Kind & Papier

A.W. Sijthoff te Leiden

 

 

start

Zie ook:

Prentlijsten Sythoff

Verzamelaar Sythoff

 

Eén van de actiefste uitgevers van kinderboeken in de tweede helft van de negentiende eeuw was A.W. Sijthoff uit Leiden. Sijthoff begon met zijn  drukkerij en uitgeverij in 1851 en er kwamen al snel kinderboeken van de persen. De eerste jaren betrof het vooral titels die hij van andere uitgevers overnam of voor hen drukte[1], daarna steeds meer oorspronkelijke uitgaven. Sijthoff vatte zijn taak als uitgever serieus op, ook waar het kinderboeken betrof. Pas twee jaar actief als drukker, kreeg hij voor Het gulden boekske voor lieve kleinen een eervolle vermelding van de Maatschappij voor Nijverheid voor de  fraaie uitvoering.[2] In  25 jaar bouwde hij een kinderboekenfonds op van meer dan 400 titels, deels vertaalde jeugdlectuur, maar ook veel Nederlands werk, geschreven door vrijwel alle bekende auteurs van kinderboeken uit die tijd, onder wie Agatha (R. de Goeje), P.J. Andriessen, E. Gerdes, J.J.A. Goeverneur, P. Louwerse, W.F. van Oostveen en A. Ising.[3]

 

Weinig aandacht kreeg Sijthoff tot dusver als uitgever van kinderprenten.[4] In drie series gaf hij bijna honderd verschillende bladen uit die via scholen en boekhandelaren werden verspreid. Ondanks de enorme hoeveelheid die van de persen rolde,  is een betrekkelijk klein aantal bewaard gebleven. Zoals gebruikelijk bij centsprenten zijn ook die van Sijthoff zeldzaam geworden. Van de door hem uitgegeven prentenboeken, vaak gedrukt van dezelfde houtblokken als de kinderprenten, bleven er ook weinig over.

 

De kinderprent omstreeks 1850

Van oudsher waren houtsneden die als losse prenten werden verkocht populair. Prenten van heiligen, bidprentjes, bedevaartsvaantjes en dergelijke speelden een belangrijke rol in het godsdienstig leven van het volk vanaf de vijftiende tot ver in de twintigste eeuw. In de Nederlanden bleef de goedkope houtsnede, elders grotendeels verdrongen door de kopergravure, voor profane en religieuze onderwerpen geliefd. Uit deze volksprenten, vanwege hun kostprijs ook wel centsprenten genoemd, ontwikkelde zich  in de achttiende eeuw een soort die vooral voor kinderen was bedoeld. Deze prenten verhaalden over bijbelse onderwerpen, natuurverschijnselen, rampen, vorstenhuizen, oorlogen, helden en boeven; maar ook over beroepen, het ABC, de getallen, sprookjes en verhalen uit de wereldliteratuur.  Ze bevatten soms één, maar vaker meer afbeeldingen met wat tekst, als een stripverhaal in rijen gerangschikt. Het zijn prenten die opvallen door de eenvoudige opzet, de ongekunstelde uitvoering en de naïviteit van de voorstellingen. 

 

Hoewel naar de huidige maatstaven in artistiek opzicht de bloei van de kinderprent omstreeks 1850 voorbij was, bereikten de productie en de afzet van deze prenten juist daarna een grote hoogte. De beschikbaarheid van goedkoop machinaal geproduceerd papier en de snelpers, waarmee vier keer zo snel als met de handpers gedrukt kon worden, hield de prijs van de prenten laag, terwijl de uitgever een behoorlijke winst kon behalen.[5] Door de toename van het vervoer te water en per spoor verliep ook de afzet sneller en goedkoper. Verspreiding van de kinderprenten in deze tijd gebeurde vooral door boekhandelaren, maar ook steeds meer via scholen, onder meer door de bemoeienis van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. De concurrentie was echter hevig. Goedkope prenten in houtsnede of steendruk uit België, Duitsland en Frankrijk overspoelden Nederland, waardoor de meeste uitgevers van kinderprenten van de markt werden verdreven. Van de ruim dertig Nederlandse uitgevers die tussen 1800 en 1850 de traditionele kinderprenten[6] op de markt brachten waren er na 1850 nog maar enkele over.

 

Prenten tot Nut van het Algemeen

In het begin van de negentiende eeuw liet de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, kortweg 't Nut, een aantal kinderprenten dat door haar was goedgekeurd, uitgeven.[7] 't Nut beoogde met deze ‘leerzaame schoolprenten’ de inhoudelijke en pedagogische kwaliteit van de kinderprenten te verhogen. Door grootscheepse verspreiding via handelaren en scholen hoopte 't Nut niet alleen de kinderen, maar ook de volwassenen tot lezen aan te zetten en zo de burgerlijke normen en waarden te laten door- dringen. In 1852 vond 't Nut dat de strijd met de ‘binnen- en buitenlandse producten van wansmaak’ opnieuw moest worden aangebonden en organiseerde het een prijsvraag. Volgens het programma of reglement van deze wedstrijd werd van deelnemende uitgevers verwacht dat zij een serie van tien prenten vervaardigden.  Vijf onderwerpen werden voorgeschreven: Bijbelsche Geschiedenis, Nederlandsche Hoofdgebouwen, Kennis der Natuur en het Beroepsleven, Overzeesche Gebiedsdelen en ’s Lands Historie. Ieder onderwerp moest op twee prenten worden verbeeld. De beste serie schoolprenten zou door 't Nut worden bekroond en met haar steun worden verspreid. De prijs voor de uitgever was een premie van driehonderd gulden.[8]

