privé-collectie van G. Mogin (schrijversnaam Norge) te Saint-Paul-de-Vence, Frankrijk.
Ottema. — Verzameling van wijlen notaris N. Ottema, nu museum „Het Princessehof" te Leeuwarden.

p. 58

Oudh. Gen. — Prentenverzameling van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap in het Rijksmuseum te Amsterdam. Prentenk. Amsterdam. — Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum te Amsterdam. Prentenk. Antwerpen. — Prentenkabinet van de stad Antwerpen. Prentenk. Brussel. — Prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Prentenk. Leiden. — Prentenkabinet-Rijksuniversiteit Leiden. Prov. Bibl. Leeuw. — Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden. Ryper Museum. — Museum van de gemeente De Rijp. Schoolmuseum. — Schoolmuseum te Amsterdam. Stadsbibl. Haarlem. — Stadsbibliotheek te Haarlem. Stadsbibl. Leeuwarden. — Stadsbibliotheek te Leeuwarden.
Sterckshof. — „Het Sterckshof" provinciaal museum voor kunstambachten te Deurne (Antwerpen). Stoffel. — Privé-collectie van de wed. P. Stoffel te Deventer, v. Trappen. — Privé-collectie van wijlen R. van Trappen te Gent. Tulner. — Privé-collectie van Ds. Tulner te Deventer, v. Veen. — Privé-collectie van Mr. C.F. van Veen te Amsterdam. Waag Deventer. — Museum „De Waag" te Deventer. Waller. — Collectie Waller, in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam. Westfries Museum. — Museum te Hoorn.


B. HOE DE CATALOGUS WERD OPGESTELD

BIJ het opstellen van deze catalogus hebben we ons moeten beperken tot de vermelding van het nummer, de titel, het aantal houtsneden of afbeeldingen van elke prent en de naam of initialen van de graveurs van de gesigneerde prenten. Indien uit de titel niet voldoende duidelijk blijkt wat de prent voorstelt, hebben wij de inhoud met een paar woorden toegelicht.
Indien we de inhoud van elke prent uitvoerig hadden willen beschrijven, zoals dat E. van Heurck gedaan heeft voor de Turnhoutse prenten, dan hadden wij niet alleen vier of vijf boekdelen nodig gehad om deze stof te verwerken, maar dan zou deze onderneming nog ettelijke jaren langer geduurd hebben en was het zeer de vraag of er ooit iets van deze publicatie zou terechtgekomen zijn.
De meeste 18e- en 19e-eeuwse volks- en kinderprenten zijn gemerkt met een volgnummer, soms met een letter. De oudere prenten zijn meestal ongenummerd, zo ook sommige latere prenten.

In de catalogus wordt eerst het nummer of de letter van de prent vermeld. Draagt de prent geen nummer of letter, dan is zulks op de lijsten aangeduid met een streepje. Na het volgnummer, de letter of het streepje volgt de titel.
Als titel wordt in de regel genomen het opschrift boven de prent. In vele gevallen is dit opschrift geen eigenlijke titel, maar een moraliserend versje van twee, vier, zes of meer versregels. Zulke op-

p. 59

schriften houden soms weinig verband met de eigenlijke inhoud van de prent. Van dergelijke titels wordt enkel de eerste versregel medegedeeld. De eigenlijke titel van de prent is soms onder de afbeelding geplaatst, en bij sommige oude prenten wel eens in de prent gegraveerd. Heeft de prent een titel en ook nog een versje als opschrift, dan wordt enkel de titel vermeld. Is er geen titel, dan wordt zulks aangeduid met een streepje. Het teken —. —. vóór de beschrijving van een prent betekent : 1° dat de prent ongemerkt is (geen nummer of letter heeft); 2° dat de prent geen titel of geen opschrift heeft.
Wat de schrijfwijze van de titel betreft, deze verschilt soms voor dezelfde prent van exemplaar tot exemplaar. Tenzij er een bijzondere aanleiding voor was, hebben we slechts één lezing medegedeeld en zoveel mogelijk deze van het oudste exemplaar van elke prent.
Van de tweetalige prenten hebben we de korte titels in beide talen medegedeeld. Voor de langere opschriften hebben we na de aanvangswoorden van het Nederlandse opschrift vermeld : (Fr. tit.) om erop te wijzen dat de prent ook van een Frans opschrift voorzien is.
Na de titel vermelden we de aard van de prent : houtgravure, kopergravure of litho. Voor de houtsneden vermelden we het aantal houtsneden. Hiermee bedoelen we het aantal losstaande figuren of taferelen welke op één prent zijn afgebeeld. Indien wij aanduiden 12, 24 of 36 hsnn., betekent zulks niet altijd dat de prent gedrukt werd met 12, 24 of 36 houtblokken. Sommige prenten uit het begin van de 18e (collectie Van der Haeghen) en uit de 17e eeuw met meerdere losstaande figuren of taferelen zijn soms gesneden op één blok ter grootte van de prent, soms met rijen van drie of vier taferelen op één blok (b. v. De Verkeerde Wereld, Kannewet K 41). Daar er van deze oudere prenten zeer weinig houtblokken bewaard gebleven zijn, kunnen we in vele gevallen niet met zekerheid zeggen of de verschillende figuren van deze prenten op één houtblok'of op verschillende blokken gegraveerd werden.
Na het aantal houtsneden vermelden we eventueel de naam van de graveur, voor zover één of meer afbeeldingen van de bedoelde prent gesigneerd zijn. We vermelden geen naam van graveur, indien de prenten niet gesigneerd zijn, zelfs niet als deze prenten met grote waarschijnlijkheid aan bepaalde graveurs kunnen worden toegewezen, zoals dit het geval is met talrijke niet gesigneerde prenten, gegraveerd door Numan, Robyn, Lubeek, Bal, die allen een eigen stijl hebben.
Aan het einde van deze inleiding geven we een lijst van de gesigneerde prenten, alfabetisch gerangschikt op de namen van de graveurs.
Een fonds kinderprenten dat toebehoord heeft aan, en achtereenvolgens geëxploiteerd geweest is door verschillende eigenaars, maar waarvan de prenten door de opeenvolgende uitgevers werden uitgegeven onder hetzelfde nummer, hebben we als eenheid behandeld en de opeenvolgende uitgaven hebben wij gemerkt met een volgnummer en met de eerste letters van de namen van deze uitgevers. Zo voor de firma Ratelband en Bouwer te Amsterdam, waren de firmanten achtereenvolgens : de wed. J. Ratelband en J. Bouwer, in de catalogus aangeduid als volgt : 1. Wed. R.B., — Erven de wed. J. Ratelband en Bouwer aangeduid : 2. Erv. wed. R.B., —J. Ratelband en J. Bouwer : 3. R.B., — J. Bouwer en de wed. J. Ratelband : 4. B. Wed. R., —Johannes Bouwer : 5. B., —J. Bouwer en D. Ie Jolle : 6. B.J., — David Ie Jolle : 7. J. Deze aanduidingen worden medegedeeld aan het eind van de inleidingen vóór de lijst van elk uitgeversfonds.
Bij elke prent of bij elke verschillende uitgave van een prent vermelden we een collectie of een paar van de belangrijkste collecties waarin deze prent te vinden is. Sommige populaire prenten zijn nog te vinden op tientallen verschillende plaatsen. Wij achtten het overbodig telkens alle bekende collecties te vermelden. Waar het mogelijk was hebben we én een Nederlandse én een Belgische collectie vermeld. Voor Nederland hebben we bij voorkeur verwezen naar een van de drie belangrijkste verzamelingen : de collectie Waller, in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam, — de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem, — de collectie Van Kuyk te Doom. Voor België bij voorkeur naar de collectie Van Heurck in het prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.

