Nicolas Pellerin (1703-1773) vestigde zich omstreeks 1735 in Epinal als fabrikant en handelaar in speelkaarten. Na de dood van Nicolas zetten zijn 17-jarige zoon Jean-Charles (1756-1836), die een opleiding als horlogemaker had genoten, met zijn moeder de handel in boeken en de drukkerij van speelkaarten voort. Daarnaast was hij tot na 1789 ook horlogemaker en wijnhandelaar. De firma Pellerin geniet vooral bekendheid vanwege zijn prenten, maar was ook een belangrijke drukker van allerhande populaire lectuur, waaronder almanakken, catechismussen, volksverhalen, stichtelijke boekjes en liedbundels. Pellerin publiceerde ook een enorm aantal kinderboekjes voor wat we nu de onderkant van de markt noemen; goedkope drukwerkjes met meestal veel gekleurde illustraties en weinig tekst. De drukkerij en fabriek van speelkaarten groeiden voorspoedig en in 1815 waren er al 150 mensen in dienst. [1] De censuur op drukwerk functioneerde de eerste helft van de 19e eeuw in Frankrijk krachtig en de wisselingen in regimes bezorgden drukkers heel wat problemen. Voor de publicatie van alle drukwerk, dus ook prenten, was voorafgaande toestemming van de prefect nodig. De productie van een nieuwe prent was duur, vooral door de kosten voor het graveren van de drukblokken en een afgekeurde prent betekende dan ook een forse schadepost. Fabrikanten van kinderprenten bleven bij de keuze van hun onderwerpen dan ook meestal aan de veilige kant. Jean-Charles heeft botsingen met de censuur niet kunnen vermijden. Enkele prenten, waaronder één van de hoorndrager werden verboden. [2] Vermakelijk is de aanpassing die werd geëist in een prent van de Wandelende Jood. Deze legendarische jood zou volgens de tekst op de prent gezien zijn in St. Dié, dus in de Vogezen. De prefect wilde niet dat zijn district door deze vermelding deel werd van de legende en dwong Pellerin de tekst aan te passen met de woorden: ‘Hij mag overal hebben gelopen, maar niet in mijn district’. Ernstiger was de beschuldiging dat Pellerin na de val van het keizerrijk en het herstel van het koninkrijk onder Lodewijk XVIII nog prenten verkocht die de Napoleontische periode verheerlijkten. Aanvankelijk veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, een hoge boete en de proceskosten, kreeg Pellerin uiteindelijk gratie van de koning.
Omstreeks 1800 begon Jean-Charles Pellerin met het drukken van centsprenten waarvoor hij zelf de houtblokken had gesneden. [3] Gezien de snelle ontwikkeling van het prentfonds werkten al spoedig ook andere graveurs voor hem. Op Pellerins prenten worden signaturen aangetroffen van vader en zoon Canivet, V. Roy, M. Vernoeil en C. Boulay; later ook die van F. Georgin, J.-B. Tiébault en A. Reveillé. Een catalogus uit 1814 vermeldde al meer dan 164 prenten, daarbij waren bijna honderd prenten met afbeeldingen van heiligen en bijbelse onderwerpen. [4] De overige betroffen afbeeldingen van de keizerlijke familie en andere vorsten en miltaire onderwerpen, naast een klein aantal verhalen en sprookjes. In 1822 telde fonds 221 prenten, die tot de eerste periode worden gerekend. In dat jaar verkocht Jean-Charles het bedrijf aan zijn zoon Nicolas en zijn schoonzoon Pierre-Germain Vadet.
Met het terugtreden van Jean-Charles begon de tweede periode (1822-1850) die zich kenmerkte door uitbreiding en bloei van het bedrijf. Vanaf ongeveer 1837 werden de prenten op machinaal vervaardigd papier gedrukt. De prenten waren nog steeds in houtsnede, maar verfijnder en met meer vakmanschap gesneden. Het was ook de periode waarin prenten op groot formaat papier van ca. 50x35 cm. werden gedrukt. Verheerlijking van het keizerrijk was weer toegestaan en de graveurs Reveillé, Georgin en Thiébault drukten een zwaar Napoleontisch stempel op het prentfonds van Pellerin. Nieuws- en sensatieprenten werden in grote getale gedrukt. Deze handelden over overstromingen en andere rampen, gruwelijke moorden en de berechting daarvan, maar soms ook gefantaseerde gebeurtenissen die (n)ergens ter wereld hadden plaats gevonden. Deze bladen bestonden uit een grove houtsnede en veel tekst waarin het gebeurde uitvoerig beschreven werd. Voor deze uitgaven werd niet altijd de vereiste toestemming gevraagd en dat bracht Pellerin opnieuw in conflict met de overheid. Dit resulteerde in 1823 in een veroordeling tot een boete van 300 francs en 6 francs 70 centimes voor de proceskosten.