 

Twee uitgevers zonden prenten in: A.W. Sijthoff en J. Schuitemaker[9] uit Purmerend, een uitgever die Sijthoff beschouwde als voorbeeld én als grootste concurrent.[10] Als koopman-idealist was Sijthoff het volledig eens met 't Nut dat er veel ‘de Oud-Nederlandsche taal en zeden bedervenden [prenten]’ op de markt waren, waartegen een dam moest worden opgeworpen. In zijn aanbiedingsbrief bij de ingezonden prenten schrijft hij: ‘Wil men [behalve] de Belgische, helaas ook de inlandsche prenten verdringen, dan moet men goedkoope prenten […] leveren […] om waarlijk de slechte prenten uit te roeijen’. Hiervoor was veel geld nodig, waarvan Sijthoff ook nog een berekening gaf.[11] Hij zag zijn inzending van een tiental Prenten tot Nut van het Algemeen bekroond en wist zich nu verzekerd van de medewerking van 't Nut om op grote schaal de prenten te verspreiden.[12] Met een  advertentie in het Nieuwsblad voor de Boekhandel liet hij weten dat zijn prenten waren bekroond, dat twaalf prenten gereed waren voor de verkoop en dat de serie tot vierentwintig prenten zou worden uitgebreid.[13] 

 

Om te beginnen moest Sijthoff nogal wat investeren in deze onderneming. Alle leden van 't Nut kregen een serie bekroonde prenten die de uitgever in principe gratis ter beschikking moest stellen. Op voorschrift van 't Nut werd de eerste serie van tien prenten voor de leden gebundeld in een omslag, waarop doel en herkomst van de prenten was aangegeven.[14] Het ging daarbij niet om kinderachtige aantallen: 't Nut telde ongeveer 15.000 leden, zodat Sijthoff niet minder dan 150.000 prenten met een handelswaarde van ƒ1500,- weggaf. 't Nut kwam Sijthoff in deze kosten enigszins tegemoet doordat het de uitgever, behalve de prijs van ƒ300,-  nog eens ƒ500,- betaalde.[15] De departementen van 't Nut en de boekhandel verspreidden de Prenten tot Nut van het Algemeen als losse prenten, maar ook met achttien exemplaren gebundeld in het Prentenboek tot Nut van het algemeen.[16] De Nutsprenten werden in zes varianten op de markt gebracht: gedrukt op drie verschillende soorten papier en iedere soort dan nog gekleurd en ongekleurd. De duurste prentsoort kostte gekleurd bijna acht maal zoveel als de goedkoopste ongekleurd.

 

Nu bleek 't Nut nog niet in alle opzichten tevreden met de prenten. Toen Sijthoff de serie ging herdrukken, wilde 't Nut dat de prenten werden aangepast.[17]  Het hoofdbestuur van 't Nut vond in de eerste, bekroonde serie prenten te veel onderwerpen ‘…. volstrekt ongeschikt voor dragelijke onderschriften’. Het wilde een selectie uit de onderwerpen, zelfs als daarbij minder dan tien prenten overbleven en het voorstel van Sijthoff voor een uitbreiding met  acht of tien prenten werd van tafel geveegd. J. Brester, de gecommiteerde voor de schoolprenten van 't Nut, liet Sijthoff weten dat ‘… het predikaat Bekroond ...enz. hieraan niet kan worden verleend […] de serie is te planloos, als door het toeval geredigeerd’.[18] De samenwerking tussen Sijthoff en 't Nut verliep steeds stroever. Bovendien was Sijthoff teleurgesteld dat 't Nut hem geen drukopdrachten voor schoolboeken gunde.[19] Sijthoff wilde aanvankelijk een serie uitgeven van 48 prenten, die later werd teruggebracht tot 24. De serie Prenten tot Nut van het Algemeen bleef echter op twintig prenten steken. De jonge, ambitieuze en succesvolle uitgever kon zich tenslotte niet meer voegen in de trage en bevoogdende werkwijze van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen [20] en zocht andere wegen om de nog lucratieve markt voor kinderprenten te bedienen.

 

Sijthoffs Prentenboek

Kort na de oprichting van zijn bedrijf stichtte Sijthoff een houtgraveerschool, waarvoor hij de begaafde graveur R.J. van Arum als directeur aantrok. Zo kon hij zijn publicaties snel en tegen lage kosten voorzien van illustraties. Toch was het illustreren met houtgravures duur.  Het ontwerp, de redactie, het palmhout en het graveren van één Nutsprent kostte bijna honderd gulden. Uitgevers probeerden dan ook hun blokken voor meer dan één uitgave te gebruiken. Kinderprenten bleken daarvoor heel geschikt: een serie aardige plaatjes, wat regels tekst of een versje eronder, dit afdrukken op goedkoop papier, eventueel nog wat kleur aanbrengen en zo was er weer een centsprent klaar voor jonge, weinig kritische kopers.