p. 60

C. HET IDENTIFICEREN VAN DE PRENTEN

1. — Prenten gedrukt op naam van wederverkopers

DE oudste prenten zijn meestal voorzien van een adres. Van de latere prenten zijn zeer vele verschenen zonder naam of adres van drukker of uitgever.
Het adres dat op de prenten gedrukt staat, vermeldt niet altijd de naam van de uitgever. Dit kan ook het adres zijn van een wederverkoper.

In de tweede helft van de 18e en vooral in de eerste helft van de 19e eeuw maakten de voornaamste uitgevers van kinderprenten gebruik van wederverkopers, verspreid over verschillende steden van Nederland, om voor hun kinderprenten de grootst mogelijke verspreiding te verzekeren. Deze wederverkopers waren afnemers in 't groot, en kregen de prenten van de betrokken uitgevers bedrukt met hun firmanaam.
Wil men een prent gedrukt op naam van een wederverkoper terugvinden in de catalogus, dan moet men deze zoeken op naam van een van de uitgevers, die door deze wederverkoper vertegenwoordigd werden. Hierbij moet men er rekening mee houden dat volgende uitgevers tevens fungeerden als wederverkopers voor één of meerdere andere firma's : Broedelet en Rykenberg te Purmerend, PJ. Bronstring te Purmerend, C.J. Koster te Amsterdam, P.J. Masier te Rotterdam, Mindermann & C°, erven H. van der Putte en de erven H. Rynders te Amsterdam, R.J. Schierbeek te Groningen, C.C.L. van Staden te Amsterdam.
Zo kan b.v. een prent gedrukt op naam van de erven H. Rynders zowel een uitgave zijn van de firma Rynders zelf als een uitgave van een der volgende firma's : Van Bergen te Breda, Brepols te Turnhout, Noman te Zaltbommel, Seydel te Leeuwarden of Wendel te Amsterdam.
Een veertigtal prenten gedrukt op naam van wederverkopers hebben we niet kunnen identificeren, ze zijn achteraan in onze catalogus vermeld onder de naam van de betrokken wederverkopers.

ALFABETISCHE LIJST VAN DE WEDERVERKOPERS GEVOLGD VAN DE NAMEN VAN DE UITGEVERS WELKE ZIJ VERTEGENWOORDIGDEN

ALDAG, J.A., Amsterdam. — Brepols, Glenisson & Van Genechten, Ulrich, Wellens & Delhuvenne.
ALDAG, wed. J., Amsterdam. — Van Staden.
ALPHEN, A. van, Delft. — Hoffers, Mensing en Van Westreenen, Noman, Noman & Zn., Wijnhoven-Hendriksen.
ALPHEN, G. van, Delft. — Noorduyn.
BLUSSE & VAN BRAAM, Dordrecht. — Noorduyn.
BODEN, J. Zwijndrecht. — A. van Genechten, Glenisson & Zn.
BOLLEMIJ, J.J., Amsterdam. — Hoffers, De Lange, Noman, Rynders, Thompson, Ulrich, De Vos.
BoTVis, J.C., Amsterdam. — Brepols.
BROEDELET & RJJKENBERG, Purmerend. — Hendriksen, Noman, Thompson, Wijnhoven-Hendriksen.
BRONSTERING, P.J., Purmerend. — Noman.
BROUWER, J.TH., Rotterdam en 's Gravenhage. — Brepols.
BURGGRAAF, P., Leeuwarden. — Wijnhoven-Hendriksen.
CEULEN, J.J., Middelburg. — Van Staden.
CHARRO, H.M. de, Amsterdam. — Wijnhoven-Hendriksen.
CLAUS, J.P. & Zn., Rotterdam. — W. van Bergen en C°, Van Bergen & Van de Sande.
COSTER, H., Leiden. — Stichter.
COSTER, H, Alkmaar. — Noman, Wijnhoven-Hendriksen.

