Pieter Koumans  te  Leeuwarden       terug  

 

 

Even als zijn vak- en stadsgenoten Abraham Ferwerda en Wigerus Wïgeri was Pieter Koumans gevestigd in de Peperstraat. Hij woonde aan de noordzijde, in het huis „De Jonge Ruyter". Van 1678 tot 1698 was in dit huis gevestigd geweest de drukker Johannes de Ruiter 1. Was het huis genoemd naar deze bewoner of had deze bewoner zijn naam te danken aan het huis ?Johannes de Ruiter was in 1698 opgevolgd door Gerrit Koumans; die volgens W. Eekhoff in 1722 werd opgevolgd door Pieter Koumans.Volgens Waller was Pieter Koumans werkzaam van 1735 tot 1780 2. Op de prenten welke van hem bewaard gebleven zijn vindt men de datums 1759 en 1768.

Reeds in 1672 was er in de Peperstraat te Leeuwarden een Lambert Coumans gevestigd 3. Was deze Lambert een voorouder van Pieter?

Pieter Koumans was stadsdrukker en gaf veel geschriften uit van predikanten.

Uit zijn fonds zijn slechts vijf prenten bewaard, twee hiervan hebben wij aangetroffen in de collectie van het Fries Genootschap en twee in de collectie Waller; de vijfde prent is vermeld in de gids van de historische tentoonstelling van 1877.

 

1 Eekhoff, Bibl. Leeuwarden, blz. 209 en 439-440.

2 Waller, Biogr. Woordenb., blz. 460.

3 EekhofF, Bibl. Leeuwarden, blz. 209.

 

Prentlijst

Voor afkortingen in de prentbeschrijving klik hier.

 

. De Wonderlyke en Zeldzame historie van Thyl Ulenspiegel. 25 hsnn., coll. Ottema; met titel : De wonderbaarlijke en zeltzame historie van Thyl Ulenspiegel, gedat. 1768, coll. Fries Gen.

, De Geboorte / Leven / Wonderwerken / Lyden / en Sterven van den Zaligmaker Jesus Christus. 35 hsnn., gedat. 1759, coll. Fries Gen.

-. Veel vermakelyke Weereld-wyze en Zinryke Spreu­ken. 30 hsnn., spreekwoorden, coll. Waller 6.

-. Afbeeldinge van verscheidene Gedierten en Vogelen. 24 hsnn., coll. Waller 6.

-. Friesche Soldaten. Gedat. 1768. Vermeld in de Gids voor de bezoekers van de historische tentoon­stelling van Friesland gehouden in Z. M. Paleis te Leeuwarden in den zomer 1877, Leeuwarden 1877.

 

Uit: M. de Meyer p. 198 ev.