 

Terwijl hij nog bezig was met de wedstrijd van 't Nut nam Sijthoff duizenden houtblokken van zijn leermeester de uitgever Fuhri over voor veertig cent per stuk.[21] Het is niet moeilijk voor te stellen dat Sijthoffs vingers jeukten om met Fuhri’s blokken een serie kinderprenten te gaan drukken. Het samenstellen van een prent met twaalf afbeeldingen kostte met deze blokken nog geen vijf gulden. Toen het Sijthoff duidelijk werd dat pas in augustus 1854 de winnaar van de wedstrijd bekend zou worden, begon hij in februari van dat jaar[22] met het drukken van een serie van 24 prenten op het papier dat, heel voortvarend, voor de Nutsprenten was ingekocht. De prenten die bekend staan als Sijthoff’s Prentenboek[23], zijn niet genummerd en hebben vaak een titel zoals Rijm-Prent Allerlei of het merkwaardige Staalkaart van onze Natuurgenooten. De hoeveelheid tekst bij de afbeeldingen is wisselend: vaak een enkel woord als onderschrift; soms een uitgebreid gedicht of in het geheel geen tekst. De gravures zijn veelal anoniem, maar ook wel gesigneerd  door bekende kunstenaars, zoals R.J. van Arum, C. Rochussen, A. Cranendoncq en J. van Hove. Een aantal is terug te vinden in uitgaven van Fuhri.[24]

 

Het is opmerkelijk dat Sijthoff hiermee prenten in de handel bracht die qua vorm en inhoud niet beter waren dan de  prenten die hij met 't Nut wilde uitroeien. De afbeeldingen vertonen weinig samenhang en de teksten zijn zelden informatief of humoristisch. Waarschijnlijk vonden kinderen dit soort prenten, ook wel ‘macedoines’ genaamd, aardig om te kleuren, de plaatjes uit te knippen en er hun eigen plakboeken mee samen te stellen. Deze eerste uitgave beliep 4000 stel, of bijna 100.000 prenten en de verkoop pakte Sijthoff voortvarend aan.  In het voorjaar stuurde hij verkoper Faber op pad om de kinderprenten aan boekhandelaren te verkopen.[25]  Acht maanden later had Faber al 2600 stel prenten verkocht; gekleurd of ongekleurd, als losse prenten of gebundeld in Het grootste prentenboek.[26] Met de aflevering van de Nutsprenten was Sijthoff toen net begonnen.

 

Een nieuwe serie prenten

Het grote offensief offensief met Nutsprenten, waardoor de slechte prenten zouden worden ‘uitgeroeid’, kwam niet van de grond. Wellicht met de gedachte ‘if you can’t beat them, join them’ kwam Sijthoff in 1857 met de Nieuwe Hollandsche Kinderprenten. Het was een serie van achtenveertig bladen; weinig samenhangend, traditioneel en strak ingedeeld met zes tot twintig afbeeldingen, die vergezeld gingen van een rijmpje, vermoedelijk van de hand van J. Schenkman.[27] Ook voor deze serie putte Sijthoff uit de ruime voorraad eerder gebruikte gravures. Zo zijn er drie prenten over Robinson Crusoë geheel geïllustreerd met gravures van Fuhri. Men treft er veel titelloze prenten aan met allerlei voorwerpen, taferelen en personages die soms de wonderlijkste combinaties van afbeeldingen opleveren. Er zijn prenten met afbeeldingen van beroemde personen, bekende gebouwen en onderwerpen uit het Oude Testament. Op enkele prenten over ambachten en beroepen komen we afbeeldingen tegen die ook op de Nutsprenten stonden. Helaas kennen we van deze serie geen oplagecijfers. Dat in geen enkele openbare verzameling van centsprenten een volledige reeks voorhanden is, doet vermoeden dat het succes niet erg groot was.

 

De kinderprent wordt schoolplaat

A.W. Sijthof was al sinds 1850 lid van het departement Leiden van 't Nut.[28] Daardoor bleef hij goed op de hoogte wat zich bij 't Nut afspeelde. Het departement Vlissingen deed op de algemene vergadering van 1856 het voorstel om een serie bijbelprenten voor schoolgebruik uit te geven. Dat het voorstel van Vlissingen werd afgestemd en het hoofdbestuur van 't Nut haar goedkeuring niet aan zulke prenten wilde geven, verhinderde Sijthoff  niet zo’n serie uit te geven en deze als schoolplaten aan dat departement  aan te bieden. Nu had het departement Vlissingen voor haar scholen al Duitse bijbelprenten aangeschaft en berichtte Sijthoff dat deze de ongevraagd toegezonden prenten bij de secretaris van het departement kon afhalen.[29] Het is onwaarschijnlijk  dat  Sijthoff hiervoor naar Vlissingen reisde.