p. 61

DOOREMAALEN, J.H.C, van, Rotterdam. — Brepols, Hoffers.
FAASSEN, Tiel. — Glenisson & Van Genechten.
GERRITSEN & HOETINK, Zutphen. — onbekende uitg.
GOCH, H.V. van, Rotterdam. — onbekende uitgever.
GOOR, G.B. van, Gouda. — Noman.
GULLICK, van & HERMANS, Breda. — Brepols.
HAZELHOF, A., Groningen. — Noman, Noman & Zn.
HENDRIKSEN, gebroeders, Rotterdam. — Brepols.
HESSEL, F., Heereveen. — Noman.
HESSELINK, G., Zutphen. — Hoffers, Ulrich, Wen-del & Zn.
HESSELINK & Zn., Zutphen. — Hoffers.
HEYSE, J.A., Amsterdam. — Hoffers.
HISSINK, W. enj., Zutphen. — Hoffers, Thompson, Ulrich, Wijnhoven-Hendriksen.
HISSINK, W. & M.P., Zutphen. — Hoffers, Wijnhoven-Hendriksen.
HISSINK, Willem, Zutphen. — Brepols, Delhuvenne, Glenisson & Van Genechten, Hoffers, Wijnhoven-Hendriksen.
HOLLINGERUS-PYPERS, F.B., Breda. — Van Bergen.
HOLTKAMP, F. en HOLTKAMP, F. & Zn., Sneek. — Brepols, De Lange, Noman.
HOUTUM, J. van, Arnhem. — Glenisson & Van Genechten.
HUISINGH, H.V., Winschoten. — Noman.
JACOBS, A., Amsterdam. — Brepols, Noman.
JACOBS & MEYERS, Amersfoort. — Brepols, Glenisson & Van Genechten.
KAMERLINGH, A., Groningen. — Wijnhoven-Hendriksen.
KAPEL, gebroeders van, Rijswijk bij Delft.— Brepols, Glenisson & Van Genechten, Hoffers, Thompson, Wellens & Delhuvenne, Wijnhoven-Hendriksen.
KNIP, P., Westzaandam. — Jukkers-De Roode, Wendel.
KOSTER, C.J., Amsterdam. — Glenisson & Van Genechten, Van Staden, Wendel.
KOSTER, Gebroeders & C°, Amsterdam. — Brepols.
KOSTER, H.M.G., Amsterdam. — Delhuvenne, Glenisson & Van Genechten.
KREDIET, J., Heerenveen. — Noman.
LAZARE, L., 's Gravenhage. — Brepols, Glenisson & Van Genechten.
LENFRING, B., Amsterdam. — Van Staden.
LOCHEM, J.B. van Jr., Haarlem. — Gebr. Koster.
LOGGER, J., Dordrecht. — Thompson.
LOHUIZEN, T., Vaassen. — Glenisson & Van Genechten, Wellens & Delhuvenne.
Los, P. Gzn., Dordrecht. — Wijnhoven-Hendriksen.
LOUVRIER, J.J., Maastricht. — Brepols, Glenisson & Van Genechten.
LYSEN, D., Amsterdam. — Ulrich.
MASIER, P.J., Rotterdam. — Brepols.
MELLINK, H.J., Zutphen. — onbekende uitgever.
MEYER-BINGER, Amsterdam. — Rynders.
MEYER, A., SCHALEKAMP & VAN DE GRAMPEL, Amsterdam. — Van Egmont, Koene, Rynders, Stichter, Wendel.
MEYER, E.J. HZ., Sneek. — Brepols.
MINDERMANN & C°, Amsterdam. — Van Bergen, Brepols, Hoffers, De Lange, Noman.
NEISZEN, C.J., Rotterdam. — Brepols, Glenisson & Van Genechten, Wellens & Delhuvenne.
PALLIER, H. & Zn., 's Hertogenbosch. — Hendriksen.
PAUWELS, D., Bergen-op-Zoom. — Brepols, Glenisson & Van Genechten.
PENS, H. & C°, Aarlanderveen. — Noman.
PIEREN, T., Dordrecht. — Brepols.
POST, J.C., Leeuwarden. — Wijnhoven-Hendriksen.
PROOST, J., Leeuwarden. — Brepols, Wijnhoven-Hendriksen.
PUTTE, erven H. van der, Amsterdam. — Kannewet.
REE, CA.E. van, Tholen.—Wijnhoven-Hendriksen.
ROSENDAEL, J.B.J. van, Dordrecht. — Glenisson & Van Genechten.
RUISINGH, H.V., Winschoten. — Noman & Zn.
RY'KE, J.A., Rotterdam. — Hendriksen.
RIJKS, W.BZ., Rotterdam. — Brepols.
RYNDERS, erven de wed. H., Amsterdam. — Van Bergen, Brepols, Noman, Noman & Zn., Seydel, Wendel.
SCHALEKAMP & VAN DE GRAMPEL (1814-183 5); SCHALEKAMP, VAN DE GRAMPEL HANSEN > (1824); SCHALEKAMP, VAN DE GRAMPEL & BAKKER (1835-1916), Amsterdam. — Brepols, Glenisson & Van Genechten, Koene, De Lange, Noman, Noman & Zn., Wendel.
SCHIERBEEK, R.J. en SCHIERBEEK, R.J., jr., Groningen. — Wijnhoven-Hendriksen.
SCHUT, J.W., & C, Amsterdam. — Hoffers.
SCHUTTERS, CE., Middelburg. — Noman.
SCHUURING, B., Rotterdam. — Brepols.
STADEN, C.C.L., Amsterdam. —Noman, Noman &Zn.
THIEME, H.C.A., Zutphen. — Noman.
TOBEN, H.H., Amsterdam. — Rynders.
TUINZING, wed. Ph., Rotterdam. — Wijnhoven-Hendriksen.
VAARBERG, J.C., Weesp. — Noman.
VALKEN, J., Rotterdam. — Brepols, Wellens & Delhuvenne.
VLUGT, D. de, Dordrecht. — Stichter.
VANDEWEYER, W., Utrecht. — Brepols, Glenisson & Van Genechten.
VERKOUTERENJ., VERKOUTEREN,J.C. en VERKOUTEREN CA., Bergen-op-Zoom. — Brepols, Glenisson & Van Genechten, De Lange, Noman, Noorduyn.

p. 62

VERMANDE, Jan, en VERMANDE Gebr., Hoorn.—Noman.
WERMESKERKEN, D.R., Tiel. — Noman.
WEYS, J.J., Bergen-op-Zoom. — Delhuvenne, Glenisson & Van Genechten.
WIJSMULLER, Erve, Amsterdam. — Brepols, Glenisson & Van Genechten, Hendriksen, De Lange, Noman, Noman & Zn., Noorduyn, Thompson,
Wellens en Delhuvenne, Wijnhoven-Hendriksen, onbekende uitgever (C).
ZEEHUYZEN, J.K., Leeuwarden. — Glenisson & Van Genechten.
ZENDER, J., Dordrecht. — Noman.
ZOUTMAAT-VORTSMAN, A.J., Bergen-op-Zoom. —Wijnhoven-Hendriksen.
ZWEESAART, A., Amsterdam. — Glenisson & Van Genechten.

2. — Prenten zonder naam of adres van uitgever of wederverkoper

De prenten zonder enig kenmerk van uitgever kunnen over het algemeen vrij gemakkelijk geïdentificeerd worden of als Nederlandse of als Belgische prenten.
De Belgische prenten hebben doorgaans tweetalige titels en onderschriften. De Nederlandse uitgaven zijn, op één uitzondering na, steeds eentalig. Bedoelde uitzondering betreft de uitgaven van Van de Sande & C°, gevestigd te Amsterdam, Breda en Namen. Doch de uitgaven van deze firma zijn steeds gemerkt met naam en adres, zodat men van alle ongemerkte tweetalige prenten met zekerheid kan zeggen dat zij toe te schrijven zijn aan een Belgische uitgever. Maar alle prenten met uitsluitend Nederlandse titels zijn niet noodzakelijk Nederlandse uitgaven. Alhoewel de meeste Belgische prenten Nederlandse en Franse teksten hebben, werden er door de Turnhoutse firma's Delhuvenne, Glenisson & Van Genechten en hun opvolgers, toch verschillende prenten uitgegeven met uitsluitend Nederlandse teksten. Voor zover nu deze prenten gekleurd in de handel gebracht werden, wat meestal het geval was, zijn deze Belgische uitgaven niettegenstaande hun Nederlandse teksten gemakkelijk te herkennen door hun koloriet. Zoals we in de inleiding hebben uiteengezet, werden de meeste Nederlandse kinderprenten in houtgravure in de handel gebracht ofwel ongekleurd of zeer spaarzaam gekleurd. De Belgische prenten daarentegen waren in de regel bont gekleurd.
Het feit dat F. Wellens, de vroegere vennoot van Delhuvenne te Turnhout, in dienst getreden was van Lutkie en Cranenburg te 's Hertogenbosch bracht mede, dat ook een gedeelte van de pro-duktie van dit fonds de kenmerken vertoont van het Belgisch koloriet.
Kunnen we een betrekkelijk goed onderscheid maken tussen prenten van Nederlandse uitgevers enerzijds en prenten van de Belgische uitgevers anderzijds, dan wordt het veel moeilijker om b. v. niet gemerkte uitgaven van de Turnhoutse drukkers te identificeren. Slechts veel ervaring en een goede kennis van de samenstelling van, en de verwantschap tussen deze fondsen maakt het mogelijk de uitgaven zonder naam en adres aan een bepaalde uitgever toe te wijzen 1.
Van de Nederlandse uitgevers waren het, behalve de reeds genoemde Lutkie en Cranenburg, vooral Van Staden te Amsterdam en Hoffers en Thompson te Rotterdam die vele prenten lieten verschijnen zonder naam of adres. Maar niet alle namen van uitgevers zijn ons bekend. Er bleven nog heel wat Nederlandse prenten welke we niet konden identificeren. Een belangrijk gedeelte hiervan is min of meer verwant met de uitgaven Wansleven te Zutphen (zie aldaar). Deze uitgaven hebben we geclassificeerd onder de rubrieken onbekende uitgever A, B, C en D. De overige prenten in houtgravure zijn opgenomen in een lijst prenten van onbekende uitgevers E.
Onze catalogus wordt besloten met een lijst volksprenten in kopergravure van onbekende uitgevers, en een lijst van oude litho's van onbekende uitgevers.