Vanaf 1847 werkte Charles Pinot als vaste tekenaar voor Pellerin, wat een vernieuwing van het prentfonds inluidde. Zijn prenten waren realistischer van tekening, maar soms ook karikaturaal. Inhoudelijk kregen ze het karakter van kinderprenten en veel verhalende prenten zagen het licht. In totaal werden door Pellerin bijna 2000 verschillende prenten in houtsnede op de markt gebracht. [5]
Pas na 1850 werd de lithografie ingevoerd en begon de derde periode, waarin Pellerin als fabriek van kinderprenten opereerde. Pinot die een beroepsopleiding in Parijs als tekenaar had genoten wist de mogelijkheden die de lithografie bood, zoals een vrijere en meer gedetailleerde tekening, goed te benutten. Doordat de tekenaar rechtstreeks op de lithosteen tekende werd de productie van nieuwe prenten enorm versneld. Tussen 1851 en 1869 publiceerde Pellerin 2154 nieuwe prenten. [6] Na een ruzie met zijn werkgever vertrok Charles Pinot in 1860 en begon een eigen prentenfabriek in Epinal waarmee hij zijn oude werkgever zwaar beconcurreerde. Na het overlijden van zijn opvolger Olivier, nam Pellerin in 1888 deze fabriek over, kort nadat bij een brand bijna alle houtblokken van voor 1814 verloren waren gegaan.
De prentproductie van de firma Pellerin was uitermate veelzijdig. Van papiertheaters tot encyclopedisch-informatieve prenten, van trekpoppen tot spelprenten, van constructieplaten tot doopprenten en van liedprenten tot rebussen; Pellerin drukte alle denkbare soorten. Hij drukte ook gebruiksgrafiek zoals doopbrieven, diploma’s, schriftomslagen en reclamedrukwerk. Een reclamebiljet voor de Singer naaimachine werd gedrukt in de enorme oplage van 500.000 exemplaren. [8] De oplage voor een nieuwe prent in houtsnede bedroeg 3 tot 4000 exemplaren. Door herdruk van prenten die goed verkochten beliep de oplage soms meer dan 15.000 exemplaren. [9]
Vanaf 1859 gebeurde het drukken in hoofdzaak van zinkcliché’s, die Pellerin van zijn oude en nieuwe prenten liet maken door de firma Gillot te Parijs. In dezelfde tijd kwam de eerste snelpers in bedrijf. Vanaf 1872 werden nieuwe prenten nog uitsluitend in lithografie gedrukt. De prenten van Pellerin vormden ook een inspiratiebron voor andere prentdrukkers, zoals Brepols die enkele prenten plagieerde. Op zijn beurt plagieerde Pellerin ook prenten, o.a. van Braun en Schneider te München. Naast de ca. 2000 prenten in houtsnede telde het prentfonds van Pellerin ruim 4800 prenten in lithografie. [10]
Vanaf ca. 1890 gaf Pellerin een prentreeks uit voor de Nederlandse markt. [11] Deze serie onder de naam Prentjesdruk van Epinal bestaat voor een groot deel uit prenten van Pinot en telt 132 genummerde prenten. Het zijn allemaal kinderprenten met een verhalend karakter: fabels van La Fontaine, sprookjes, fantastische en gedroomde verhalen enz. Deze prenten werden los, maar ook gebundeld in de handel gebracht. [12] Anders dan in België was in Nederland de belangstelling voor kinderprenten rond 1900 al sterk verminderd. Pellerins prenten hadden hier dan ook weinig succes en worden niet veel aangetroffen.
Pellerin was niet het oudste drukker van centsprenten in Frankrijk, maar wel het bedrijf met de langste adem in deze bedrijfstak. Vanaf ca. 1800 tot 1984 toen het bedrijf op de rand van het faillissement stond werden prenten en prentenboekjes gedrukt en gekleurd. Een reddingsoperatie van industriëlen, zakenlieden en de overheid maakte een doorstart als Ecomusée Pellerin mogelijk en tot op de dag van vandaag worden er prenten gedrukt. Daarbij gaat het vooral om herdruken van oude prenten. maar ook om prenten van eigentijdse kunstenaars die hiervoor opdracht krijgen. [13] De prenten gaan echter niet meer voor één of enkele centen van de hand.
Prenten bekijken
Voor de literatuurlijst klik hier. [1] Dumont 1956, p. 45. [2] In 1811 is een prent met een voorstelling van de hoorndrager, Le cornard volontaire ou le mari commode, afgekeurd wegens de indecente voorstelling en de allusie op overspel. De censuur hield ook een zekere willekeur in want in dezelfde periode bracht drukker Diot uit Beauvais met toestemming van de prefect een soortgelijke prent op de markt. (Dumont, op. cit., p. 47). [3] Pellerin is niet aantoonbaar vóór 1800 met het drukken van prenten begonnen, maar het is zeker niet uitgesloten. Pierre-Louis Duchartre en René Saulnier menen na 1800, Jean-Marie Dumont heeft aanwijzingen dat de eerste prenten van vóór 1800 dateren. (Duchartre 1925, p. 179 en Dumont 1956, p. 37). [4] Duchartre, 1925, pp. 180-182. [5] Garnier 1996, p. 11. [6] Lerch 1982, p. 91. [8] George 1996, p. 30. [9] Dumont, 1956., p. 43. [10] Garnier 1996, p. 12. [11] Eind 19e eeuw adverteren een aantal handelaren in het Nieuwsblad voor den Boekhandel voor ‘Fransche kinderprenten’. Pellerins prenten worden in advertenties nergens expliciet vermeld. |
|
© 2001-2010 A.G.J.M. Borms. Bijgewerkt op 19 December 2009. Contact centsprenten@xs4all.nl. Overname, copiëren en downloaden voor niet-commercieel gebruik van teksten en afbeeldingen is toegestaan onder vermelding van bron SGKJ/AGJMBorms. |