Hij liet zich hierdoor ook niet ontmoedigen en vond de Nederlandsche Protestantenbond bereid de prenten te gebruiken voor catechisatie en op de zondagsscholen. De Leidse predikant W.A. Elberts gaf een getuigschrift af voor de correctheid van de prenten, die werden uitgegeven als Bijbelsche Historieplaaten ten dienste van het Onderwijs op Catechisatiën en Zondagsscholen.[30] Ondanks alle inspanningen werd de serie geen succes. Met de uitgave zette Sijthoff echter  in Nederland een nieuwe trend: die van de schoolplaten. In het  aanschouwelijk onderwijs ging men prenten, vaak op groot formaat, gebruiken.  Ook 't Nut is deze weg ingeslagen.[31] Dergelijke schoolplaten, waartoe ook de  bijbelplaten van H.J. Lummel en de schoolplaten van Cornelis Jetses en anderen behoren, rekent men niet tot de kinderprenten.

  

Prentenboeken: de spin-off van de kinderprenten

Vóór Sijthoff begon met het uitgeven van kinderprenten had hij de markt verkend. Via de boekhandelaar Van Kesteren, zijn agent in Amsterdam, vroeg hij bij enkele prentuitgevers de prijzen op. Van Schuitemaker uit Purmerend  nam Sijthoff het productmodel over. Dit kwam er op neer dat naast de kinderprenten ook prentenboeken en een magazijn of tijdschrift werd uitgegeven. Daarnaast had Sijthoff nog plannen voor een almanak. In al deze geïllustreerde uitgaven konden de houtblokken opnieuw worden gebruikt.

 

Hierboven werd al het Grootste Prentenboek genoemd, dat een bundeling was van de eerste serie van 24 prenten.[32] De hierin gebruikte houtgravures vindt men terug in een  aantal andere uitgaven voor kinderen, o.a. in twee linnen prentenboekjes, beide onder de titel Nieuw Linnen Prentenboek. Ook de serie Sijthoff’s Prentenboek van 10 stukjes in een klein kwartoformaat, met namen als De Bel en De Spiegel, was grotendeels met Fuhri’s houtblokken gedrukt. Twintig jaar na de uitgave van de kinderprenten verscheen Het nieuwste prentenboek dat, op een wat kleiner formaat en met hier en daar afwijkende houtgravures, een  tamelijk getrouwe kopie vormt van de prenten uit de serie Sijthoff’s prentenboek.

Het Prentenboek tot Nut van het Algemeen , de bundeling van de eerste achttien Nutsprenten, verscheen in een oplage van enige duizenden. Sijthoff kreeg van 't Nut 15 cent subsidie voor alle exemplaren die in de eerste zes weken werden verkocht. Hij kon deze aan de handel aanbieden voor 30 cent in plaats van 45 cent, terwijl de vaste verkoopprijs aan particulieren 60 cent bedroeg. Merkwaardig is dat de subsidie van 't Nut de prijs voor de particulier niet verlaagde, maar de winst voor de handelaar verdubbelde.

 

Vier boekjes met als titel Het leven in de wereld bevatten een verzameling ambachten, beroepen en bedrijven, waarin de gravures van de overeenkomstige Nutsprenten zijn voorzien van een gedichtje en daarbij nog een uitgebreide beschrijving. Het zijn uitgaven in de geest van een prentmagazijn, waarvoor Sijthoff kennelijk niet voldoende belangstelling kon opwekken om de serie voort te zetten.  Onder de titel Prentenboek voor Jongens en Meisjes  volgde nog een serie van dertig kleine boekjes, waarvan de illustraties voor een deel dezelfde zijn als van de Nutsprenten.

Waar Fuhri en ook Schuitemaker erin slaagden door een goede redactie van de teksten in de prentenboeken, illustraties en verhaal tot een coherent, leesbaar en tamelijk interessant geheel te maken, hangen Sijthoffs prentenboeken veelal als los zand aan elkaar.

 

Een prent kost een cent.

Van oudsher waren de kinderprenten goedkope drukwerken, waarvan de prijs voor vele generaties kinderen ongeveer gelijk bleef: één cent of het equivalent daarvan. Dat gold tenminste voor de prent in de eenvoudigste uitvoering: dus ongekleurd en op het goedkoopste papier gedrukt. Was de prent gekleurd, grof met hier en daar een kleurvlek of keurig met een sjabloon en gedrukt op beter papier dan was de prijs hoger en kon deze tot een dubbeltje oplopen. Het overgrote deel van de los verkochte  prenten was van de eenvoudigste soort, op het goedkoopste papier gedrukt en ongekleurd of slordig gekleurd.[33]

Sijthoff was aanvankelijk van plan de Nutsprenten in twee soorten uit te geven. De eerste soort werd door de departementen van 't Nut verspreid. Deze werden op goedkoop papier van zes gulden per riem[34] gedrukt en bleven ongekleurd. Daarnaast zou een gekleurde uitgave verschijnen op beter, dus duurder, papier.