__________________________________
1 Voor de identificatie van de ongemerkte Belgische prenten verwijzen we naar de inleidingen tot de fondsen Wellens & Delhuvenne en Glenisson & Van Genechten, en voornamelijk naar het artikel van W.C. van Kuyk, De kinderprenten uit de fondsen Delhuvenne, Glenisson en Beersmans, in Volkskunde, LIX (1958), blz. 70-78, 202-210.


p. 64

D. LIJST VAN DE GESIGNEERDE PRENTEN ALFABETISCH GERANGSCHIKT OP NAAM VAN DE GRAVEURS
Wij vermelden hier enkel de gesigneerde prenten opgenomen in de catalogus.
In het algemeen historisch overzicht hebben wij gesproken over 16e-eeuwse graveurs die onderwerpen hebben behandeld, welke ook voorkomen op de volksprenten. De namen van deze graveurs en de door hen gesigneerde kunstprenten werden niet opgenomen in deze lijst.
Hier worden ook niet vermeld de zogenaamde industriële prenten, sommige hiervan werden gedrukt met clichés gemaakt naar gesigneerde tekeningen.
De biografische gegevens vermeld bij de namen van de graveurs zijn meestal ontleend aan Wal-lers' Biographisch woordenboek van Noord-Nederlandsche graveurs, Thieme-Becker en Wurzbach. Waar zulks niet het geval is wordt in noten verwezen naar de bron.

Jan Oortman. Noemde zich „kunstgraveur in hout", Gesigneerde prenten : Van Staden 85.
illustreerde talrijke boeken en kinderprenten l. z. nr. „Kinderlijke bedrijven".

BAL, WILLEM (018O8 te Rotterdam, f1897 te Delft) is een van de laatste houtgraveurs van de traditionele kinderprenten. Hij begon zijn carrière als letterzetter
in een Haagse drukkerij, terwijl hij zich zelfstandig de kunst van het houtsnijden eigen maakte. W. Bal heeft als graveur vlug succes geboekt. In 1837 zegt hij zijn werk in de Haagse drukkerij vaarwel en vestigt zich als graveur te Delft. Tot zijn beste werk behoren de illustraties die hij sneed voor medische en wiskundige handboeken. Hij sneed enkele kinderprenten voor de Rotterdamse firma's Hoffers en Ulrich. Later werkte hij vooral voor de uitgeverij Van Staden te Amsterdam. In 1837 werd zijn werk bekroond door de Maatschappij tot Nut van het Algemeen.
Gesigneerde prenten : Hoffers 34 (= Van Staden N en 32), 35 (= Van Staden H en 70 = Hemeleers 96). — Ulrich 14, 30. — Van Staden E en 9, F en 14, G en 21 (= Hemeleers 115), I (= Hemeleers 97), K en 26, L en 18 (= Hemeleers 132), M en 31, N en 32, O en 15, P, Aa, 5, 27, 34. — Glenisson & Van Ge-nechten 76, 80. — Broedelet 2, 8, 12, 14.

DE BRAY, DIRK. Data van geboorte en overlijden onbekend. Werkzaam te Haarlem 1651-1678. Zie uitgevers, voce Enschedé.

BOUWENS, A. Van deze verdienstelijke houtgraveur is enkel bekend dat hij werkzaam was te Amsterdam in het laatste kwart van de 18e eeuw.
Gesigneerde prenten : Erven H.v.d. Putte 158. — Ratelband en Bouwer z. nr. prins Willem V, z. nr. prinses Wilhelmina van Pruisen, z. nr. de rarekiek-kast (=de Vos & C° 18), 70,105,106. = Van Egmont z. nr. vorsten te paard, 93 (= Hendriksen 56), z. nr. oorlogsschepen (= Glen. & V. Gen. 139).

COLDEWYN, JACOB ("±1787 te Amsterdam, f1855 aldaar), zoon van Hendrik Coldewyn, plaatsnijder te Amsterdam; uitsluitend bekend als graveur van volksprenten : a nieuwjaarswensen en kermiswensen uitgegeven door J. Wendel of zijn opvolgers (Muller 6361 A c, d, i), b actualiteitsprenten (Atlas v. Stolk 6675, 6933), c speelprenten (Atlas v. Stolk 172) en d kinderprenten.
Gesigneerde prenten : Wendel 19, 33, 40, 48. — Rynders 6, 15. — V. Staden D en 25 (= Hemeleers 126).

CRANENDONCK, ALEXANDER ("1799 te Maassluis, f1869 te Nijmegen), volgens Waller autodidact, volgens Van Heurck & Boekenoogen x leerling van Jan Oortman, Noemde zich kunstgraveur in hout, illustreerde talrijke boeken en kinderprenten.