De kosten voor een reeks van 48 prenten in een oplage van 50.000 stuks – in totaal dus bijna tweeëneenhalf miljoen prenten – bedroegen bijna ƒ14.000,-; de opbrengst ƒ15.000,-. De winst was dus gering en rekening houdend met de gratis prenten voor de leden van 't Nut zou op de onderneming flink verlies worden geleden.

 

Sijthoff had echter bij het ontwikkelen van de reeks Nutsprenten zijn doel al veel verder gesteld. De kostbare investering in de Nutsprenten  kon op vier manieren winst opleveren. Daarmee kwam hij in zijn calculatie tot het verbluffende winstcijfer  van bijna ƒ25.000,-.[35]

De betere prenten, gekleurd en op goed papier en buiten de Nutskanalen om verspreid in een oplage van 20.000 stel, zou bijna ƒ6000,- opleveren. Als deze tegelijk met de prenten voor 't Nut werden gedrukt, telden alleen nog papier, inkt en drukloon als kosten. Daarbij kwam het prentmagazijn dat Sijthoff in navolging van Schuitemaker[36] wilde uitgeven voor de meer ontwikkelde jeugd als een week- of maandblad met informatieve teksten en  geïllustreerd met dezelfde houtgravures. Sijthoff rekende erop dat de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen voor de leden een groot aantal abonnementen - 8000! -  zou gaan afnemen. Tot slot was er het plan om een almanak voor 't Nut uit te geven, waarbij uiteraard weer van de houtblokken gebruik zou worden gemaakt.[37] Vooral de risicoloze uitgaven voor 't Nut moesten winst opleveren en wel ƒ15.000,-. Het is anders gelopen. Behalve de kleine serie Prenten tot Nut van ’t Algemeen zijn deze uitgaven voor 't Nut er nooit gekomen.

 

Sijthoff als verzamelaar

De  belangstelling van Sijthoff voor kinderprenten betrof niet alleen het uitgeven; hij was ook aktief als verzamelaar van volks- en kinderprenten. Eigentijdse prenten van Nederlandse uitgevers waren in die tijd gewoon te koop en via zijn netwerk van relaties in België, Frankrijk en Duitsland kreeg hij ongetwijfeld veel prenten die daar op de markt kwamen. Om de oudere uitgaven te bemachtigen was hij net als de huidige verzamelaars aangewezen op openbare verkopingen, zoals bijvoorbeeld die van de kinderboeken- en prentenverzamelaar G. van Rijn in 1884.  Ook door middel van advertenties probeerde hij zijn verzameling uit te breiden. Zo plaatste hij in het Nieuwsblad voor de Boekhandel de volgende advertentie: [38]

 

CENTS – KINDERPRENTEN.

Ik verzamel oude KINDERPRENTEN.

Mocht soms een der Confraters mij voor geld en goede

woorden wat kunnen afstaan, dan zal mij dat aangenaam zijn.

Leiden, 22 Jan. 1889     A.W. Sijthoff

 

Of deze advertentie Sijthoff veel prenten heeft opgeleverd, weten we niet. Een overzicht van zijn verzameling dat hij zes jaar later publiceerde, telt al meer dan 7000 prenten.[39] Bijna driekwart hiervan zijn prenten van  Belgische, Duitse of Franse herkomst. Slechts een klein deel  betreft Nederlandse prenten uitgegeven voor 1800. Ook toen was het dus al moeilijk deze fraaie, naïeve centsprenten te bemachtigen. Sijthoff was één van de eersten die het belang van deze prenten inzag. Hij was de eerste verzamelaar van  kinderprenten in Nederland en wellicht de enige die ook de eigentijdse uitgaven uit binnen- en buitenland waardeerde en verzamelde. Het is overigens merkwaardig dat Sijthoff niet alle door hem uitgegeven kinderprenten in zijn verzameling had.[40]

 

Met zijn verzameling kinderprenten stond Sijthoff ook een doel voor ogen: het uitgeven van een prachtwerk over centsprenten.[41] Het is nooit tot deze uitgave gekomen. Mogelijk omdat de verschijning in 1910 van het eerste standaardwerk op het gebied van de volks- en kinderprenten door Van Heurck en Boekenoogen zijn plannen doorkruiste.[42] Het kan ook zijn dat Sijthoff, die al jarenlang een slechte gezondheid had, zijn einde voelde naderen. In december 1912 veilde Van Stockum’s Antiquariaat in Den Haag zijn verzameling. Uit de catalogus blijkt dat Sijthoff 9635 kinderprenten had verzameld, waarbij dubbele exemplaren niet zijn meegeteld.[43] De ca. 2200 Nederlandse prenten werden  op deze veiling gekocht door de Amsterdamse veilinghouder en antiquaar  Bom[44] voor ƒ800,-.[45] F.G. Waller was een  relatie van Bom[46], zodat het aannemelijk is dat Sijthoff mede heeft bijgedragen aan de vorming van de grootste centsprentenverzameling in Nederland: de collectie Waller, thans in het Rijksprentenkabinet. A.W. Sijthoff overleed een half jaar later op 83-jarige leeftijd.