________________________________________
1 Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., blz. 508.

p. 65

Gesigneerde prenten : J. de Lange 10 (reprod. Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., blz. 561), 13, 17, 19, 56, 59, 60, 61, 67, 71, 90, 93. —J. Hendriksen 46, 81, 82 (= Hendriksen & Ulrich 16 = Noman & Zn. 75 = Van Staden 65 = Hemeleers 138), 83 (= Van Staden 2 = Hemeleers 155), 84 (= Van Staden 68), 88, 89 (= Van Staden 49 = Hemeleers 137). — Hendriksen & Ulrich 2, 5, 7, 8, (= Brepols 153), 9 (= W. van Bergen & C° 49), 10 (= Hemeleers 112). — Noman & Zn. 63 (= Brepols 183), 75 (= Van Staden 79 = Hemeleers 124). — Van Staden 19, 68, 75. —Thompson 155 (= Glen. & Van Gen. 154). — Van Munster A, B. — Noorduyn G.Q. —Wansleven z. nr. beroepen. — Brepols, godsdienstige reeks 45, gewone reeks 195, 212. — Lutkie & Cranenburg 2e reeks 5. — Wijnhoven-Hendriksen 11 (ook z. nr. Jan de Wasser).

DONKER, JOHANNES (datum van geboorte en overlijden onbekend). Ingeschreven in het Poortersboek ie Amsterdam op 1 nov. 1797.
(lisigncerde prenten : Wendel 37. — Rynders 40.

FUCHS, FREDERIK CHRISTIAAN (°1816 te Amsterdam, f1855 aldaar), zoon van de etser Carl Christiaan Fuchs. Gesigneerde prenten: Van Staden 85. C.J. Koster, z.nr. Kinderlijke bedrijven.

GARAMA, G.N. Van hem is enkel bekend dat hij werkzaam was in de tweede helft van de 18e eeuw, vermoedelijk te Amsterdam.
Gesigneerde prenten : Erve H. van der Putte 155. — Erve H. van der Putte & B. Boekhout 35. —J. de Lange 80.

GREVE, ISAC en BARENT worden door Waller niet vermeld als graveurs, wel als uitgevers van prenten en kaarten. De prenten door hen gesigneerd zijn vermeld in inventaris uitgevers voce Greve.

HENDRICKX, L. (jaar van geboorte en overlijden onbekend).
Gesigneerde prenten : — Brepols, godsdienstige reeks 21, 30, 31.

JEGHER, CHRISTOFFEL ("1596 te Antwerpen, f1653 aldaar), heeft mooie koperplaten gegraveerd naar Rubens, Quellinus e. a. Twee niet gesigneerde volksprenten, een Ecce Homo en een Trap des Ouder-doms worden hem toegeschreven; zie hierover het Algemeen historisch overzicht. — 17e Eeuw.
Gesigneerde prent: Wed. Pauwels Huybrechts, z. nr., z. titel, portret van kardinaal-infant Ferdinand.

JEGHER, JAN CHRISTOFFEL (°1618 te Antwerpen, f1666 aldaar). Zoon van Christoffel Jegher, de beroemde „houte figuersnyder", werkte, evenals zijn vader, voor de drukkerij Plantijn-Moretus, maar ook voor verschillende andere uitgevers.

___________________________________
1 C.H. van Fenema, Historische Avondstonden, III (1916), Groningen, Den Haag, blz. 172.

p. 66

Vele van de honderdtallen platen, gegraveerd door J.C. Jegher, o. m. voor de Nederlandse vertaling van de Iconologia van Ripa, voor de Fabulae Aesopi Graece et Latine, en voor verschillende bijbeluitgaven, zijn later gebruikt voor het drukken van kinderprenten *.
J.C. Jegher was ook uitgever, en het is niet uitgesloten dat verschillende volksprenten als zijn Tijl Uilenspiegel, zijn Driekoningenprentjes, zijn Uilenbord, niet alleen door hem gegraveerd werden maar oorspronkelijk ook door hem werden uitgegeven 2. J.C. Jegher illustreerde ook verschillende volksboeken als De historie van den ouden ende jongen Tobias, De historie van den propheet David, De Vrouwen Peerle 3.
Gesigneerde prenten : Brouwer z. nr. Fabelen v. Eso-pus. — Kannewet 31. — Van Egmont 7, 104, 130. — Thompson 110. — Rynders 14, 17. — Van Ryscho-ten z. nr. taferelen uit het O. T. — Noman 30, 47 (= Brepols 179), 294, 318, 330, 331, 333 (= Brepols 187), 334. 335. 336, 382, 429. — Onbekende uitg. (D) z. nr. driekoningenbriefjes.

JELGERHUIS RIENKZ., JOHANNES (1770 te Leeuwarden, +1836 te Haarlem), tekenaar, graveur, schilder, toneelspeler, toneel-theoreticus. In de lijst van ongenummerde kopergravures van onbekende uitgevers vermelden wij twee prenten van Jelgerhuis met allegorische taferelen.

LANIER, I.I. Van hem is enkel bekend dat hij kinderprenten graveerde voor de firma De Lange te Deventer.
Gesigneerde prenten : J.H. de Lange 44, 94, 95, 96 en één z. nr. (leurders). —J. de Lange 45, 49, 51, 52, 53, 55, 57, 58, 62, 81, 89, 100.

LIEFRINCK, HANS. De eerste van die naam, was werkzaam te Antwerpen van 1538 tot omstreeks 1581. Hans Liefrinck II was aldaar werkzaam van 1581 tot omstreeks 1589. Zie verder over Liefrinck : Algemeen historisch overzicht, 16e eeuw. Liefrinck was graveur en ook uitgever. Zie lijst uitgevers voce Liefrinck.

LIESHOUT, JOHANNES EGBERTUS VAN ("1770 te Rotterdam, plaats en datum van overlijden onbekend) werkte vooral voor de firma Thompson te Rotterdam, graveerde kinderprenten en illustraties voor „Van Zwaamen en Thompsons Almanak" 4.
Gesigneerde prenten : Thompson 1, 31, 32 ( = Glen. & Van Gen. 160), 36, 40 (= Beersmans 102), 48, 53, 68, 69, 87, 99 (= Glen. & Van Gen. 134 = A. van Gen. 134 = Beersmans 58). —J. Hendriksen 31, 32. — Wijnhoven-Hendriksen 23. —Van Staden 36 (= Hemeleers 142), 96. — Onbekende uitgever A45.

LUBEEK, D. en H. VAN (Dirk van Lubeek "1747 te Amsterdam, f omstreeks 18 n), Hermanus van Lubeek ("Rotterdam 1770, overlijdensdatum en plaats onbekend). Bieden hebben talrijke kinderprenten gegraveerd voor Rotterdamse uitgevers.

_________________________

1 Zie de hoofdstukken Allegorische prenten, Emblemata, en Onderwerpen ontleend aan de letterkunde van de klassieke oudheid. —2 Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., blz. 533-534. — 3 Dronckers, Verz. Waller, nrs. 766, 770,1813, 1814. — 4 F.G. Waller, verwijst naar een titelprent [Atlas v. Stolk) waar een I. van Lieshout vermeld wordt, naar aanleiding van de inwijding van een oudemannen- en vrouwenhuis in 1759. Deze Van Lieshout is dus een ander personage als Johannes Egbertus geboren in 1770.
 

p. 67

Zij hebben herhaaldelijk samengewerkt en signeerden alsdan hun prenten D.H.V.L. Dirk van Lubeek signeerde D.V.L. en Hermanus signeert H.V.L. Talrijke prenten zijn gesigneerd LUBEEK. Dit kan zowel de signatuur zijn van Dirk als van Hermanus, maar kan ook het werk van hun atelier aanduiden. De juiste familieverhouding van beiden is niet met zekerheid bekend. Vermoedehjk is Hermanus een zoon van Dirk. Dirk was werkzaam te Rotterdam en Hermanus was aldaar geboren.
Niet alle prenten gegraveerd door de Van Lubeek's zijn gesigneerd. Een van de karakteristieken van bepaalde prenten van Van Lubeek zijn de ovale omlijstingen van de plaatjes. Prenten met dergelijke omlijstingen kunnen doorgaans toegeschreven worden aan Van Lubeek. In andere niet gesigneerde prenten kunnen wij de hand van Van Lubeek herkennen, vooral als zij pendant vormen met gesigneerde prenten. Zo de hond van Scheffers (nr. 33), geheel in dezelfde stijl als de kat van J.A. Ryke (nr. 27) gesigneerd H. v. Lubeek.
Prenten gesigneerd D.V.L. : Thompson 12 (= Glen. & Van Gen. 162), 21 (= Glen. & Van Gen. 142, reprod. Van Heurck en Boekenoogen, LP.F., blz. 43i), 73 (= Beersmans 87), 132. Prenten gesigneerd H.V.L. of H.V.L.B. : Cornel 2. — Hendriksen 12 (= Masier 28). — Scheffers 3, 27. — Thompson 4 (= Beersmans 90), 5, 6, 37 ( Glen. & Van Gen. 159), 42. — Van de Sande 6 ( Noman 6 = Brepols 165), 11 (= Noman 11), 1 '1 ( Noman 16 = Brepols 163), 23 (= Noman 23). Masier 17 (= onbekende uitgever op naam Wijsmulier 80). — Gebr. Van Kapel 115. — Onbe-I 1 nde uitg. (E) 57 en 102.
Prenten gesigneerd D. & H.V. LUBEEK : Thompson 7 (= Glen. & Van Gen. 135), 11 (= Glen. & Van Gen. 165, reprod. v. Heurck I.P.F., blz. 444). Prenten gesigneerd LUBEEK : J. Hendriksen 2 (= Thompson 9 = Glen. & Van Gen. 158), n. — Cornel z. nr. (askar en burgerwacht). — Thompson 3, 8 (= Glen. & Van Gen. 163, reprod. Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F. blz. 442), 14, 29, 30 (= Beersmans 93 reprod. Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., blz. 508), 51 (= Glen. & Van Gen. 100), 105. — Brepols godsd. reeks 8. — Glen. & Van Gen. 207. — Van Staden 51.

LUCAS, G. en L. Van Louis Lucas is bekend dat hij als plaatsnijder werkzaam was te Amsterdam in het begin van de 18e eeuw. Zie catalogus uitgevers voce G. Lucas.

MELDEMAN, HANS was werkzaam te Neurenberg in de eerste helft van de 16e eeuw 1.
Gesigneerde prent : Van Egmont z. nr. Vastenavond (kermis).

NICOLAI, ARNOLD was ingeschreven als lid van het St. Lucasgild te Antwerpen van 1550 tot 1589 en werkte voor Christoffel Plantijn 2.
Gesigneerde prenten : Koene 18, 62, z. nr. taferelen uit de fabelen van Esopus, zie hoofdstuk „Onderwerpen uit de letterkunde van de klassieke oudheid".

NUMAN, HENDRIK ("173 6 te Amsterdam, f1788 aldaar). Zoon van een scheepstimmerman, werd op 12 juli 1759 ingeschreven als poorter van de stad Amsterdam. Voor zijn tijdgenoten ging Numan door als de grootste graveur-illustrateur, na Van Sichem. Hij was begonnen met zijn eigen prenten uit te geven „op de Angeliersgragt" te Amsterdam. Voor het zakenleven zal hij minder geschikt geweest zijn, want hij heeft slechts een betrekkelijk klein aantal prenten zelf uitgegeven, en deze na korte tijd afgestaan aan de firma Van Egmont, voor dewelke hij ook nieuwe prenten gegraveerd heeft. Zijn bijzonderste opdrachtgeefster voor het illustreren van kinderprenten was de firma Stichter. Numan heeft minstens driehonderd vijftig houtblokken gesneden voor deze firma. Het museum Enschedé is in het bezit van zesenvijftig houtblokken gesneden door Hendrik Numan, voor een uitgave van de fabels van Esopus.
Het werk van Hendrik Numan getuigt van grote vaardigheid. Vele van zijn houtgravures zijn geko-

1 T hicme-Becker, voce Meldeman. — 2 Max Rooses in Biogr. nationale XV (1899), voce Arnold Nicolaï.

68

pieerd naar kopergravures van J. Luyken en van de Franse graveurs Callot, Boucher, Lancret e. a. In 1775-1776 ontwierp hij nieuwe decors voor de Amsterdamse schouwburg 1. In het jaar 1788 kwam Numan op tragische wijze om het leven door verdrinking 2.
Gesigneerde prenten : Uitgaven H. Numan 1-2 (= Van Staden 62 = Hemeleers 149), 2 (= Glen. & Van Gen. 151 = Beersmans 76), 7-8 (= Van Eg-mont z. nr. = Noman & Zn. 247 = Brepols 161), 11, 12 (= Van Egmont 112 = Rynders 41), 13 (= Van Egmont 114), 14 (= Van Egmont z. nr.). — Van Egmont 6, 12, 17, 21 (= Hendriksen 42 = Noman & Zn. 109, reprod. Van Heurck en Boeken-oogen, I.P.F., blz. 525 = Van Staden 83 = Hemeleers 119), 26 (= Hendriksen 64 = Brepols 178), 27, 58 (= Hendriksen 65), 82 (= Van Bergen & Van de Sande 20), 84, 97, 108 (= Lutkie & Cranenburg 90), 112,124 (= Hendriksen 47 = Glen. & Van Gen. 184) 125, 128, 129 (= W. van Bergen 16). —J. Hendriksen 44. — Erve H. van der Putte 158. — Stichter 1 (= Noman 126), 2 (= Noman 219), 3 (= Noman 128), 4 (= Noman 120), 5 (= Noman 127), 6 (= Noman 132), 7 (= Noman 140), 8 (= Noman 111), 9 (= Noman 216), 10 (= Noman 112), 11 (= Noman 168 = Brepols 191), 12 (= Noman 217), 13 (= Noman 110 = Brepols 188), 56 (= Noman 191), 127 (= Noman 64), 128 (= Noman 113 =Glen. & Zn. 178), 132 (= Noman 115 = Glen. & Van Gen. 201), 133 (== Noman 181), 134 (== Noman 146 = Glen. & Van Gen. 204 = Beersmans 67), 149 (= Noman 130). — Hand 2. — Noman 32 (= Rynders 35), 34 (= Rynders 50). — Lutkie en Cranenburg, 2° reeks 75. — Onbekende uitg. (D) 85.