                                                      _______________ 

 

Gebruik is gemaakt van materiaal uit de volgende archieven:                          aanduiding:

1.       Gemeentearchief Amsterdam

2.       Gemeentearchief Leiden

3.       Universiteitsbibliotheek Leiden

4.       Archiefdienst Kennemerland Haarlem

5.       Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels

6.       Veen Uitgeversgroep te Utrecht

Nutsarchief

Nutsarchief

Sijthoffarchief

Atlas

Mappen Prospecti en Personalia

 

Sijthoff-archief

GAA 211. stuknummer

GAL Nut. stuknummer

UBL Syt. jaar. stuknummer

ADK. stuknummer

BibVer PPA.mapnr.stuknr.

 

 

Veen

 

 

 

 

 


[1] In 1851 drukte Sijthoff zijn eerste kinderboek voor de Leidse uitgevers Schreuder en Van Baak: Waar de liefde woont, gebiedt de heer den zegen door H.J. Brill, met zes handgekleurde steendrukken.

[2] Gulden boekske voor lieve kleinen, Leiden, Directie der Houtgraveerschool (=Sijthoff), (1853). Het prospectus vermeldde: ‘6 vel, klein 8vo, prijs f 1,25, pp f 1,80; uitgave van de Leidsche Houtgraveerschool, gedrukt met gulden hoofdletter en lijnen, allegorische groenen rand en versierd met vignetten. Band Gebr. Van den Heuvel, ’s Hage; donkerbruin stempel en verguld op snede. wg A.W. Sijthoff, directeur der houtgraveerschool’ (Bib Ver PPA zonder nummer, oktober 1853).

[3] Een overzicht van de Sijthoff-uitgaven van 1851 tot 1951 is te vinden in het jubileumboek van de uitgeverij: [S.G. van Looy],  A.W. Sijthoffs uitgeversmaatschappij N.V. Leiden 1851 – 1951, Leiden, 1950.

[4] De kinderprenten in houtgravure of lithografie gedrukt op machinaal vervaardigd houthoudend papier uit de zg. industriële periode, ruwweg na 1850, ondervinden weinig belangstelling van verzamelaars en onderzoekers. Maurits de Meyer, De volks- en kinderprent in de Nederlanden, Amsterdam/Antwerpen, De Standaard, 1962,  vermeldt de prentseries van Sijthoff, maar somt alleen van de prenten van de Nutsserie de titel en het aantal afbeeldingen op. De beide andere series karakteriseert hij kort.

[5] Sijthoff in een circulaire van juli 1855 aan collega-drukkers: de gewone pers haalt 2.500 vel per dag; de snelpers bereikt 10.000 vel per dag. De extra arbeidskosten waren beperkt: slechts 20 cent per dag voor twee kinderen (!) , op een totaal van ƒ 1,90 aan drukloon per dag (BibVer PPA 523.3).

[6] Onder traditionele kinderprenten wordt verstaan prenten van houtblokken gedrukt op de handpers.

[7] De eerste bemoeienis van 't Nut met de kinderprenten dateert van 1798. Er werd een Commissie voor de Schoolprenten geïnstalleerd die in de eerste decennia van de negentiende eeuw door verschillende uitgevers een vijftigtal kinderprenten liet uitgeven.

[8] De deelname was aan strikte regels onderworpen, die waren vastgelegd in het Programma Schoolprenten en moest anoniem gebeuren (GAL-Nutsarchief 72/1). Een verzegeld naambriefje van de uitgever met daarop een spreuk verbond bij bekroning de naam van de uitgever met de inzending voorzien van dezelfde spreuk. Van niet-bekroonde inzendingen zou het naambriefje worden vernietigd, waardoor de anonimiteit van verliezers gewaarborgd bleef. Sijthoffs inzending ging vergezeld van de spreuk:  ‘Prenten tot Nut van het Algemeen’.

[9] Ook Schuitemakers inzending was anoniem onder de spreuk ‘Groote zaken hebben doorgaans een trage geboorte’ (GAL Nut 72/3). Uit de notulen van de bestuursvergadering van 't Nut op 5 februari 1856 blijkt echter dat Schuitemaker zijn monsters terug vraagt ‘…vroeger bij prijsdinging ingezonden’. Hierdoor werd Schuitemaker mij als tweede inzender bekend (GAA211.28). Het is merkwaardig dat  Schuitemakers prenten niet bekroond werden. Deze prenten lijken qua vorm en inhoud beter in 't Nutsstreven te passen dan Sijthoffs prenten. Mogelijk wilde 't Nut geheel nieuwe prenten en viel Schuitemaker buiten de prijzen, omdat hij putte uit zijn bestaande prentfonds dat toen met 192 prenten compleet was. Overigens gebruikte Sijthoff ook oude blokken voor het samenstellen van zijn Nutsprenten.

[10] Bij een prijscalculatie, die Sijthoff vóór het uitgeven van kinderprenten maakte, gebruikte hij de uitgaven van Schuitemaker als voorbeeld (UBL Syt 1853.39).

[11] UBL Syt 1853.22.