NUMAN, HERMANUS ("1744 Ezinge, f1820 Amsterdam). Alhoewel Waller 3 niet spreekt over Hermanus Numan als houtgraveur, blijkt zijn activiteit als zodanig niet te mogen onderschat worden 4. Het feit dat Hermanus Numan evenals Hendrik zijn werk H. Numan signeert, geeft aanleiding tot verwarring. Daar wij in den beginne enkel rekening hielden van Hendrik Numan als graveur van volksprenten, en het niet mogelijk was achteraf alle prenten gesigneerd H. Numan met elkaar te vergelijken, is het niet uitgesloten dat wij niet alle Numan-prenten aan hun juiste auteur hebben toegewezen. Het werk van Hermanus Numan is zeker inferieur aan dat van Hendrik. Maar een kwaliteitscriterium blijft altijd min of meer subjectief.
Gesigneerde prenten : De Roode en Knip z. nr. ouderdomstrap (= Wendel 1). — Van Staden 47 (= Hemeleers 117). — Wijnhoven-Hendriksen 4, 5, 6, 7, 8, 19, 22. — Rynders 4, 15, z. nr. Cartouche.
— Thompson 107, 114 (= Glen. & Van Gen. 145 = Beersmans 34), 115 (= Beersmans 89), 116, 121, 139.
— Beersmans 101.

OORTMAN, J. ("1753 te Amsterdam, f1823 aldaar), is zijn loopbaan begonnen in een katoendrukkerij te Weesp. Van de houtblokken die Jan Oortman graveerde ter illustratie van de Nederlandsche Geschiedenis tot 1645 voor de drukker J.C. Vaarberg te Weesp, zijn er later enkele gebruikt voor de prenten van Stichter en Noman. Hij sneed vele blokken voor almanakken en volksboeken maar ook voor de uitgaven van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. Verschillende prenten van Stichter zijn samengesteld gedeeltelijk met gravures van Numan en gravures vanj. Oortman.

OORTMAN, G. zoon van Jan, de juiste geboortedatum en geboorteplaats, noch het sterfjaar, noch de plaats van overlijden zijn bekend. Hij heeft het werk van zijn vader voortgezet en grotendeels voor dezelfde opdrachtgevers gewerkt. Het werk van de zoon moet niet onderdoen voor dat van de vader.

1 J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche Letterkunde, III, Haarlem, 1910, blz. 603. — 2 Van Heurck en Boe-kcnoogen, I.P.F., blz. 552. — A. Fokke, De graveur, Dordrecht, 1796, blz. 133-134. — 3 Waller, Biogr. Woordenb., blz. 241. — 4 Dronckers, Verz. Waller, nrs. 762, 1069, 1070, 1074, 1639, 1640, 1772.

p. 69

Prenten gesigneerd J.O. : Stichter 134 (= Noman 146 = Glen. & Van Gen. 204), 142 (= Noman 142), 145 (= Noman 184 = Brepols 184), 147 (= Noman 163), B. — Rynders z. nr. Willem I, z. nr. koningin. — Noman 114, 181, 310, H. — Glenisson & Van Gen. 133.
Prenten gesigneerd Oortman : Stichter 38 (= Noman 148), C (= Noman D). — Ratelband & Bouwer A, B, E, O, Q. — Rynders 3 (= Noman 333 = Van Staden 84), 11. — Schierbeek z. nr. letterprent.
Prenten gesigneerd G.O. : Stichter 125, 129, 139 (= Noman 185), 140 (= Noman 109), 143 (= Noman 177 = Brepols 201), 144 (= Noman 197 = Beersmans 95), 146 (= Noman 224), A. — Ratelband & Bouwer D, S, T. — Ie Jolle BB. — Rynders 2. — Hendriksen 15 (= Van Staden 66 = Hemeleers 105). — Noman 102, F. — Van Staden 36 (= Noman & Zn. 36 = Brepols 164), C en 16 (= Hemeleers 108), A en 11 (= Hemeleers 158).
 

OTTENS, I. (° ca. 1663 te Amsterdam, +1722 aldaar), was werkzaam als graveur van kaarten, maar ook als uitgever van prenten en kaarten, en was tevens boekverkoper. Zie inventaris uitgevers voce Ottens.

PEDUZZI, DOMINICUS ANTONIUS (°1817 te Amster-il.im, f1861 te Wenen), lithograaf, werkzaam te Amsterdam tot omstreeks 1858. Zie catalogus voce Peduzzi.


PLUGGER, J. ("1795 te Enkhuizen, f1871 te Haarlem), leerling van Hendrik Numan. Hij maakte kinderprenten voor Noman en sneed ook plaatjes voor de Enkhuizer-Almanak. Later liet hij het graveren varen en maakte naam als marineschilder, hij werd directeur van de tekenschool van Hoorn en later van die van Zwolle 1.
Gesigneerde prenten : Le Jolle CC. — Van Munster EE. — Noman 53 (= Van Staden 94), 54, 55 (= Glen. & Zn. 25), 56 (= Brepols 152), 57, 58, 59, 60, 72, 74, 76 (= Beersmans 32), 77 (= Glen. & Van Gen. 191). — Van Staden 59.
ROBYN, J. en ROBYN, A. Van geen van beiden is de geboorteplaats of de plaats van overlijden bekend. Zij hebben hoofdzakelijk gewerkt voor de firma Stichter te Amsterdam en dit gedurende het laatste decennium van de 18e eeuw.
De oudste prenten zijn gesigneerd J. Robyn, de meeste Robyn zonder initiaal, één A. Robyn en twee A.R. Volgens Waller 2 luidde het adres van J. Robyn „J. A. Robyn, Houte Konst-Plaatsnyder. Woond in de Tuin-Straat tusschen de Prinse-Gragt en de Eerste Dwarsstraat, tot Amsteldam". Talrijke niet-gesig-neerde prenten van Stichter zijn ongetwijfeld van de hand van J. Robyn. Ze zijn gemakkelijk herkenbaar door zijn manier om kinderfiguren te tekenen. Alle knapen en meisjes afgebeeld op deze prenten hebben een groot, te groot, en rond hoofd. Zoals wij in de inleiding tot het fonds Stichter zullen aantonen, hebben de prenten van Robyn een grote documentaire waarde voor de kennis van het volksleven, in 't bijzonder van de volksgebruiken, op het einde van de 18e eeuw.

1 C.H. Van Fenema, Historische Avonden, Groningen III, (116), blz. 175. — 2 Waller, Biogr. Woordenb., blz. 271.

p. 70

Prenten gesigneerd J. Robyn : Stichter 20, 21 (= Noman 232), 25 (= Noman 174), 27 (= Noman 183), 30 (= Noman 150), 43 (= Noman 137 = Brepols 154), 47 (= Noman 222), 60 (= Noman 221).
Prenten gesigneerd Robyn : Stichter 26 (= Noman 133), 28 (== Noman 220), 40 (= Noman 204), 42 (= Noman 200), 49 (= Noman 117), 63 (= Noman 252), 64 (= Noman 159), 65 (= Noman 182), 67 (= Noman 208), 74 (= Noman 166 = Hemeleers 157), 86 (= Noman 223), 87 (= Noman 100), 88 (= Noman 105), 98 (= Noman 108 = Glen. & Van Gen. 181), 99 (= Noman 143), 100 (= Noman 213 = Glen. & Van Gen. 186), 101 (= Noman 201 = Brepols 180), 103 (= Noman 107 = Brepols 173), 104 (= Noman 124), 106 (= Noman 134), 108

(= Noman 218), 109 (= Noman 196 = Van Staden 52), 110 (= Noman 158 = Brepols 197), 111 (= Noman 209), 123, 151 (= Noman 195), 152. — Noman 114 (= Beersmans 67), 172.—Van Staden 64.
Prenten gesigneerd A. Robyn : Stichter 91 (= Noman 251).
Prenten gesigneerd A.R. : Stichter 108 (= Noman 218), 213 (= Noman 237).

SCHUYLING, CHRISTIAAN JACOB (°1793 te Heesch, +1830 te Rotterdam), was als houtgraveur werkzaam te Rotterdam voor de firma Hoffers. Hij werkte voornamelijk naar Engelse voorbeelden 1.
Gesigneerde prenten : HofFers 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 19, 20.

SICHEM, CHRISTOFFEL VAN I ("±1546 te Amsterdam, ¦+1624 aldaar), zoon van Cornelis van Sichem boekhandelaar, was de eerste van de vier houtgraveurs die allen de naam ChristofFel droegen. Hij was een leerling van Jan Ewoutzoon en graveerde onder meer de houtsneden van de Historici Ecclesiastica uitgegeven door Matheus Lambrecht te Antwerpen in 1607. Houtblokken van deze illustratie zijn later gebruikt voor het drukken van kinderprenten.
Prenten gesigneerd door ChristofFel van Sichem I : Rynders 39, 49.

1 Van Heurck en Boekenoogen, I.P.F., blz. 335-336.

p.71

SICHEM, CHRISTOFFEL VAN IV (°1642 te Amsterdam, +omstreeks 1698), achterkleinzoon van Cornelis I, graveerde vele plaatjes voor de almanakken van de Amsterdamse uitgevers Jan Jacobus Bouman en Gillis Joosten Saeghman. De firma's Ferwerda en Seydel te Leeuwarden hebben verschillende stichtelijke kinderprenten uitgegeven met bijbelse taferelen, gesigneerd met het monogram van Van Sichem. De houtblokken van deze prenten zullen in de 17e eeuw vermoedelijk gegraveerd geweest zijn voor de illustratie van een bijbel.
Gesigneerde prenten : Jacob Bouman z. nr. vier personages met dieren naar tekeningen van A. Bloe-maert. — Ferwerda 2, 3, 5, 7, 12, 17, 18. — Seydel 2, 5, 6, 7, 8, 9,17, 21. —Van Egmont 38. —Van Staden Z. Zie ook inleiding Enschedé.

SPILMAN, HENRICUS (°172i te Amsterdam, JU784 te Haarlem), etser en plaatsnijder. Bij de kopergravures van onbekende uitgevers vermelden wij een ongenummerde prent met drie gezichten op het Haarlemmerhout, gesigneerd H. Spilman.

VELTHUYZEN, BARENT (datum van geboorte onbekend, f29 juni 1728 te Amsterdam)l, was werkzaam te Amsterdam omstreeks 1700. Zie catalogus uitgevers voce Velthuyzen.

VINNE, IZAAK VAN DER (°1665 te Haarler, f1740 aldaar), was bedrijvig als houtsnijder, boekverkoper en drukker. Zie catalogus uitgevers, inleiding Enschedé.

VISSCHER, C.J., graveur en uitgever, zie lijst van de prenten bij de uitgevers op naam Visscher.

WALESON, JOHANNES (datum en plaats van geboorte en overlijden onbekend), was werkzaam te Breda omstreeks 1806-1807.
Gesigneerde prenten : W. van Bergen 11 (= Van Bergen & C° 55 = Broese & C° 28), 15 (= Van Bergen & C° 66 = Broese & C° 25). — Van Bergen & C° 57. 58, 59 (= Broese & C° 20). — Broese & C° 29.

WELLENS, PIETER FRANCISCUS. Zie catalogus uitgevers, inleiding Wellens-Delhuvenne.

DE WIT, F. Zie catalogus uitgevers voce De Wit.


Prenten gesigneerd met initialen of monogram van onbekende graveurs :
AF — Kannewet *9.
AM — Van Egmont 15.
GVL — Kannewet K 93
HD — Glen. & Van Gen. 13 (= Beersmans 53).
IA — De Lange 88.
JM — Kannewet *19.
LBM — Erve Wed. De Groot z. nr. haan (= Kannewet** 16 = Stichter 182 = Noman 248 = Brepols 150). — Erven Wed. De Groot & A. van Dam z. nr. dieren (= Kannewet *87 = Noman 89). — Gysbert
_________________
1 Gemeentearchief Amsterdam, begraafboek 1112, fol. 175 v.

p. 72

de Groot z. nr. Land- en zeegezichten (= Kannewet **22 = Noman 274). — Kannewet 95 (= Stichter 201 = Noman 85). — Noman 162.
LH — Ratelband & Bouwer 94.
LIC — Noman & Zn. 303.
MAV — Erven Wed. De Groot & A. van Dam z. nr. fabels van Esopus (= Kannewet 35).
MC — Wijnhoven-Hendriksen 3.
MDR — Ratelband & Bouwer 3, 104 (= Noman 63). — Noman 39.
ME — S. & W. Koene 41.
MJA — Van Staden 48.
MVS — Nieuwenhuyzen z. nr. dieren.
NGZ — Noman en Zoon 303.
SI — J. de Lange 88.
TL — B. Koene 15.
WH — Erve We De Groot z. nr. geboorte van de zaligmaker (= Kannewet 14 = J. H. de Lange 12). — Gijsbert de Groot Keur z. nr. twaalf personages, z. nr. Jan de Wasser, z. nr. vier vorsten (= Kannewet 83), z. nr. lering der filosofen ( = Kannewet **24). — Kannewet, 7, 15, 18, 20, 46. — Koene z. nr. oude en nieuwe mode. — Noman 407, 429.
 ­­­­­­­­__________________________________