[12] De Handelingen van de Algemene Vergadering van 't Nut in augustus 1854 vermeldde dat ‘de inzending onder de spreuk ‘[Prenten] Tot Nut van het Algemeen’ de best gekeurde verzameling kinderprenten [was]’. De naam van de inzender, A.W. Sijthoff te Leiden, werd op deze vergadering bekend gemaakt (GAL Nut 72/3 p. 5).

[13] Nieuwsblad voor de Boekhandel 15 oktober 1854.

[14] Prentenboek uitgegeven door de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen, z.pl., Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, (1854).

[15] In oktober 1854 berichtte de secretaris van 't Nut, Van Hees ‘dat de beschikbare som van ƒ 500,- te bedoelden einde U zal worden toegekend’ (GAA 211.531 p 348). Omdat dit geld kennelijk voor bepaalde, niet nader omschreven uitgaven was bestemd, neem ik aan dat hierin niet de prijs van ƒ300,- is begrepen.

[16] Prentenboek tot Nut van het algemeen, verzameling van ruim honderd houtgravuren van allerlei aard met bijschriften, Leiden, A.W. Sythoff, (1855). De twee mij bekende exemplaren van dit boek bevatten slechts 17 prenten. De prent met nummer 12 over nieuwe uitvindingen met o.a een grote afbeelding van een stoomlocomotief met tender ontbreekt. Ook prent 19 en 20 ontbreken hierin, mogelijk waren deze nog niet in de handel. In 1857 adverteert Sijthoff nog voor slechts 18 Nutsprenten (Nieuwsblad voor de Boekhandel  9 juli 1857).

[17] Blijkens de notulen van een bestuursvergadering in 1856 worden de departementen opgeroepen voor de herdruk van de prenten voorstellen tot wijziging in te dienen bij J. Brester, gecommiteerde voor de schoolprenten  van 't Nut (GAA 211.28 p 321).

[18] Brester in een brief aan Sijthoff. Brester stelt hierin ook nog voor dat Charles Rochussen de tekeningen zal maken en de teksten kunnen dan worden ontleend aan de Kindergedichten van J.P. Heije. Heije, hoofdbestuurslid van 't Nut, had Sijthoffs prenten overigens afgekeurd (UBL Syt 1857.58).

[19] Sijthoff heeft 't Nut kennelijk rechtstreeks om drukopdrachten gevraagd. Van Hees, algemeen secretaris van 't Nut, bericht Sijthoff  op 25-1-1855 dat er voorlopig voor (school)boeken geen drukopdrachten te verwachten zijn. In dezelfde brief raadt Van Hees af de serie Nutsprenten nog vóór augustus tot 24 uit te breiden (UBL Syt 1855.93).

[20] In een brief van 3-8-1857 schrijft Van Hees: ‘…indien de band der Maatschappij (de onderwerping van de drukproeven aan haar oordeel) voor uwe onderneming als uitgever te belemmerend mogt worden bevonden, gij loslating daarvan officieel van het Hoofdbestuur behoort te verzoeken. Of dit echter in uw wezenlijk belang zou zijn, meen ik in twijfel te trekken.’ (UBL Syt 1857.73).

[21] R. van der Meulen, Een veertigjarige uitgeversloopbaan, Amsterdam, P.N. van Kampen, 1891, p. 37.

[22] In zijn (anonieme) aanbiedingsbrief Een woordje van toelichting vraagt Sijthoff ‘minzaam […] om eene beoordeling voor den 15den Februarij a.s. en wel om voor den inzender hoogst gewigtige redenen, die hij nu niet vermag mede te deelen, maar hem zouden verpligten de anonymiteit op te heffen ten nadeele dezer inzending’ (UBL Syt 1853.22). De ‘gewigtige redenen’ zijn vermoedelijk Sijthoffs haast om de kinderprentenmarkt op te gaan, waarvoor het papier al klaar ligt en productiecapaciteit is vrijgehouden. In het voorjaar gaat Faber al op pad met de prenten.

[23] Deze benaming is ontleend aan Maurits de Meyer en slaat op enkele prentenboekjes met die naam, die met dezelfde houtblokken gedrukt werden (De Meyer, op. cit. (noot 4) p.311).

[24] Onder andere in: W.J.van Zeggelen en A. Ising, Nieuw Nederlandsch prentenboek, ’s- Gravenhage, K. Fuhri, 1848.

[25] Verkoper Faber in een brief aan Sijthoff: ‘ofschoon wij de 4000 exemplaren allen, of stellig voor het grootste gedeelte zullen opruimen (sic), blijven de prentenboeken van dhr. Schuitemaker uit Purmerende -één van de lastigen concurrenten- en omdat deze allen zwart zijn is een reden te meer om de gekleurde van Ued. te blijven aanbieden’ (UBL Syt 1856.37).

[26] Het grootste prentenboek, verzameling van meer dan 200 houtgravuren van allerlei aard; met opschriften, bijschriften en rijmen voor kinderen van alle lengte en dikte en ook voor –geen kinderen – meer, Leiden, A.W. Sythoff, (1854).

[27] J. Schenkman verklaart zich in een brief aan Sijthoff bereid om teksten bij de platen te maken: ‘wat de geest aangaat; dit hangt grootendeels van de prenten zelve af en overigens is het mij onverschillig of Ued. die op hoogst ernstige toon of wel op meer luimige wijze wilt hebben vervaardigd.’ (UBL Syt 1856.90).

[28] Uit de naamlijst van leden van 't Nut blijkt dat A.W. Sijthoff in 1850 als lid van 't Nut is ingeschreven. Hij is nooit uitgeschreven, zodat kan worden aangenomen dat hij tot zijn dood lid is gebleven (GAL Nutsarchief nr 2).

[29] Brief van 't Nutsdepartement Vlissingen aan Sijthoff waarin het departement verklaart geen oordeel te willen geven over de Bijbelsche Plaaten, omdat het voorstel op de Algemene Vergadering van 't Nut is afgestemd (UBL Syt 1857.49).

[30] W.A. Elbers, predikant te Leiden, verklaart in een brief van 24-8-1857 aan Sijthoff, dat de prenten ‘met zorg en naauwlettendheid zijn uitgekozen en zich door de netheid van uitvoering gunstig onderscheiden bij hetgeen het buitenland tot dusverre (…) heeft opgeleverd’. (UBL Syt 1857.156).

[31] In 1860 houdt 't Nut zich bezig met de ontwikkeling van een serie van 20 schoolplaten met een leerlingenboek en een onderwijzershandleiding voor het landbouwonderwijs (GAA 211.198).

[32] Dit prentenboek verkocht Sijthoff gekleurd voor 45 cent en ongekleurd voor 26 cent aan de handelaren, de particuliere prijs bedroeg 60, resp. 35 cent.

[33] De verkoop van gekleurde prenten was voor de uitgever en de handelaar veel lucratiever dan van ‘zwarte prenten’. Gekleurde prenten waren tenminste een halve cent duurder. De kleurkosten bedroegen voor Sijthoff per riem slechts ƒ 0,50 of ca. 0,1 cent per prent.

[34] Een riem papier was vanouds 480 vel of 20 boek van 24 vel. Uit één riem papier verkreeg men door versnijden 4 riem prenten van het centsprentenformaat.Vanaf ongeveer 1850 wordt ook wel gerekend met 500 vel in een riem.

[35] Nadat Van Arum Sijthoff had aangeraden aan de prijsvraag van 't Nut deel te nemen, stelde Sijthoff een begroting op die door Van Arum werd gecontroleerd en van commentaar voorzien. In deze begroting worden oplagen, kosten en baten van al deze uitgaven op een rij gezet (UBL Syt 1852.93 en 1853.39).

[36] Schuitemaker benutte zijn houtgravures door naast de losse prenten deze ook in bundels van gelijksoortige prenten uit te geven in de reeks Groot en Goed. Verder werden de gravures benut  voor periodieke uitgaven in kwarto onder de titel Prenten-magazijn voor de Jeugd door G. van Sandwijk. Bij de gravures werd nog heel wat toepasselijke tekst gevoegd, waardoor er een leesbaar en informatief geheel onstond.

[37] Samen met uitgever Kruseman heeft Sijthoff van 1855 tot 1865 de Geïllustreerde Almanak uitgegeven. Het had de almanak voor de leden van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen moeten worden. 't Nut is hierop echter niet ingegaan (Van der Meulen, op. cit. (noot 21), p. 57).

[38] Nieuwsblad voor de Boekhandel 22 januari 1889, p. 38.

[39] Kinderprenten in het bezit van A..W. Sijthoff te Leiden, Leiden, 1895.

[40] Verzamelaar C. van Veen in een interview in de Haagsche Courant van 18-9-1971.

[41]  Van der Meulen, op. cit. (noot 21),  p. 156.

[42] E.H. van Heurck en G.J. Boekenoogen, Histoire de l’Imagerie populaire flamande et de ses rapports avec les imageries étrangères, Brussel, G. van Oest & Cie, 1910.

[43] Catalogue d’une belle collection d’estampes […] Collection A.W.S.…Leide, Den Haag, Van Stockum, 1912.

[44] Nieuwsblad voor de Boekhandel 20-12-1912. Het bericht vermeldde uitgever G.Theod. Bom als koper. Waarschijnlijker is dat de antiquaar H.G. Bom de prenten kocht.

[45] De collectie bevatte slechts ca. 150 prenten van vóór 1800 en meer dan duizend prenten uit de  industriële periode. Het bedrag van 800 gulden was hiervoor bijzonder hoog.

[46] De antiquaar H.G. Bom kocht op een veiling in 1906 voor Waller een groot aantal centsprenten uit de verzameling De Vicq-Carbasius.

© 2001-2010 A.G.J.M. Borms. Bijgewerkt op 22 December 2009.

Overname, copiëren en downloaden voor niet-commercieel gebruik van teksten en afbeeldingen is toegestaan onder vermelding van bron SGKJ/AGJMBorms. Contact centsprenten@xs4all.nl.